Wetenswaard2

gelderland logo
<
Algemene Baksorder
Artikel 1. Handhaving tucht.
De Koningin begeert, dat orde en tucht door aanmoediging en beloning, terechtwijzing en bestraffing rechtvaardig en gestreng worden gehandhaafd; dat iedere militair der zeemacht aan boorden in de inrichting der zeemacht zijn plichten nauwgezet zal vervullen en zal tonen, dat hem de verdediging en handhaving van de eer en de onafhankelijkheid des vaderlands met vertrouwen kan worden opgedragen.
Artikel 2. Reglement betreffende de krijgstucht.
Aan de militair der zeemacht wordt uitgereikt een exemplaar van het Reglement betreffende de krijgstucht, dat gerekend wordt tot zijn uitrusting te behoren. Teneinde met de inhoud van dat reglement vertrouwd te geraken zullen alle militairen der zeemacht dat reglement herhaalde malen aandachtig lezen en overdenken.
Artikel 3.Trouw aan de beloften, bij aanneming afgelegd.
Trouw aan de beloften, door hem schriftelijk afgelegd bij zijn aanneming in de rijkszeedienst, is de eerste plicht van de schepeling.
Artikel 4. Algemene verplichtingen.
1. De in het vorige artikel bedoelde beloften verplichten hem, zich zowel in de dienst als daarbuiten als een goed en getrouw militair der zeemacht te gedragen, mede te werken tot handhaving van de orde, ook in de maatschappij, met al zijn krachten bij te dragen tot de veiligheid en het behoud van het schip, waarop of de inrichting der zeemacht, waarin hij dient, en zijn leven te geven in de strijd, wanneer dit van hem wordt gevorderd.
2, In aansluiting aan hetgeen is bepaald bij artikel 27 van het Reglement betreffende de krijgstucht, worde voorts niet uit het oog verloren, dat de militaire verhouding tussen hoger en lager geplaatsten onder alle omstandigheden ? dus ook buiten de eigenlijke dienst ? behoort te worden gehandhaafd en dat op iedere meerdere en in de eerste plaats op de officier de plicht rust, waar hij zich ook bevindt, zijn gezag te doen gelden, zodra dit mocht worden vereist.
Artikel 5. Waardig uitoefenen van gezag, enz.
1. In overeenstemming met de in artikel 3 bedoelde beloften is alles wat dient tot het slagvaardig en in goede staat houden van het schip, het waardig uitoefenen van gezag, het bevorderen van een opgewekte geest aan boord en in de inrichting der zeemacht, het aanmoedigen en aansporen tot plichtsbetrachting en inspanning, het behartigen van belangen van ondergeschikten, het eerbiedigen van gewoonterechten van meerderen en het leven in goede kameraadschap, zowel in dienst als daarbuiten.
2. Mede is daarmede in overeenstemming het op waardige wijze vertegenwoordigen van het Rijk in het buitenland door een voorbeeldig gedrag aan de wal en door het in acht nemen van de gebruikelijke hoffelijkheid bij aanrakingen, zowel met autoriteiten als met particulieren. Het waarnemen van representatieve verplichtingen moet worden gerekend te behoren tot de dienstverrichtingen.
3. In strijd met de in het 1e lid bedoelde beloften en ontoelaatbaar voor de militair der zeemacht, als handhaver van het gezag en de orde , is het zich schuldig make aan ongeregeld gedrag aan de wal, onmatigheid, onzedelijkheid en verkwisting; de militair der zeemacht, die zich in dat opzicht herhaalde malen misdraagt, is onwaardig om bij de zeemacht te blijven dienen.
Artikel 6. Belangen van de dienst gaan voor alles.
In de samenleving aan boord en in de inrichting der zeemacht wordt van een ieder verwacht, dat hij zijn persoonlijke belangen ondergeschikt weet te maken aan die van de dienst.
Artikel 7. Verrichten van bijzondere werkzaamheden.
De militair der zeemacht is verplicht, zo nodig, andere dan de uit zijn gewone werkkring voortvloeiende werkzaamheden te verrichten, wanneer het belang van de dienst of het algemeen belang zulks vordert.
Artikel 8. Orders van burger-chefs.
