Posts tonen met het label handboek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label handboek. Alle posts tonen

maandag 1 mei 2017

Handboek 28

logo
blz 94 - 95
Beginnende bij Noord en doortellende over Oost-Zuid en West is de roos in 360 graden verdeeld. Iedere streek telt dus 11 1/4 graad.
kompasroos
Het getal graden is op, den rand der roos in tientallen aangegeven. Onderstaande figuur geeft ten slotte de bij de Marine gebruikelijke kompasroos weer.
Een kompas bestaat uit de kompasroos van zijde of papier, waarop de verdeeling in streken en in graden is aangegeven en waaraan de magneetnaalden bevestigd zijn.
De roos draait op eene pen in den kompasketel. Aan boord zijn meerdere kompassen, op de brug vindt men het stuurkompas, meer in het midden van het schip het standaardkompas, enz. De sloepen zijn voorzien van sloepskompassen. Bij de sloepskompassen en bij de kompassen der torpedobooten drijft de roos in vloeistof, waarmede de ketel gevuld is.
Men noemt ze daarom vloeistof-kompassen.
In de kompasketels is nauwkeurig in de richting van het voorschip de zeilstreep aangebracht, waardoor men op, de roos kan zien, welke koers het schip voorligt.
kompasroos
De kompassen zijn voorzien van kompaslampen voor verlichting van de roos en meestal van peilinstrumenten.
LOOD EN LOODLIJNEN.
Om de diepte te meten van het water waarin het schip zich bevindt, wordt gebruik gemaakt van looden en loodlijnen. Het meten der diepte noemt men „looden". Bij de Koninklijke Marine worden als regel de volgende looden gebruikt :
6 kg als handlood.
3 kg als sloepslood.
De loodlijnen zijn gemerkt in meters. Het merken geschiedt uitgaande van den onderkant van het lood. De loodlijnen worden tevoren natgemaakt en gerekt. De merken worden veelvuldig gecontroleerd. -
De handloodlijnen zijn 50 meter lang en zijn over de volle lengte gemerkt. Op 3, 5 en 7 meter wordt respectievelijk een rood, een wit en een blauw lapje aangebracht ; op 1, 2, 4, 6, 8 en 9 meter een eindje hin en op 10 meter een lederen lapje.
Voor de diepten tusschen 10 en 20, 20 en 30, 30 en 40 en 40 en 50 meter worden eveneens op elken meter overeenkomstige merken aangebracht, met dien verstande, dat in het lederen lapje op 10 meter 1 gaatje, in dat op 20 meter 2 gaatjes enz. worden aangebracht.
vervolg op blz 96 - 97 in de rechterkolom
blz 96 - 97
vervolg van blz 95
Op 1 1/2 meter vanaf den onderkant van het lood is een knevel aangebracht.
Sloepsloodlijnen hebben een lengte van 20 meter. Zij zijn over de volle lengte verdeeld op dezelfde wijze als voor de handloodlijnen aangegeven.
Bovendien wordt bij de eerste drie meters nog op de halve meters (1/2, 1 1/2 en 2 1/2) een merk aangebracht bestaande uit een lusje.
De Slaggaard.
De slaggaarden worden naar gelang van het doel, waarvoor ze gebruikt worden in verschillende lengten vervaardigd. Ze dienen om to steken naar den grond. Meestal zijn het zwarte stokken, in decimeters verdeeld door witte kringen. Bij elk dier kringen staat de diepte geschilderd.
De gedeelten van 2 tot 3 dm zijn rood, van 4 tot 5 dm wit en van 6 tot 7 dm blauw geschilderd. Hetzelfde geld boven de 10 dm.
Een vaste wijze van verdeelen bestaat overigens niet. Een druif onder aan den stok is voor ongeoefenden gemakkelijk bij het steken, maar veroorzaakt last bij het naar zich toehalen bij vaart loopend schip. Men houde bij zachten grond rekening met het inzinken van de slaggaard.
ANKERS EN KETTINGEN.
De bij de Koninklijke Marine voorkomende ankers worden onderscheiden in gewone, plattehands en stoklooze ankers, benevens sloepsdreggen en paddestoelankers. De ankers worden benoemd naar het gewicht in kg.
Het gewone anker komt als boeganker weinig meer voor, doch wordt nog steeds gebruikt als werpanker en als stopanker.
Bij dit anker staan stok en armen loodrecht op elkaar, waardoor zij veel ruimte innemen.
Bij het plattehandsanker liggen stok en armen in hetzelfde vlak, de armen zijn draaibaar en doen beide dienst. Een eenvoudig type van plattehandsanker komt voor aan boord van de kanonneerbooten.
Bij het stoklooze anker ontbreekt, zooals de naam aanduidt, de stok. De armen zijn met de handen één stalen gietstuk, dat door een zware bout scharnierend aan het ondereind der schacht wordt opgesloten. Het groote voordeel van een stokloos anker is de eenvoudige wijze van bezorgen, door n.l. de schacht in de kluis te draaien, totdat de handen tegen boord rusten. De modern schepen zijn dan ook alle met een stokloos anker uitgerust.
De sloepsdreggen bestaan uit een schacht met vier armen. Ze hebben geen stok en behooren tot den inventaris der sloepen. De paddestoel- of parapluie-ankers bestaan uit een schacht en een paddestoelvormige gietijzeren kom, die als arm en hand dienst doet. Ze worden op varende schepen niet gebruikt en dienen voor verankering van lichtschepen.
De ankerkettingen worden gevormd door in elkaar gesmede schakels, schalmen genaamd. Elke ankerketting bestaat uit 8 stukken, elk lang 25 meter, zoodat elke ketting een totale lengte heeft van 200 meter. De stukken worden aan elkaar verbonden door sluitharpen, ook wel sluitings genoemd. Zoo dicht mogelijk bij het uiteinde van het eerste eind ketting en op gelijke plaats in het laatste eind is in de ketting een wartel aangebracht.
Om bij het uitloopen van de ketting te kunnen zien hoeveel meter uit is, zijn de kettingen om de 25 meter gemerkt met een eindje lijn, waarin evenveel knoopen gelegd zijn als het totale uitgeloopen eind ketting veelvouden van 25 meter telt.
Bij het merken van den ketting blijft het korte eind met wartel buiten beschouwing.
Behalve door bovengenoemde merken is de ketting door het schilderen van een of meer schalmen gemerkt, en wel zoodanig dat de eerste gekleurde schalm van het merk op den daarbij behoorenden afstand komt te liggen, terwijl het eindje lijn met knoopen wordt bevestigd aan den laatsten gekleurden schalm van het merk.
De schildering der schalmen is als volgt :
op 25 meter rood
op 50 meter rood-rood
op 75 meter rood-grijs-rood
Vervolg op bladzijde 98

Handboek 26

logo
blz 84 - 85 - 86
Wanneer men met de zee meeroeit, zal er met een riem over den achtersteven of, iets meer naar voren, op de zijde gestuurd moeten worden, want nu en dan zal het roer geen dienst meer doen.
Wanneer men voor een holle zee of branding het land wil naderen, kan men met vertrouwen naar de volgende algemeene regelen handelen :
l. Bij zeer hooge zee en met een kleine sloep, in het bijzonder als zij een platte spiegel heeft, zal men de steven zeewaarts moeten keeren en achteruit naar binnen gaan ; bij het naderen van elke golf genoegzame vaart vooruit gevende om deze voorbij te laten gaan.
2. Ontwijkt zooveel mogelijk iedere zee, door de sloep zoo te plaatsen. dat elke zee voor haar breekt.
3. Denkt men zonder gevaar de steven naar het land te kunnen laat dan bij het naderen van elke zee met de riemen strijken om zooveel mogelijk de vaart door het water te stuiten ; heeft men een sleeper of ander voorwerp, dat daarvoor dienen kan, laat het dan acheraan sleepers om de sloep recht voor de zee te houden, hetgeen steeds als hoofddoel beschouwd moet worden.
4. Leg de grootste gewichten in de sloep in de zijde die naar zee gekeerd is maar met geheel in het uiteinde.
5. Wanneer een sloep bij hooge zee zeilende en roeiende naar den wal gaat, dan moet men, behalve bij een steile kust, onder alle omstandigheden de zeilen bergen en de masten neerleggen voor men in de branding komt ; en alleen zeilende dan moet er veel zeil geminderd worden, een half gestreken fok of ander klein voorzeil is voldoende.
Bij branding op strand loopen of landen.
Tusschen het voor holle zee of branding wegloopen en op strand loopen of landen is een bepaald verschilt de hiervoren aanbevolen wijze van besturen der sloepen doelt dan ook alleen op het geval, als het strand zoo vlak is, dat de branding zich op eenigen afstand van de kust uitstrekt.
Bij een zeer steile kust zal de eerste hevige rolling op de kust zelve vallen, terwijl er bij sommige zeer vlakke stranden branding is zoover het oog reikt, ja somtijds tot op 4 of 5 Eng. mijlen van het land. Op een vlak strand is de buitenste branding, in 3 of 4 vadem diepte de hevigste en bijgevolg de gevaarlijkste, is men die behouden doorgekomen dan wordt het gevaar minder naarmate de diepte afneemt, totdat, bij het naderen van het land, de zee hare kracht verliest en niet meer te duchten is.
Daar de aard der zee verschilt naarmate de kust steil of vlak is, verschilt ook de gebruikelijke wijze van landen in die beide gevallen. Bij een vlak strand, hetzij men vooruit of achteruit het land nadert, moet de sloep rechtvoor of op de zee gehouden worden, tot zij den grond raakt, wanneer elke golf, waardoor zij beloopen wordt, haar meer naar den wal zal zetten, daarin geholpen door de bernanning, die in den regel overboord springt om de sleep te lichten en bij de zijden op te halen. Vroeger is reeds gezegd dat in dit geval de zeilen intijds geborgen moeten worden, wanneer ze bij stonden en alleen van de riemen gebruik mag worden gemaakt.
Bij een steile kust daarentegen is het in den regel gebruikelijk met een sloep van eenige grootte met vaart op het strand aan te loopen en op het oogenblik van landen den steven halverwegen te keeren naar den kant vanwaar de branding komt, zoodat de sloep dwars op den wal gezet wordt, waar men gewoonlijk voldoende hulp vindt om haar zoo vlug mogelijk buiten bet bereik van de zee te halen. Wij geloven niet, dat het in die omstandigheden ergens de gewoonte is met den steven naar zee strijkende den wal te doers naderen, maar met volle, kracht op de kust aan te roeien zooals gezegd is.
HET REDDEN VAN DRENKELINGEN.
Alvorens zich te water te begeven, verdient het aanbeveling indien de tijd dit eenigszins toelaat, de schoenen en zware kleedingstukken uit te trekken. De lichtere kleedingstukken hinderen weinig en bevorderen in den eersten tijd zelfs het drijfvermogen, dcordat ze lucht bevatten.
Is de drenkeling gezonken, dan wijzen de opstijgende luchtbellen veelal de plaats aan waar hij ligt. Men houde hierbij rekening met den stroom, die de luchtbellen meevoert.
Het is een gevaarlijk oogenblik als de redder in de nabijheid een in doodsangst verkeerenden drenkeling komt. Men nadere hem daarom van achteren.
De drenkeling wordt op den rug gezegd en men zwemt zelf op den rug naar den wal. Dit laatste geeft de volgende voordeelen :
A. alleen met de beenen zwembewegingen makende komt men het snelst vooruit.
B. men houde zelf aldus neus en mond het gemakkelijkst boven water.
C. men heeft de armen vrij om den drenkeling vast te houden en kan zorgen, hem met zich meetrekkende, zijn hoofd boven water te houden waardoor hij vrij kan ademen en niet het klotsende water in zijn neus of mond stroomt.
Men moet steeds zorgen het gezicht van den drenkeling boven water te houden : het is van belang de ellebogen van den drenkeling zoover mogelijk van elkaar te houden, waardoor zijn borstkas zich met lucht kan vullen en het drijfvermogen wordt vermeerderd. Het zwemmen met de beenen moet regelmatig zonder schokken geschieden, waardoor de drenkeling vertrouwen krijgt en zich beter aan den redder zal overgeven.
Het is een voordeel het lichaam van den drenkeling horizontaal te houden met de beenen dicht onder de oppervlakte. Naar het gedrag van den drenkeling kunnen zich de volgende gevallen voordoen:
le. De drenkeling geeft zich rustig over.
Vat hem bij zijn armen en leg hem op zijn rug. Leg uwe handen aan weerszijden van zijn gelaat met de palmen over de ooren. Leg u zelf op uw rug en houdt hem voor u uit, zorgende dat zijn gezicht boven water is.
2e. De drenkeling spartelt tegen.
Leg hem op zijn rug, grijp de armen even boven de ellebogen stevig vast en trek ze op zoodat ze rechte hoeken vormen met zijn lichaam. Gij hebt hem dan in bedwang; hij kan zich niet omkeeren en u vastgrijpen, noch met eenig succes tegenspartelen. Op den rug zwemmende als voren, brengt ge hem naar den wal. Is het niet mogelijk de armen te grijpen door de heftige beweggen die de drenkeling maakt, nader hem dan wederom van achteren, breng uw armen onder zijn oksels, pak zijn polsen en leg zijn armen op zijn borst. Hef dan zijn armen op, tot ze rechte hoeken maken met zijn lichaam en zwem op den rug als voren naar den wal. Is het niet mogelijk zijn polsen te vatten, breng dan uwe armen onder zijn oksels en vouw uw handen achter zijn nek te zamen (Nelsongreep).
3e. De drenkeling klemt zich aan u vast.
Men behoeft geen geweld te gebruiken doch passe de volgende methoden toe :
Houdt hij u bij de polsen vast, draai dan uw beide handen naar den kant waar hij de minste kracht kan uitoefenen, d.w.z naar den kant van de duimen en hef uwe armen naar buiten op, zoodat uwe bovenarmen rechte hoeken maken met uw lichaam.