Ingeval een militair der zeemacht door het bevoegd gezag wordt gesteld onder de leiding, het toezicht of de orders van een niet ? militair, is hij verplicht diens daarmede verband houdende bevelen en aanwijzingen op te volgen.
Artikel 9. Behandeling van een beklag over vermeende krenkende of onbillijke behandeling of over een ontvangen bevel.
1. Beklag over vermeende krenkende of onbillijke behandeling of over een ontvangen bevel moet langs de hiërarchieke weg worden ingediend bij de in het volgende lid aangewezen autoriteiten, die het onderzoek naar de gegrondheid van het beklag zelf verrichten of door een van harentwege te benoemen commissie doen verrichten.
2. De beslissing op een beklag, gericht tegen enig lid van de officieren of van de overige bemanning, berust bij de commandant; de beslissing op een beklag, gericht tegen een onder een hogere militaire autoriteit ressorterende commandant, berust bij die hogere militaire autoriteit; de beslissing op een beklag, gericht tegen een rechtstreeks onder de minister van marine ressorterende autoriteit berust bij die minister of bij een door de minister aan te wijzen autoriteit.
3. Van de door de bevoegde autoriteit genomen beslissing op een beklag, als bedoeld in het 1e lid, is geen beroep op een hogere autoriteit toegestaan.
Artikel 10. Behandeling van een beklag over beoordelingen van divisiechef of commandant.
1. Iedere schepeling, van wie geen conduiterapporten worden ingediend, heeft het recht zich te beklagen;
a. overeen door zijn divisiechef opgemaakte beoordeling, welke van ongunstige invloed kan zijn op de bevorderingskansen van de beoordeelde, dan wel zou zijn, indien hij niet de hoogste voor hem bereikbare rang of klasse bekleedde, of op het toekennen van periodieke bezoldigingsverhogingen;
b. over een door de commandant in het conduiteboekje vermelde beoordeling, indien deze afwijkt van de door de divisiechef opgemaakte beoordeling en bovendien van ongunstige invloed kan zijn op de bevorderingskansen van de beoordeelde, dan wel zou zijn, indien hij niet de hoogste voor hem bereikbare rang of klasse bekleedde, of op het toekennen van periodieke bezoldigingsverhogingen.
2. Het in het vorige lid bedoelde beklag moet langs de hiërarchieke weg worden ingediend binnen veertien dagen, nadat de ongunstige beoordeling ter kennis van de beoordeelde is gebracht.
3. Op het beklag, bedoeld in het 1e lid onder a, beslist de commandant, op het beklag, bedoeld in het 1e lid onder b, de hogere militaire autoriteit.
4. Van de door de bevoegde autoriteit genomen beslissing op een beklag, als bedoeld in het 1e lid, is geen beroep op een hogere autoriteit toegestaan.
Artikel 11. Persoonlijk voordragen van belangen aan divisiechef, eerste officier of commandant.
1. Iedere schepeling heeft het recht zijn belangen persoonlijk aan zijn divisiechef, aan de eerste officier of aan de commandant voor te dragen. Hij geeft, aan een bak geplaatst zijnde, vóór of tijdens de ochtendinspectie, schriftelijk de wens daartoe te kennen aan zijn baksmeester, die er de chef der equipage mede in kennis stelt.
2. Niet aan een bak geplaatste schepelingen wenden zich vóór het tijdstip, vastgesteld voor het indienen der verzoeken, tot de chef der equipage.
3. Schepelingen, die zich in arrest bevinden, wenden zich tot de onderofficier van politie.
Artikel 12. Mededelingen van het doel van het aangevraagde gesprek.
1. Tenzij de schepeling particuliere belangen, welke de dienst in genen dele raken, wil voordragen, is hij verplicht bij het indienen van zijn verzoek zijn baksmeester schriftelijk mede te delen met welk doel hij een der in het vorige artikel genoemde officieren te spreken vraagt.
2. De in het vorige lid bedoelde bepaling geldt ook voor de niet aan de bakken geplaatste schepelingen en voor de schepelingen, die zich in arrest bevinden. Zij wenden zich onderscheidenlijk tot de chef der equipage en de onderofficier van politie.
Artikel 13. Algemene verzoeken.