De drenkeling zal u moeten loslaten. Grijpt hij u om den nek, dan wordt de toestand gevaarlijk. Dadelijk handelen is noodig en we] als volgt: Leg uwe linkerhand onder in zijn rug, haal diep adem en buig u over hem heen. Hef uw rechterarm omhoog, leg de palm van deze hand onder zijn kin en druk deze met alle macht van u af waardoor ge zijn mond sluit.
vervolg op blz 87 - in de rechterkolom
blz 87 - 88 - 89
Zoo mogelijk pakt ge tevens zijn neus tusschen duim en vingers en knijpt deze dicht. Om nu zijn mond te kunnen openen zal hij nog verder met zijn hoofd naar achteren en dus zijne handen loslaten.
Grijpt hij u om lichaam en armen vast, haal dan diep adem, buig u over hem heen en plaats uw rechterhand op zijn kin, mond en neus zooals hiervoren aangegeven. Leg uw linkerhand op zijn schouder en breng tegelijkertijd uw rechterknie tegen het ondergedeelte van zijn borst of het bovenste gedeelte van zijn buik. Druk dan plotseling met een flinken ruk uw rechterarm en been voorwaarts en zet u met het volle gewicht van uw lichaam achterover.
De drenkeling zal u oogenblikkelijk moeten loslaten.
VERLEENEN VAN EERSTE HULP AAN DRENKELINGEN.
Tallooze malen is het voorgekomen, dat een drenkeling, die met moed en zelfopoffering uit het water werd gehaald, toch gestorven is, omdat hij aan den wal gebracht, niet op de goede manier werd behandeld.
Een ieder is daarom zedelijk verplicht te weten hoe hij een drenkeling moet behandelen en deze behandeling terstond toe te passen. Ondertusschen zal men door een ander zoo geneeskundige hulp doen halen.
Voorschriften omtrent de behandeling
1. Leg den drenkeling onmiddellijk op zijn buik met een opgevouwen kleedingstuk onder zijn borst of maag; leg een zijner armen onder zijn voorhoofd. Leg uw beide handen op zijn rug en druk zonder geweld naar beneden.
Het binnengekomen water wordt aldus naar buiten gedrukt en kan door mond en neus, die vrij liggen, wegvloeien.
2.Leg den drenkeling daarna op zijn rug en verwijder met een zakdoek over uw wijs- en middelvinger gespannen, het vuil en slijm uit keel en mond en reinig zijn neus.
Dit is van groot belang omdat anders bij de hierna te beschrijven kunstmatige ademhaling vuil en slijm in de luchtpijp en de longen gezogen wordt, wat hem bijna zeker later een longontsteking zal bezorgen.
3. Maak de kleeren voor op de borst los en evenzoo broeks of roksbanden en corset. Trek bij een man zoo mogelijk zijn jas uit en ontbloot het bovenste gedeelte van den buik (maagkuil).
Het eerste is noodig opdat de borstkas zich vrij kan uitzetten. Het ontbloten van den buik is gewenscht om later het op- en neergaan van de maagkuil waar te nemen, als de ademhaling weer begint.
Reeds dadelijk alle natte kleeren uit te trekken is niet gewenscht ; het houdt te veel op.
4. (Methode Labarde). Neem den tong tusschen duim en wijs vinger waar overheen uw zakdoek is gespannen en trek den tong krachtig doch bedaard met regelmatige slagen naar buiten. Doe dit vijf keer, het vuil afvegende en let op of er eenig teeken van leven komt. Is dit het geval dan doorgaan, anders overgaan tot :
5. Methode Sylvester). De tong flink over de onderste tanden heenhalen en met een doek om nek en kin vastbinden. Doet men dit niet dan zakt de tong naar binnen en sluit de keel af.
6. Methode Sylvester- Overgaan tot de kunstmatige ademhaling.
Al het voorgaande moet vlug hoewel niet overhaast geschieden om spoedig te komen tot de kunstmatige ademhaling.
De drenkeling ligt op zijn rug ; kniel achter zijn hoofd, buig u voorover, pak zijn armen bij de ellebogen en druk ze zacht tegen de voor-zij-vlakte van zijn borstkas. Blijf eenige tellen in deze houding en laat een helper den mond schoon maken.
Trek de armen krachtig zijwaarts naar achteren en naar boven, de ellebogen dicht langs den grand tot ze zijdelings langs zijn hoofd komen. Blijf een paar tellen in deze houding. Ga gelijkmatig op deze wijze door in het tempo, waarin ge zelf ademhaalt, want de eerste, beweging (drukken op de voor-zij-vlakte van de borst) geeft uitademen, de tweede beweging (het naar achteren brengen van de armen) geeft inademen.
Een helper houdt ondertusschen de enkels vast, anders zoudt ge het geheele lichaam van den drenkeling omhoog trekken.
lemand, die bedreven is in deze bewegingen, voert ze het best alleen uit. Het is echter zeer vermoeiend. Is er nog iemand anders, die methode ook kan toepassen, dan zal men elkaar aflossen. Is alleen onbedreven hulp aanwezig, dan kan men ieder een arm behandelen.
Den moed niet verliezen, ook al duurt het langer dan een uur eer ge levensteekens bemerkt. Let vooral op het zelfstandig bewegen van de maagkuil, trekkingen in het gezicht of rood worden van het gelaat.
Houdt eerst op als ge ziet, dat de ademhaling uit zich zelf krachtig en regelmatig voortgaat. Begin dadelijk opnieuw als de ademhaling weer dreigt op te houden.
7. (Methode van Hasselt). Zijn een of beide armen gebroken en kan Sylvester's methode niet worden toegepast, ontbloot dan de borst en de bovenste buikhelft. Hef de ribben met kracht naar voren en naar boven door uwe vingertoppen om de onderranden der ribben te slaan. Bij het loslaten gaan ze van zelf terug. Tempo als bij uw eigen ademhaling.
Begint de patient te braken, dan dadelijk zijn hoofd op zij leggen, opdat het braaksel niet in de luchtpijp kan komen. Mond en keel daarna reinigen.
Men bedenke steeds, dat vooral het verwijderen van het water uit de longen en de maag dadelijk moet geschieden. Ook de kunstmatige ademhaling dient zoo vlug mogelijk te geschieden, doch soms is het beter (b.v. bij felle koude) den patient eerst ergens binnen te brengen.
Is de ademhaling hersteld, dan den patient zoo mogelijk ergens binnen brengen en trachten hem warm te maken en het bloed weer te doen stroomen.
8. Het bevorderen van den bloedsomloop,
dat zoo mogelijk reeds door een ander wordt begonnen, terwijl gij de kunstmatige ademhaling toepast, geschiedt als volgt :
Den patient geheel ontkleeden, goed afdrogen, het geheele lichaam, vooral armen en beenen, met wollige warme doeken wrijven in de richting naar het hart toe.
De voetzolen schuren met borstel of borstelige lap; een sterk riekend vocht (b.v. eau de cologne of geest van salmiak) onder den neus houden.
Is aldus het bewustzijn teruggekeerd en de hart- en polsslag weer krachtiger, dan den patient zoo mogelijk leggen in verwarmde dekens tusschen warme, omwikkelde kruiken en warme koffie, thee, cognac of brandewijn laten drinken. Dit laatste alleen als de patient bij kennis is ; een bewustelooze slikt niet ; het vocht zou dus in de luchtpijp stroomen.
Den patient niet te vroeg naar zijn woning vervoeren. Hij is zwak en het vervoer kan hem schaden.
Acht u van uw zorgen eerst ontslagen als de drenkeling in zijne woning is aangekomen en een geneesheer aanwezig is.
De voorschriften 3 t/m 6 moeten ook worden toegepast bij schijndood door verstikking (tengevolge van een vreemd voorwerp, in de keel) of door ophanging, vergiftiging (b.v. door kolendamp, of andere vergiftige gassen) door bevriezing, zonnesteek of een electrischen stroom.
vervolg op bladzijde 90

Handboek 02

logo
blz 3 - 4
DOEL VAN HET HANDBOEK
Het handboek heeft voornamelijk ten doel, den zeemilicien, die met groot verlof is, in de gelegenheid te stellen het een en ander na te lezen over datgene, wat hem gedurende zijn diensttijd is geleerd. Daarom blijft het exemplaar van het handboek, dat hem in de marinekazerne te Willemsoord is verstrekt, zijn eigendom en ontvangt hij bij zijn vertrek met groot verlof de uitdrukkelijke aanbeveling er een veelvuldig gebruik van te maken, ter bevordering van zijn algemeene bruikbaarheid bij opkomst voor herhalingsoefeningen en bij mobilisatie.
Voorts zal het handboek als leidraad kunnen dienen gedurende den oefeningstijd, en wordt het daarom den zeemiliciens dan ook ter veelvuldige lezing ten zeerste aanbevolen in hunne vrije oogenblikken, omdat zij zich daardoor het geleerde veel gemakkelijker zullen eigen maken. De niet bedrukte bladzijden achterin zijn bestemd tot het maken van aanteekeningen en tot het invullen van voorkomende veranderingen.
BESTEMMING EN DIENSTTIJD VAN DEN ZEEMILICIEN.
De zeemiliciens zijn bestemd tot bemanning van de oorlogsschepen, tot het bezetten van de kustwachtposten en tot het dienst doen bij de inrichtingen der zeemacht. Voor zoover voor het tijdstip, waarop hun dienstplicht eindigt, van hun diensten geen gebruik meer behoeft te worden gemaakt ten behoeve van de zeemacht, kunnen zij worden bestemd voor diensten bij de landmacht.
De korporaals en manschappen der zeemilitie blijven dienstplichtig tot 1 October van het jaar, waarin zij 40 jaar oud worden (zij, die den rang van sergeant of hooger bekleeden tot 45 jaar) en kunnen dus tot dat tijdstip in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden, allen of voor een deel worden opgeroepen om in werkelijken dienst te komen. De duur der eerste oefening wordt jaarlijks bepaald en bedraagt bij de zeemilitie :
A : ten hoogste negen maanden voor hen, die na hun inlijving in opleiding zijn genomen uitsluitend voor den dienst bij de marinekustwacht;
B : ten hoogste vijftien maanden voor de overige dienstplichtigen, behoudens het bepaalde onder c;
C : ten hoogste achttien maanden voor hen, die na hun inlijving in opleiding zijn genomen tot onderofficier, inbegrepen de rang van korporaal.
Gedurende dezen tijd krijgen de zeemiliciens onderricht in al datgene, wat zij noodig hebben te weten om behoorlijk dienst te kunnen doen op de verschillende oorlogsschepen, bij de inrichtingen der zeemacht en op de marine-kustwachtposten.
Wanneer het evenwel ter handhaving of tot herstel van de open-bare orde of rust of om andere overwegende redenen noodig is, kunnen de zeemiliciens, die in werkelijken dienst zijn, voor zooveel noodig, langer in dienst worden gehouden.
Zij, die met groot verlof zijn, kunnen om dezelfde redenen voor den werkelijken dienst worden opgeroepen. De jongste lichting wordt hiertoe altijd het eerst gekozen.
De dienstplichtige kan, als hij voor groot verlof in aanmerking komt, in werkelijken dienst worden gehouden :
A - zoolang hij den graad van geoefendheid, then hij bij het einde van den oefeningstijd had moeten bezitten, niet heeft bereikt;
B - gedurende evenveel dagen als hij door het ondergaan van straf, door ongeoorloofde afwezigheid of door desertie niet aan den dagelijkschen dienst heeft deelgenomen;
C - zoolang dit noodig is tot het ondergaan van straf of voor het onderzoek omtrent een strafbaar feit of een krijgstuchtelijk vergrijp, waarvan hij verdacht of beklaagd wordt;
D - zoolang hij de geldelijke schuld, die ingevolge administratieve bepalingen op hem rust ter zake van zijn aansprakelijkheid voor militaire goederen, niet heeft aangezuiverd;
E - zoolang hij ziek is, voor zoover hij zelf verlangt in werkelijken dienst te blijven en zijn toestand dit wenschelijk maakt;
F - zoolang het vertrek met grootverlof gevaar zou opleveren voor verspreiding van in de kazerne of aan boord heerschende of geheerscht hebbende besmettelijke ziekte.
De zeemiliciens kunnen aangewezen worden voor diensten buiten Europa. Onvoorziene omstandigheden kunnen oorzaak zijn, dat zij niet in Nederland zijn teruggekeerd voor het einde van den voor hen bepaalden oefeningstijd. In dat geval kan in gewone tijden hun verblijf zonder hun toestemming in werkelijken dienst met niet meer dan 4 maanden worden verlengd.
vervolg op blz 5 - 6 in de rechterkolom
blz 5 - 6
vervolg van blz 4
In vierde jaar (voor zooveel de kustwachters betreft evenwel in het vijfde jaar), volgende op dat, waarin de eerste oefening een aanvang nam, worden de zeemiliciens opgeroepen voor een herhalingsoefening, welke ten hoogste 40 dagen duurt. Het doel dezer oefening is het vroeger geleerde nog eens te herhalen en de zeemiliciens zoodoende op de hoogte te doen blijven van hun werk.
Na afloop van den eersten oefeningstijd en de herhalingsoefening worden zij met groot verlof gezonden. De verlofganger heeft na zijn vertrek nog aan eenige verplichtingen te voldoen. Deze verplichtingen zijn duidelijk omschreven in het zakboekje, dat hij bij zijn vertrek medeneemt. Ernstig wordt de verlofganger er op gewezen, deze bepalingen aandachtig na te lezen en stipt op te volgen; voorts wordt hij er aan herinnerd, dat niet opvolgen van deze voorschriften, oproeping in werkelijken dienst ten gevolge kan hebben.
De vervoerbewijzen, die hij bij oproeping in werkelijken dienst noodig heeft, zijn eveneens achter in het zakboekje gehecht. Ook vindt hij daarin een lastgeving en eenige bons, welke hij noodig heeft, indien de dienstplichtigen tot opkomst in werkelijken dienst met spoed worden opgeroepen.
Hoe deze oproeping geschiedt en hoe de zeemilicien dan te handelen heeft, staat wederom uitvoerig in het zakboekje beschreven. Hier wordt er slechts op gewezen, dat oproeping in werkelijken dienst met spoed alleen in zeer ernstige tijden zal plaatsvinden, dat de zeemilicien dus ernstig te kort zou schieten in zijn plicht tegenover Vaderland en Vorst, indien hij niet met den meesten spoed, volgens den hem aangewezen weg en met inachtneming van de grootste orde aan deze oproeping gevolg zou geven. Iedereen bedenke, dat van een vlugge, ordelijke mobilisatie wellicht de veiligheid van land en volk afhangt.
Niet eerder dan bij ontvangst van het bewijs van ontslag uit den dienst is de verlofganger gerechtigd zich van zijn plunje en kooigoederen te ontdoen. Hij is verplicht deze goederen steeds zoodanig bij elkaar te bewaren, dat zij bij een oproeping tot opkomst met spoed, onmiddellijk kunnen worden medegenomen.
De bij terugkomst in werkelijken dienst ontbrekende goederen worden weder op zijn rekening verstrekt; bovendien is hij krijgstuchtelijk strafbaar wegens overtreding van het voorschrift om bij opkomst in werkelijken dienst in uniform gekleed te zijn en voorzien te zijn van de tot zijn verlofuitrusting behoorende goederen.
Bij vestiging buiten Nederland verder dan 15 km van de grens kunnnen desgewenscht de uitrustingsgoederen worden ingcleverd tegen taxatieprijs. De vergunning tot die inlevering wordt verleend na inzending aan den Minister van Defensie van een bewijsstuk, waaruit blijkt, dat de zeemilicien zich metterdaad buitenslands gaat vestigen. Indien het zakboekje zoek raakt, moet de verlofganger hiervan kennis geven aan den burgemeester zijner woonplaats. Hij vraagt dan een bewijs, dat hij die mededeeling heeft gedaan, en ,verzoekt aan den commandant der marine te Willemsoord een nieuw zakboekje aan te vragen.
INDEELING EN OPLEIDING.
De bij de zeemilitie ingelijfde dienstplichtigen worden aanvankelijk ingedeeld in: matrozen, kustwachters, zeemiliciens bij de marinetroepen (zeem. M.Tr.) hulptelegrafisten, seiners, stokers, olieman, chauffeurs, vliegtuigmakers, ziekenverplegers, schrijvers, hofmeesters, bedienden, koks en barbiers. Zij ontvangen hun eerste militaire opleiding in de marinekazerne te Willemsoord en worden na 2 maanden (de zeemiliciens M.Tr. evenwel na 1 maand) ter verdere opleiding naar de daarvoor aangewezen schepen of inrichtingen der zeemacht overgeplaatst.
Ofschoon het oppervlakkig beschouwd moeilijk schijnt alles te leeren, wat van een geschikten zeemilicien kan worden vereischt, zoo is het voor iemand met een gewoon verstand en goeden wil, gemakkelijk te doen; ieder zeemilicien moot bovendien wel bedenken, dat het hem later voor alle betrekkingen steeds tot aanbeveling wanneer hij zich gedurende zijn diensttijd bij de zeemacht goed heeft gedragen en getoond heeft bekwaam en geschikt te zijn.
SOORTEN VAN SCHEPEN.
De taak der oorlogsschepen is den vijand te water te bestrijden. De omstandigheden waaronder, de plaats waar dit zal geschieden en de wijze waarop wij den vijand afbreuk willen doen, kunnen zeer verschillend zijn en het spreekt dus wel vanzelf, dat niet alle oorlogsschepen gelijk zijn, dat er dus verschillende soorten (typen) van oorlogsschepen moeten zijn. Zoo bijvoorbeeld zullen er schepen zijn, die in volle zee den strijd met den vijand moeten aanbinden, terwijl andere tot taak hebben op te treden in de nauwe en vaak ondiepe vaarwaters tusschen de eilanden van onze kust.
vervolg op bladzijde 7