Algemene verzoeken kunnen slechts door de betrokken baksmeesters worden overgebracht.
Artikel 14. Verzoekschriften aan de minister van marine.
Wanneer een verzoek bij verzoekschrift aan de minister van marine wordt gedaan, wordt een spoedige afdoening bevorderd door het verzoekschrift de commandant of andere militaire chef ter doorzending aan te bieden.
Artikel 15. Verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van bevelen.
Onnodig toezicht moet worden vermeden.
1. Iedere militair der zeemacht is voor de juiste uitvoering van de hem gegeven bevelen of opgedragen diensten verantwoordelijk aan degene, die hem het bevel of de opdracht gaf.
2. In het algemeen moet toezicht op de uitvoering van gegeven bevelen en opgedragen diensten alleen worden uitgeoefend ten opzichte van hen, die tonen hun verantwoordelijkheid niet te begrijpen.
Artikel 16. Zeuntjes.
1. Aan boord van schepen, waar het schaften niet volgens het cafetariasysteem, doch aan de bak geschiedt, worden voor de dienst aan de bakken zeuntjes aangewezen. Hiervoor worden bij voorkeur schepelingen, behorende tot de 3e of de 2e klasse van de stand van matroos, aangewezen, met dien verstande dat het zeuntje van een bak als regel moet behoren tot een der categorieen van schepelingen, waaruit de bak is samengesteld.
2. Indien aan een bak minder dan 2 schepelingen behorende tot de 3e of de 2e lkasse van de stand van matroos, zijn geplaatst, worden ook de schepelingen, behorende tot de 1e klasse van de stand van matroos, beurtelings met de dienst van zeuntje belast.
3. De zeuntjes staan onder de bevelen van hun baksmeesters en van de onderofficier van het beneden schip. Zij worden aangewezen voor de tijd van zes weken; tussen de keerkringen kan die tijd worden bekort tot vier weken; de vervanging geschiedt des vrijdags.
4. Zij zijn betast met de zorg voor de reinheid en het onderhoud van alles, wat aan hun bak behoort; voor hetgeen wordt vermist, kunnen zij aansprakelijk worden gesteld. Zij verrichten voorts de hun door de onderofficier van het benedenschip op te dragen werkzaamheden.
5. Zij zullen slechts in zoverre deelnemen aan de oefeningen, als in verband met hun plaatsing in de rollen, hun militaire vorming en hun bekwaming voor enige rang of hogere klasse, dan wel voor enige kwaliteit, nodig is.
6. Zij worden ter beoordeling van de commandant zoveel mogelijk vrijgesteld van het verrichten van vuile werkzaamheden.
Artikel 17. Voorschriften in verband met de veiligheid van het schip.
1. Met het oog op ieders plicht om met al zijn krachten bij te dragen tot de veiligheid van het schip, worden de schepelingen gewezen op de ernstige gevolgen, welke kunnen voortvloeien uit overtreding der voorschriften betreffende het roken en het gebruik van licht of lucifers, uit het veranderen van de stand van elektrische werktuigen en van waterdichte deuren en sluitingen en uit het met open licht naderen van brandstofruimen en cellen, welke gedurende geruime tijd waren gesloten.
2. Een ieder moet zich streng houden aan de voorschriften betreffende het voorkomen en blussen van brand en de voorschriften betreffende het sluiten en gesloten houden van waterdichte deuren en sluitingen. Het behouden van gevonden voorwerpen is verboden; alle goederen, waarvan de eigenaar niet bekend is, worden bij de onderofficier van politie gebracht.
Artikel 18. Verbod om zich op bepaalde plaatsen op te houden.
Het is de schepelingen verboden in bergplaatsen te komen, zich op te houden in gedeelten van het schip met bijzondere bestemming, niet in het tenue van de dag gekleed zijnde zich aan dek of buitenboord te vertonen, tenzij ter opvolging van een hun door een meerdere gegeven bevel.
Artikel 19. Gevonden voorwerpen.
Het behouden van gevonden voorwerpen is verboden; alle goederen, waarvan de eigenaar niet bekend is, worden bij de onderofficier van politie gebracht. Het behouden van gevonden voorwerpen is verboden; alle goederen, waarvan de eigenaar niet bekend is, worden bij de onderofficier van politie gebracht.