Handboek 03

logo
blz 7 - 8 - 9
vervolg van blz 7
Deze laatste moeten dus klein zijn en weinig diepgang hebben. De eerstgenoemde zullen zich vaak gedurende langeren tijd in zee moeten ophouden, zij, moeten dus veel brandstof, levensmiddelen en munitie kunnen bergen en zullen ook om andere redenen groote schepen moeten zijn. Van de wijze, waarop wij den vijand schade willen toebrengen, hangt de bewapening af.
Zoo zullen de schepen, die bestemd zijn in volle zee op groote afstanden te vechten met gelijksoortige schepen van den vijand, moeten worden bewapend met zware kanonnen; deze schepen heeten in onze marine pantserschepen en kruisers, andere vaartuigen hebben ten doel met groote snelheid een vijandelijk schip te naderen en dit door middel van torpedo's te vernietigen. Dit zijn de torpedobooten en de torpedobootjagers.
De onderzeebooten, die onder water varende het vijandelijk doel ongezien trachten te naderen, zijn eveneens met torpedo-lanceerinrichtingen bewapend. Hierboven wend de hoofdbewapening genoemd. Vele schepen hebben echter een gemengde bewapening. De torpedobooten en de torpedobootjagers hebben naast hun torpedobewapening enkele kanonnen van licht of (en) middelbaar kaliber, waarmede zij kleine schepen kunnen bestrijden.
De groote schepen maken in een gevecht tegen groote vijandelijke vaartuigen gebruik van zware en middelbare kanonnen; om aanvallen van torpedobooten, jagers of onderzeebooten en vliegtuigen af te slaan, zijn aan boord eenige lichte kanonnen geplaatst.
De taak der mijnenleggers is, het leggen van mijnversperringen in vaarwaters, die wij voor den vijand ontoegankelijk willen maken. Om zich te verdedigen tegen vijandelijke schepen, die hun het uitvoeren van hun werk zouden willen beletten, zijn zij van eenige lichte kanonnen voorzien.
Naast de mijnenleggers vinden wij de mijnenvegers, wier taak het is om voor ons belangrijke vaarwaters van door den vijand gelegde mijnen te zuiveren.
Kleine, weinig diepgaande vaartuigen bestemd om in de zeegaten op te treden, zijn de pantserbooten en de kanonneerboten terwijl in Ned.-Indie en Curacao ook nog gebruik wordt gemaakt van flottieljevaartuigen. Laatstgenoemde vaartuigen zijn voorzien van middelbaar geschut en van anti-luchtgeschut.
De pantserschepen, kruisers, pantserbooten en flottieljevaartuigen zijn min of meer gepantserd, d.w.z. dat de belangrijkste deelen dier schepen door dikke harde stalen platen min of meer tegen de uitwerking van het vijandelijke geschutvuur en tegen bommen uit vliegtuigen zijn beschermd.
ARTILLERIE.
Geschut
De kanonnen dienen bij de Koninklijke Marine hoofdzakelijk tot bewapening der oorlogsschepen en worden gebruikt om met grote snelheid projectielen daaruit voort te schieten, die het vijandelijk doel moeten treffen om daarin verwoesting aan te richten.
Het voorkomende geschut wordt verdeeld in :
Snelvuurgeschut.
Semi-automatisch geschut.
Automatisch geschut (mitrailleurs).
Een kanon of vuurmond bestaat in het algemeen uit een stalen versterkte buis, die inwending nagenoeg overal even wijd is uitgeboord en ruimte biedt om de buskruitlading en het projectiel te bevatten.
Het inwendige deel van genoemde buis noemt men de ziel van den vuurmond, het vooreinde der ziel wordt monding genoemd. Het gedeelte van de ziel, hetwelk bij het afgaan van het schot door het projectiel wordt doorloopen, is van groeven of trekken voorzien en wordt daarom het getrokken gedeelte genoemd.
Deze trekken, die schroefvormig in de ziel zijn aangebracht, dienen om het projectiel een draaiende beweging om zijn lengte-as te geven; de projectielen zijn voorzien van inrichtingen, waardoor zij, zooals later beschreven zal worden, gedwongen worden den loop der trekken te volgen.
Het aantal trekken, hunne diepte en breedte zijn verschillend bij de verschillende geschutsoorten. De wanden van de ziel tusschen de trekken worden de velden genoemd. Het deel der ziel waarin de buskruitlading wordt geplaatst, heet de kamer. De ziel wordt gesloten door een beweegbaar sluitstuk.
Bij het geschut ontstaat de gasafsluiting door middel van de huls, die door het sluitstuk stijf in haar ligplaats wordt gedrukt en gesteund. De lading wordt ontstoken door middel van een slagdop of slaghoedje, dat zich in den bodem der huls bevindt. De in het sluitstuk aanwezige slagpin wordt door de werking van de slagveer die zich ook in het sluitstuk bevindt, tegen den slagdop of tegen het slaghoedje gedreven en doet deze ontsteken.
vervolg op blz 10 -11 in de rechterkolom
blz 9 - 10
vervolg van blz 9
De kanonnen rusten in schuifaffuiten of wiegaffuiten. De middellijn der ziel over de velden wordt het kaliber van den vuurmond genoemd, de lengte der middellijn wordt uitgedrukt in centimeters; de kanonnen worden naar dit kaliber genoemd. Zoo spreekt men van een kanon van 12 cm, dit is dus een kanon, waarbij de middellijn der ziel 12 centimeters bedraagt.
Kanonnen van eenzelfde kaliber worden nog onderling in nummers onderscheiden, de hoogste nummers geven de nieuwste modellen Eindelijk treft men nog aan : kanonnen oefening snellaad en oefeningskanonnen. Kanonnen oefening snellaad dienen om de bedieningsmanschappen te oefenen in het vlug laden, openen en sluiten van het sluitstuk; zij zijn uitsluitend bestemd voor het houden van exercitien. Oefeningskanonnen zijn bestemd voor het houden van schietoefeningen en worden daartoe geplaatst in kanonnen van groot kaliber.
Opstelling van het geschut.
Om den vijand te treffen, moeten de kanonnen in de gewenschte richting kunnen worden gesteld. Het doen bewegen van het kanon in het horizontale vlak wordt ,baksen" genoemd, in het verticale vlak elevatie geven". Het elevatie geven wordt onderscheiden in zoogenaamd ,vluchten" en ,dompen", al naarmate men het kanon met de monding naar hoven dan wel met de monding naar beneden beweegt.
Aangezien bij het afvuren van het kanon de spankracht der buskruitgassen zich zoowel aan het projectiel mededeelt, als zich ten opzichte van het kanon doet gevoelen, behoort het kanon naar achteren te kunnen inspringen (reculeeren), om onmiddellijk daarna wederom zijn vorigen stand te hernemen (te boord loopen).
In verband met bovenstaande vereischten onderscheidt men bij de opstelling van het geschut vier onderdeelen, n.l. kanon, affuit, slede en pivot. De meest voorkomende opstelling is de z.g. wiegaffuit-opstelling, waarbij het kanon als het ware in een wieg rust (de affuit), doch niettemin ten opzichte daarvan kan reculeeren. De elevatie wordt hierbij tegelijkertijd zoowel aan kanon als aan affuit medegedeeld. Het geheel rust op een draagvlak, slede geheeten, hetwelk draaibaar is opgesteld om een aan het schip vastgebouwde pivot.
Bij enkele oudere kanonnen komt nog de z.g. schuifaffuit-opstelling voor, waarbij, zooals de benaming aangeeft, de affuit tijdens het recuul schuift over de slede en het kanon niet in de asrichting van de ziel reculeert, zooals dit wel het geval is bij de wiegaffuit-opstelling. Bij de kleinere kanonnen, n.l. die van 3.7 cm en de mitrailleurs behoeft geen rekening te worden gehouden met reculeeren, in verband met de daarbij behoorende kleinere lading. Zij worden dientengevolge geplaatst in z.g. ,,potten" en ,mikken".
Het zwaarst bij de marine voorkomende geschut is dat van 28 cm, het kleinste is het kanon van 3.7 cm.
Richtmiddelen.
Ten einde het doel te kunnen treffen, behoort het kanon door middel van baksen en eleveeren in den daartoe vereischten stand te worden gebracht, waarbij gebruik wordt gemaakt van daartoe tevoren ingestelde richtmiddelen. De bedieningsmanschappen, Belast met het richten van het kanon, vormen de z.g. richtgroep. Tegenwoordig wordt bijna uitsluitend gebruik, gemaakt van kijker-richtmiddelen, welke zoodanig zijn ingericht, dat zij ook bij nacht kunnen worden gebruikt. Het kanon heet gericht 'te zijn, wanneer het doel wordt gezien in het snijpunt van 2 binnen den kijker aan gebrachte draden.
Projectielen.
De projectielen, voorkomende bij het marinegeschut, worden in het algemeen onderscheiden in granaten en granaatkartetsen. Ze zijn in hoofdzaak bestemd om door mijn- en scherfwerking schade aan te richten. Daartoe zijn zij inwendig voorzien van een springladingholte. De daarin aangebrachte lading kan op een gewenscht oogenblik tot ontploffing worden gebracht door middel van een op het projectiel geschroefde ontstekingsinrichting, buis geheeten.
Onderscheiden worden de volgende soorten :
A: Pantsergranaten, bestemd om te springen na eerst het vijandelijk pantser te hebben doorboord. Ze moeten dus zeer sterk zijn en hebben een betrekkelijk kleine springladingholte.
B: Half pantsergranaten, bestemd om lichtere pantsers te doorboren en daarna te springen. Ze zijn dus voorzien van eene grootere springladingholte, aangezien zij minder sterk behoeven te zijn.
C: Springgranaten, bestemd om bij eerste aanraking met het vijandelijk doel te springen. Zij behoeven dus slechts zoo sterk te zijn, dat zij geen kans hebben binnen den vuurmond te springen en hebben bijgevolg eene groote springladingholte terwijl zoowel mijn- als scherfwerking groot zijn.
D: Granaatkartetsen, zijn projectielen, welke ten deele gevuld zijn met een springlading, ten deele met kleine ronde kogels. Door middel van een z.g. tijdschokbuis kan de lading op elk gewild punt van de baan van het projectiel worden ontstoken. Bij de uitwerking van de ontploffing staat scherfwerking op den voorgrond.
E: Granaten voor schietoefeningen, uitsluitend bestemd ten gebruike bij het houden van schietoefeningen.
verder met blz 11 - 12

Handboek 04

logo
blz 11 - 12
vervolg van blz 10
F: Munitieaanvoergranaten, welke worden gebezigd bij de oefeningen in den munitieaanvoer.
G: Lichtgranaten, welke dienen om een gewenscht doel te verlichten door het afgeven van een helschijnend Licht. Wanneer het projectiel zich in den vuurmond bevindt, behoort de lengteas van het projectiel zooveel mogelijk samen te vallen met de zielas van den vuurmond. Daartoe is bij sommige oudere projectielen om het voorste gedeelte van het projectiel eene ring­vormige koperen band aangebracht, centreerband geheeten.
Bij de nieuwere projectielen is het projectiel achter den kop af­gedraaid op een middellijn gelijk aan die over de velden, dan wel is de kop voorzien van een aangegoten verdikking. Aan de achterzijde zijn om het projectiel meestal één of meer koperen draaiingsbanden aangebracht.
Bij het vooruitbewegen van het projectiel snijden de velden van het kanon in de koperen draaiingsbanden, waardoor het projectiel gedwongen wordt bet beloop der trekkers te volgen en aldus con draaierkde beweging krijgt, die het in zijn baan steeds met de punt naar voren houdt.
De draaiingsbanden doen tevens, dienst om de gasafsluiting te bevorderen en behooren bijgevolg met de meeste zorg tegen beschadiging te worden gevrijwaard. Soort en bestemming van de projectielen kunnen in het algemeen worden onderkend aan hunne beschildering.
Uit een oogpunt van bezuiniging worden tot het houden van schietoefeningen met het zwaardere geschut, granaten van 3.7 en 5 cm verschoten uit een binnen den ziel van den vuurmond opgesteld kanon van 3.7 en 5 cm oefengranaten. Tot het afgeven van saluutschoten wordt in het kanon een z.g. saluutloop geplaatst, waaruit lose patronen van 5 cm kunnen worden verschoten. De mitrailleurs van kleiner kaliber dan 40 mm verschieten geen granaten, doch massieve kogels.
Buskruit en Vuurwerken.
Bij het geschut wordt voor oorlogs en exercitie-doeleinden uitsluitend gebruik gemaakt van rookvrij buskruit. De onderlinge verschillen der soorten van rookvrij buskruit, berusten voornamelijk op vorm en afmeting der korrels en pijpen. Het kruit komt bijvoorbeeld voor in den vorm van pijpen en heet dan macaronikruit. Ook komt rookvrij buskruit voor in den vorm van linten of van een kubus.
Nog komt voor verschillende doeleinden, bij de marine voor, zooals bijv. voor sommige springladingen, buskruit dat niet rookvrij is, het z.g. zwart buskruit. Het rookvrije kruit wordt gebruikt in hulzen en in patronen. Afzonderlijke hulzen komen voor bij het zwaarder,- geschut, wanneer n.l. de behandeling van patronen te moeilijk zou worden voor de bedieningsmanschappen.
Een patroon bestaat uit een met buskruitlading gevulde huls, waar een projectiel op geperst zit. Projectiel en lading zijn dus daarbij tot een geheel vereenigd. De lading der patronen en hulzen wordt ontstoken door een slagdop; bij de patronen van 3.7 cm en die der mitrailleurs geschiedt dit door middel van slaghoedjes. De springlading der projectielen bestaat tegenwoordig als regel uit trotyl.
Patronen, projectielen en hulzen worden opgeborgen in de munitiebergplaats, hetzij eenvoudig geplaatst in rekken, hetzij verpakt in daarvoor bestemde doozen of buskruitkisten. Deze doozen zijn voorzien van kleuren op de deksels, al naar gelang van den inhoud. Behalve de reeds genoemde buizen, slagdoppen en slaghoedjes, behooren o.a. tot de z.g. vuurwerken: vuurpijlen, reddinglichten en trotylpatronen.
Vuurpijlen zijn gevuld met lichtsas, hetgeen bij branders een fielder licht verspreidt. Zij zijn bestemd tot het afgeven van semen. Reddinglichten zijn gevuld met een stof, welke bij aanraking het water ontbrandt en bovendien witte rook afgeeft, ten einde aanwijzingen te geven betreffende de plaats waar het licht te water is geworpen. Wanneer b.v. een schepeling te water is geraakt, wordt de reddingboei, waaraan het reddinglicht door middel van een korte lijn is verbonden, onmiddellijk overboord geworpen. Trotylpatronen zijn kleine gele blokjes en worden gebruikt bij het opruimen van mijnen, versperringen, enz.
Indeeling en plaatsing der schepelingen bij de kanonnen.
Van de schepelingen, benoodigd voor het bedienen van het kanon, behoort altijd een gedeelte bij elkaar, n.l. de z.g. richtgroep, meestal bestaande uit den richter, den bakser en den opzetsteller. De richter geeft de benoodigde helling aan het kanon (elevatie) en is belast met het afvuren. De bakser bakst het kanon; de opzetsteller stelt de richtmiddelen van het kanon. De oudste in rang of klasse van de stuksbemanning is stuks­commandant. Behoort hij niet tot de richtgroep, dan is hij wigman.
De wigman is belast met het openers en sluiten van het sluitstuk. Behoort de oudste in rang of klasse tot de richtgroep, dan is de wigman gedurende het vuren stuks-commandant. De stuks-commandant is verantwoordelijk voor de goede bediening van het stuk. Verder heeft men onder de bedieningsmanschappen een of meer laders, belast met het inbrengen der munitie, een hulzenvanger, belast met het opvangen der hulzen en eenige munitiehalers, belast met het aanvoeren van munitie. Aan de zeemiliciens, onverschillig tot welk dienstvak zij behooren, kan het werk van lader, hulzenvanger en munitiehaler worden opgedragen.
Algemeene wenken voor bedieningsmanschappen.
Als gij aan boord geplaatst zijt, en ingedeeld wordt in de batterij, stel u op de hoogte van de plaats, waar de kisten tot richtmiddelen en de gereedschapskisten zijn opgeborgen.
vervolg op blz 13 in de rechterkolom
blz 13 - 14 - 15
vervolg van blz 13
Overtuig u dat de nummers, voorkomende op deze kisten,het nummer dat achter op elk kanon staat, overeenkomen met het z.g. marinenummer van het kanon. Zijt gij lader van het stuk, vergeet niet als gij het kanon geladen hebt, uw linkerhand omhoog te steken, ten teeken dat het kanon is geladen. Denk er aan met gesloten vuist te laden. Zijt gij ingedeeld als munitiehaler, informeer waar gij de patronen moet halen en welke munitielift bij uw stuk behoort. Zijt gij hulzenvanger, voorziet u direct bij exercitien van de tot opvangen der warme hulzen bestemde handschoenen; deze zijn opgeborgen in de gereedschapskisten. Praat niet, dit belemmert de vlugge werking. Zijt indachtig bij de behandeling van patronen, om den slagdop zooveel mogelijk te beschermen ter voorkoming van ongelukken. Munitiehalers, die munitie hebben afgegeven, gaan onmiddellijk andere munitie halen.
Signalen voor batterij-exercitie en het gevecht.
Deze signalen worden gegeven met hoorn, claxon of electrische schellen. De signalen, welke tevens in den scheepsdienst gebruikt worden, zijn gemerkt *. Geldt een signaal alleen voor een bepaalde batterij- of wachtdivisie, dan wordt dit aangegeven door een, met het nummer dier divisie overeenkomend, aantal stooten voor en achter dit signaal te doen geven.
Alarm : Hoorn. Iedereen begeeft zich ten spoedigste naar zijn post volgens de alarmrol. Batterij gereedmaken voor gevecht. Luchtalarm. Hoorn. Attentiesein : Verwacht luchtaanval.
Gasalarm : Hoorn. Attentiesein: Gasgevaar; gasmaskers opzetten.
Salvoschel :
een korte bel : Kanon gereedmaken voor onmiddellijk vuur.
drie korte bellen : Snelvuur.
een lange bel : Salvovuur.
vele bellen : Vastvuren.
Zoeklichtclaxon :
een korte stoot: Zoeklicht ontsteken en gereed voor onmiddellijk gebruik.
een lange stoot: Zoeklicht open.
vele korte stooten: Zoeklicht dicht.
Taptoe (*) : Hoorn. De vijand zal aan S.B. passeeren. (eerste 5 maten).
Reveille (*) : Hoorn. De vijand zal aan B.B. passeeren. (eerste 4 maten).
Parademarsch : Hoorn. De vijand zal aan beide zijden passeeren.
Vuren : Hoorn. Vuur openers. Bij salueeren geeft dit sein het begin van het saluut aan.
Ophouden met vuren : Hoorn. Alle kanonnen het vuur staken. Stil ( *). Hoorn. Iedereen oogenblikkelijk stil en onbewegelijk blijven.
Officiersappel: Hoorn. De divisiecommandanten bij den bat­terijcommandant komen.
Cavalerie (*) : Hoorn. Iedereen ingedeeld bij S.B./B.B.'s door taptoe oorlogswacht begeeft zich ten spoedigste naar (eerste 5 maten) zijn post volgens de oorlogswachtrol. of reveille (eerste 4 maten).
Oranje : Hoorn. Het personeel, volgens de alarmrol in de batterij geplaatst, op post komen tot het houden van batterijexercitie.
Doorgaan (*) : Hoorn. Begin der exercitie; stukken los. Wordt dit sein gedaan na ,Stil", dan gaat iedereen door met zijn werk.
Aftrap : (*): Hoorn. Einde der exercitie. Wordt dit sein geblazen wanneer de stukken nog niet vast zijn, dan worden ze hierop vastgemaakt. Do divisiecommandanten laten na gereedheid hunner divisie de manschappen inrukken dan wel helpers bij andere division.
Karretje langs den zandweg : Hoorn. Het personeel, volgens de alarmrol ingedeeld bij den munitie-aanvoer, op post komen tot, het houden van munitie-aanvoeroefeninqen.
Zie ginds komt de stoomboot uit Spanje weer aan : Hoorn. Het personeel, volgens de alarmrol ingedeeld bij de meetafdeeling (afstandmeters, doorzeilin g meters, koersmeters, meetresultaatvinder), op post komen tot het houden van oefeningen.
Aanroepen voor cavalerie : Hoorn. Het personeel, volgens de alarmrol ingedeeld bij de vuurleidingsinstrumenten, benevens de richtgroepen der kanonnen en de telefonisten, op post komen voor het houden van oefeningen.
Ga je mee naar boven : gevolgd door : taptoe/reveille Hoorn. Het personeel, volgens de S.B./B.B. oorlogswachtrol ingedeeld bij de zoeklichten en het daarbij betrokken gedeelte der vuurleidinginstallatie, op post komen voor het houden van oefeningen.
Op schepen waar geen oorlogswachtrol bestaat, wordt het signaal zonder toevoeging van taptoe of reveille geblazen en geld dan voor het bij de zoeklichten en het daarbij behoorende gedeelte der vuurleidinginstallatie ingedeelde personeel.
TORPEDO'S.
Bij de Koninklijke Marine zijn in gebruik torpedo's met een middellijn van 45 en van 53 cm. De torpedo heeft den vorm van een sigaar, draagt voor de ladingkamer en is achter voorzien van 2 voortstuwers (schroeven). Na uit een buis of een kanon te zijn geschoten (gelanceerd) zal zij zich zelf onder water voortbewegen in een van tevoren bepaalde richting en op een van tevoren ingestelde diepte. Voor de voortbeweging dient een machine (de drijfmachine), welke met samengeperste lucht werkt. De lucht is afkomstig uit de luchtkamer; naar gelang van het type, waartoe de torpedo behoort, is de spanning van de lucht in die kamer 90 tot 200 kg/cm2. Bij de meeste torpedo's wordt de lucht verwarmd; hiervoor wordt petroleum gebruikt en zoet water ingespoten, waardoor stoom wordt gevormd. De voortstuwers zijn 2 vier- of tweebladige schroeven, welke in tegengestelde richting draaien.
vervolg op bladzijde 16

Handboek 05

logo
blz 16 - 17
vervolg van blz 15
Om de torpedo op een bepaalde diepte te laten voortbewegen, dient de diepteregelaar, welke door middel van de horizontale roeren de baan regelt. Om te zorgen, dat de torpedo zich in een be­paalde richting (koers) voortbeweegt, is zij voorzien van een koersregelaar; de werking ervan berust op het beginsel van den draaienden tol (gyroscoop).
De werking van den koersregelaar wordt overgebracht op de verticale roeren. Verticale en horizontale roeren zitten achter, en wel tegen de verticale en horizontale staartvinnen. De ladingkamer vormt het voorste gedeelte van de torpedo; deze bevat de springlading, welke bij treffen van het doel wordt ontstoken door de pistool. Naar gelang van het type torpedo bevat doze ladingkamer 60 tot 350 kg schietkatoen of trotyl.
Van voren naar achteren gaande treffen we bij de torpedo de volgende deelen aan :
1 : de ladingkamer, welke de springlading bevat,
2 : de luchtkamer, welke de samengeperste lucht bevat,
3 : de geheime kamer, welke in hoofdzaak den diepteregelaar bevat,
4 : de machinekamer, welke in hoofdzaak de drijfmachine bevat,
5 : de ballastkamer, welke in hoofdzaak den koersregelaar bevat,
6 : de staart, met voortstuwers, verticale en horizontals roeren.
De torpedo's worden geschoten vanaf onderzeebooten, torpedobootjagers en torpedobooten. Vanaf de onderzeebooten geschiedt dit uit buizen door middel van samengeperste lucht.
De torpedobooten en torpedobootjagers lanceeren de torpedo's uit kanonnen, door middel van lucht of buskruitpatronen. De buizen zijn in het algemeen vast in de onderzeebooten gebouwd, terwijl de kanonnen draaibaar op pivots zijn opgesteld.
Voor oefeningsdoeleinden worden torpedo's gebruikt, welke voor eene zoodanige diepte worden ingesteld, dat zij onder het doel doorgaan. De ladingkamers met springladingen (gevechtsladingkamers) worden daarbij vervangen door zoogenaamde schokladingkamers, welke met kurk zijn gevuld. Voor controleschoten of inschieten worden ladingkamers gebruikt, welke voorzien zijn van een indicateur.
Een torpedo, welke voor oefening of controle wordt gelanceerd, heeft aan het einde van haar baan drijfvermogen, zoodat zij aan de oppervlakte komt drijven en opgepikt en aan boord kan worden genomen. Gevechtsklare torpedo's behooren bij niet treffen van het doe! aan het einde van haar baan te zinken.
De torpedo's worden in hoofdzaak behandeld door torpedomakers. Als regel zijn ze in een magazijn opgeborgen op stellingen gereed voor het gebruik. Het voornaamste onderhoud en de herstellingen worden uitgevoerd in de torpedo-ateliers (werkplaatsen).
MIJNEN
Bij de Koninklijke Marine zijn verschillende soorten mijnen in gebruik. In hoofdzaak onderscheidt men mechanische mijnen en electrische mijnen.
Alle mijnen bestaan :
1 : uit een bol, waarin de springlading en het ontstekings mechanisme is opgesteld;
2 : uit een anker, waarin opgesteld een kabeltrommel met kabel en een inrichting om de mijn op een vooraf in te stollen diepte te verankeren. De kabel is met haar eene uiteinde opgesloten aan den bol.
vervolg op blz 18 - 19 in de rechterkolom
blz 18 - 19
De mijnen worden gelanceerd vanaf speciaal daarvoor ingerichte mijnenleggers en vanaf onderzeebooten. Een mijn wordt vanaf een mijnenlegger te water geworpen, waarbij de bol op het anker ligt. De bol blijft drijven. Het anker zinkt en de kabel loopt van den kabeltrommel.
Een lood hangt onder het anker aan een loodlijn, welke een lengte heeft gelijk aan de gewenschte diepte, waarop de mijn onder de oppervlakte van water moet liggen. De loodlijn moet dus vooraf op lengte worden gemaakt, waarvoor stukken van 1/2, 1 en 2 m, voorzien van schalmen, aan boord aanwezig zijn.
Het lood komt dus het eerst op den bodem. Doordat de loodlijn dan slap komt te staan, valt een pal in, waardoor de kabeltrommel niet verder afloopt en de bol mede onder water wordt getrokken en op de gewenschte diepte komt te liggen.
De onderzeebooten hebben speciale mijnen. Deze vallen met bol en al op den bodem. De bol drijft na eenigen tijd op. Passeert de mijn de ingestelde diepte, dan wordt de kabel vastgeknepen.
De mechanische mijnen hebben een slinger, welke door den schok bij de aanvaring uit haar middenstand wordt gebracht, waardoor een schokstang in de springlading vliegt en deze ontsteekt.
De electrische mijnen hebben aan den buitenkant stoothoorns waarin een glazen buisje met chroomzuur. Wordt de mijn aangevaren, dan verbuigen een of meer stoothoorns, de glazen buisjes breken, waardoor de vloeistof in een element komt. Hierdoor loopt een stroom door een gloeiingpatroon, waardoor de springlading ontstoken wordt.
Alle mijnen hebben een veiligheidsinrichting zoo, dat zij onge­vaarlijk zijn, wanneer zij binnenboord staan en wanneer zij, na gelanceerd te zijn, van den ankerkabel los slaan.
Somtijds worden de mijnen, wanneer zij in een rij gelanceerd worden, op, afstand gehouden door den seriekabel. Dit is een kabel waarin om de 10 m een looden knoop is gesplitst. Wordt een versperring gelegd, dan wordt eerst een voorloop van den seriekabel verankerd. Daarna wordt de seriekabel in de seriekabelklem, welke vastzit aan het anker, gelegd en de klem ge­sloten. De knoop kan dan door het oog van de klem passeeren.
Ligt de mijn eenigen tijd te water, dan springt een pal van de klem in, waardoor het oog tot de helft verkleind wordt. De knoop kan dan niet meer passeeren en de mijn ligt tusschen 2 knoopen vast. De seriekabel is ook van nut bij het lichten der mijnen.
DIEPTEBOMMEN EN DIEPTE BOMMENWERPERS.
De dieptebom is een cylindrisch lichaam, gedeeltelijk gevuld met trotyl en voorzien van een afvuur-inrichting, welke, nadat de bom te water geworpen is, deze op een van tevoren bepaalde diepte tot ontploffing brengt. Het gewicht compleet bedraagt ongeveer 195 kg, dat van de lading ongeveer 135 kg. Deze bom is in het bijzonder bedoeld als wapen tegen onderzee­booten. Zij wordt te water geworpen door middel van den diepte­bommenwerper of langs een goof. De dieptebommenwerper is een snort mortier, welke vast aan dek is opgesteld.
vervolg op pag 19 -20

Handboek 06

logo
blz18 -19
VOORTSTUWINGSWERKTUIGEN EN KETELS.
Daar bij de Koninklijke Marine verschillende typen van oorlogs­schepen voorkomen, spreekt het wel van zelf, dat ook de inrichting van de machinekamer aan boord verschilt naar gelang van het type van het schip.
Wat betreft de voortstuwingswerktuigen, bij onze pantserschepen, mijnenleggers en bij het meerendeel onzer torpedobooten worden zuigermachines toegepast. Enkele van onze nieuwste torpedobooten benevens onze kruisers en jagers zijn voorzien van turbines, terwijl op onze pantserbooten en onderzeebooten verbrandingsmotoren als voortstuwingswerktuigen worden aangetroffen met dien verstande, dat de voortstuwing aan boord van onze onderzeebooten langs electrischen weg geschiedt, wanneer de booten in ondergedompelden toestand zijn.
Wat de ketels betreft, heeft bij de marine de waterpijpketel de cylindrische ketel bijna geheel verdrongen, waardoor vooral in tijd van actie het groote voordeel is verkregen, dat de ketels zeer vlug kunnen worden opgestookt.
Onder de brandstoffen begint de olie een steeds belangrijker plaats in te nemen. Zoo worden o.a. de ketels der nieuwe kruisers uit­sluitend met gebruikmaking van olie.
De communicatie tusschen de verschillende waterdichte compar­timenten, waarin het machinekamercomplex verdeeld is, geschied: door waterdichte deuren, welke, evenals dit het geval is met de meeste kleppen en schuiven van de zg. lensleiding, alle in geval van nood boven het pantserdek te bewegen zijn.
Op de nieuwere schepen zijn in de schotten geen waterdichte deuren aangebracht en is elk compartiment slechts van bovenaf te bereiken.
Volgens de gegevens van de proeftochten werden bij de verschillende typen onzer oorlogsschepen de volgende snelheden bereikt :
Nieuwe kruisers („Java" en ,Sumatra") ± 30 mijl
Pantserschepen („de Zeven Provincien, Jacob van Heemskerck"), ruim 16 mijl.
Pantserbooten (,,Brinio”, ,Friso", ,Gruno") ± 14 mijl.
Mijnenleggers (type „Van Meerlant", ,Douwe Aukes-) ± 13 mijl.
Torpedobootjagers (type ,Kortenaer") ± 33 mijl.
Torpedobooten (G-booten) ± 26 mijl.
(Z-booten) ± 27 mijl.
(O-booten) ± 12 tot 15 mijl boven water.
± 8 mijl onder water.
­Onderzeebooten ± 8 mijl onder water.
(K-booten) ± 13 tot 18 mijl boven water.
± 8 mijl onder water.
MARINE-LUCHTVAARTDIENST.
Thans bezit de Koninklijke Marine in Nederland 3 vliegkampen voor watervliegtuigen en 1 voor landvliegtuigen en wel :
Voor watervliegtuigen : De Mok (Texel), Schellingwoude (Amsterdam) en Veere;
Voor landvliegtuigen : De Kooy (Den Helder).
In Ned.-Indie zijn vliegkampen aanwezig te Soerabaja en Tanjong Prink (watervliegtuigen).
De kruisers ,Java" en ,Sumatra", benevens de torpedobootjagers, de mijnenleggers type ,Serdang" en de flottieljevaartuigen „Flores en ,Soemba" zijn ingericht voor medevoeren van vliegtuigen.
vervolg op bladzijde 20
blz 20 - 21
Watervliegtuigen zijn speciaal geschikt om te vliegen boven water. Zij zijn voorzien van drijvers of van een bootlichaam, waardoor zij op het water kunnen neerkomen en rondvaren. Zij dienen vooral voor verkenning, doch kunnen ook bommen werpen. Landvliegtuigen worden onderscheiden in jachtvliegtuigen, verkenners, bommenwerpers en lesvliegtuigen.
Jachtvliegtuigen dienen voor het bestrijden van vijandelijke vliegtuigen; het zijn landvliegtuigen met wielen, zoodat zij niet op zee kunnen neerkomen. Zoonoodig kunnen zij ook wel boven zee vliegen. Alle vliegtuigen, behalve lesvliegtuigen, zijn bewapend met mitrailleurs. Aan de vliegkampen zijn kazernes en werkplaatsen verbonden. waar de opleiding van personeel en alle hersteilingen van het materiaal geschieden.
De vliegtuigen kunnen onderling en met de schepen en den wal draadloos telegrafeeren en telefoneeren. De vliegtuigen vliegen of in verband — z.g. groepen of escadrilles — dan wel afzonderlijk. De snelheid bedraagt 120 tot 180 km per uur voor de watervliegtuigen en 150 a 250 km per uur voor de jachtvliegtuigen. Alle landvliegtuigen kunnen tot meer dan 4000 m stijgen, watervliegtuigen kunnen minder hoop stijgen.
WATERDICHTE INDEELING AAN BOORD ONZER OORLOGSSCHEPEN.
Door middel van dwars- en langsschotten worden onze oorlogsschepen in verschillende waterdichte compartimenten onderverdeeld. Aangezien oorlogsschepen meer kans loopen op averij dan koopvaardijschepen, is het aantal waterdichte compartimenten bij eerstgenoemde rubriek veel grooter. Over een deel van het schip strekt zich de z.g. dubbelebodem­ruimte uit, welke evenals de ruimte tusschen pantserdek en tusschendek in talrijke kleinere vakken, z.g. cellen, onderverdeeld is, waarvan meerdere waterdicht bewerkt zijn.
Alle openingen, welke voor communicatie in waterdichte dekken en schotten zijn gemaakt, moeten natuurlijk waterdicht afgesloten kunnen worden, zoo b.v. de mangaten, die toegang geven tot de cellen, de luiken in de dekken en de deuren en sluizen in de schotten. De deuren onder het pantserdek worden onderscheiden in verticaal schuivende deuren en in horizontaal schuivende deuren en zijn voorzien van eene inrichting, waarmede ze vanaf het eerste dek boven water kunnen worden geopend en gesloten.
Bij het sluiten glijden de deuren in daarvoor bestemde sponningen. Openingen boven het pantserdek benevens waterdichte bergplaatsen in het algemeen worden daarentegen afgesloten door scharnierende waterdichte deuren, ter plaatse te behandelen. Waar ventilatiekokers of buizen door de waterdichte schotten heenloopen, worden zelfwerkende schuiven of kleppen aangetroffen. Het spreekt trouwens vanzelf, dat alle leidingen waterdicht door de schotten behooren te worden gevoerd.
verder naar pagina 21 - 22

Handboek 07

logo
BEPALINGEN TOT HET VOORKOMEN EN BLUSSCHEN VAN BRAND
Aan boord der oorlogsschepen wordt streng de hand gehouden aan de voorschriften betreffende het voorkomen van brand. Zoo bepaalt de commandant, op welke plaatsen in het schip en gedurende welke tijden aldaar wag worden gerookt. Hij wijst de plaatsen aan waar stoffen, aan zelfontbranding onderhevig, zullen worden geborgen en bepaalt hoe die berging moet geschieden. Hij stelt het uur vast, waarop in de verschillende verblijven de lichten geheel of gedeeltelijk moeten worden gedoofd.
Ter bestrijding van eventueelen brand wordt op elk schip een brandweer samengesteld uit schepelingen, behoorende tot de verschillende wachtdivisien. Elke schepeling bij de brandweer geplaatst, moet bekend zijn met :
de indeeling van het schip, in het bijzonder met de verschillende bergplaatsen, hare bestemming en de wijze van stuwing ;
de inrichting en het gebruik van de brandbluschmiddelen, zoomede de plaats waar deze zijn geborgen of opgehangen ;
de plaatsing en behandeling der afsluiters tot het inlaten en uitlaten van water in de munitiebergplaatsen, bergplaatsen voor schietkatoen, stookplaatsen, enz ; het aftappen van samengeperste lucht uit de accumulatoren en uit de luchtkamers der torpedo's ;
het gebruik van de toestellen tot het werken in zwaren rook. Bij zeewacht treedt op het door den commandant te bepalen tijdstip op het daarvoor bepaalde signaal de brandweer der wachtdivisie aan en wordt het tot de brandweer behoorende personeel zoo noodig aangevuld.
Bij zeewacht zal op bovenbedoeld tijdstip en signaal de brandweer voor de divisien, welke niet de wacht hebben, aantreden een ieder die waarneemt of vermoedt, dat er aan boord brand is ontstaan, behoort, indien hij den brand niet dadelijk zelf kan blusschen. daarvan onmiddellijk den officier of onderofficier van de wacht te waarschuwen of te doen waarschuwen. Het signaal van brand is "klok luiden", in het tempo van "kok schaft op" en het hoornsignaal "brand". Het signaal wordt op bevel van den commandant geslagen en geblazen.
ALGEMEENE MAATREGELEN EN VEILIGHEIDS -
VOORSCHRIFTEN MET HET OOG OP GEVALLEN VAN AVERIJ (LEKKEN).
Als grondbeginsel geldt dat onder het pantserdek of onder de lastlijn alles steeds gesloten moet zijn, tenzij werkzaamheden of toezicht houden hiervoor een beletsel zijn.
vervolg op blz 22 - 23 in de rechterkolom
blz 22 - 23
In geval van navigatie in drukke vaarwaters of in geval van mist of slecht zicht, in het algemeen wanneer gevaar voor aanvaring of aan den grond raken bestaat, bovendien bij gereedmaken tot gevecht en bij alarm behoort aan eene zijde steeds alles, dus ook boven het pantserdek, gesloten te zijn.
Indien onmiddellijk gevaar voor averij dreigt, wordt op het signaal "aanhoudend glazen slaan", ook aan de andere zijde alles gesloten en wordt de z.g. sluitrol uitgevoerd.
In de sluitrol zijn voor elke wachtdivisie enkele personen aangewezen, belast met het sluiten van alle waterdichte deuren en sluitingen, voorts eenige personen, die alles gereedmaken om de lensmiddelen te werk te kunnen stellen.
In tijd van gevecht zijn met het sluiten der waterdichte deuren en sluitingen belast de schepelingen, die in de alarmrol daarvoor zijn aangewezen.
Op elk schip moet ten minste op een plaats, doch zoo mogelijk op twee plaatsen, namelijk voor en achter, op gemakkelijk te bereiken plaats, een teekening van het uitgeslagen schip worden opgehangen, gevende eene duidelijke schematische voorstelling van de waterdichte indeeling van het schip, de lensmiddelen en de brandbluschmiddelen.
Bij deze teekening(en) moet worden opgehangen een lijst, bevattende de voornaamste gegevens, benoodigd ter beoordeeling van de gevolgen van een groot lek en aangevende de plaats, waar de voornaamste hulpmiddelen als reddingmatten, houten stoppen, stutten, enz, zijn te vinden.
Voor en achter in elk der hoofdcompartimenten, moet worden opgehangen een lijst, bevattende opgave der belangrijkste verrichttingen, welke in dit compartiment moeten geschieden bij het vol loopen van het naastbijgelegen compartiment.
Wordt het signaal "aanhoudend glazen slaan" voor de 2e maal gegeven dan worden de sloepen gereed gemaakt, om het schip te verlaten. Zoodra de sloepen gereed zijn, worden de zwemvesten aangedaan.
Op het signaal "gongslaan" doen de sloepscommandanten hunne sloepen zoo spoedig mogelijk te water laten en afsteken.
Voor het geval het schip onmiddellijk verlaten moet worden zonder dat er tijd is voor het sluiten en voor het gereed maken der sloepen, wordt het signaal "gong slaan" gegeven zonder voorafgaand signaal "aanhoudend glazen slaan".
Op eerstgenoemd signaal komt een ieder zonder uitzondering onmiddellijk langs den kortsten weg aan dek en worden de zwemvesten aangedaan. De sloepscommandanten doen hun sloepen zoo spoedig mogelijk te water laten en afsteken.
vervolg op blz 24