Artikel 20. Tenue gedurende verlof.
1. Schepelingen behoren zich, ook gedurende hun verlof, te gedragen naar de bestaande tenuevoorschriften. Het zichtbaar dragen van buitenmodel kledingstukken is verboden, zomede het dragen van burgerkleding, behalve door hen, aan wie dit in bepaalde gevallen is toegestaan.
2. Verboden is voorts het dragen van andere toevoegingen aan de uniform, dan die, welke volgens de uniformvoorschriften voor het militaire personeel der zeemacht zijn toegestaan. Ook het lopen met banieren is de militairen der zeemacht verboden.
Artikel 21. Wering van geslachtsziekten
In het algemeen belang is iedere militair der zeemacht, die zich aan het gevaar heeft blootgesteld om met een geslachtsziekte te worden geïnfecteerd, verplicht de vereiste gezondheidsmaat-regelen op zich te doen toepassen, zodra hij daartoe in de gelegenheid is. Nalatigheid in deze is als overtreding van de krijgstucht te beschouwen.
Artikel 22. Huwelijken van schepelingen.
1. Binnen acht dagen na de voltrekking van zijn huwelijk geeft de schepeling hiervan kennis aan de commandant. Bij de aangifte wordt door de betrokkene het trouwboekje overgelegd of wordt, indien de kennisgeving schriftelijk geschiedt, melding gemaakt van de datum, waarop het huwelijk is voltrokken, zo mede van de naam en voornamen der echtgenote. Verzuim van deze kennisgeving heeft ten gevolge, dat van het huwelijk geen aantekening wordt gehouden en dus later op particuliere belangen, uit het huwelijk voortvloeiende, niet wordt gelet.
2. Bij ontbinding van zijn huwelijk geeft de schepeling hiervan, onder overlegging van de nodige bewijsstukken, zo spoedig mogelijk kennis aan de commandant. 1)
(1 Ook door het overlijden van de echtgenote wordt het huwelijk ontbonden.)
3. Afgescheiden van hetgeen is bepaald in het eerste lid, zal de schepeling, die voornemens is in het huwelijk te treden, zo mogelijk één maand daarvoor van dat voornemen en van de datum der huwelijksvoltrekking kennis geven aan de commandant.
Artikel 23. Kennisgeving van besmettelijke ziekten.
Indien zich een geval van besmettelijke ziekte voordoet bij een persoon, die met een militair der zeemacht hetzelfde perceel bewoont of ten hoogste veertien dagen tevoren heeft bewoond, is die militair der zeemacht verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan de commandant.
Artikel 24. Aannemen van geschenken.
1. Het is de militair der zeemacht verboden naar aársleiding van dienstaangelegenheden geschenken aan te nemen.
2. Niettemin is het aannemen van geschenken in door de minister van marine aangewezen gevallen toegestaan na verkregen toestemming van de commandant.
Artikel 25. Deelnemen aan leveranties.
Het is de militair der zeemacht verboden middellijk of onmiddellijk deel te nemen aan aannemingen of leveranties, tenzij hem daartoe schriftelijk vergunning is verleend door de minister van marine of door een door deze aangewezen militaire autoriteit.
Artikel 26. Nevenbetrekking bekleden - Bedrijf uitoefenen - Nevenwerkzaamheden verrichten.
1. Het is de militair der zeemacht verboden een nevenbetrekking te bekleden, een bedrijf uit te oefenen of nevenwerkzaamheden te verrichten, indien zulks :
a. schadelijk kan zijn voor de dienstbelangen;
b. niet in overeenstemming is met het aanzien van de militaire stand in het algemeen of met de door hem beklede rang in het bijzonder.
N.B lees ook het handboek Zeemilicien blz 24-25 en verder
Krantenknipsels
warships
kr2
kr3
kr4
kr5
kr6
kr7
kr8
100 jaar geleden
RUIM HONDERD JAAR GELEDEN.......
klik voor groter In 1899 werd de heer Cipriano Castro president van Venezuela. Dat was nog in de tijd, dat in Latijns Amerika presidenten met behulp van medestanders het gezag op zich namen en regeerden als dictators. Gedurende zijn regeerperiode had deze president moeilijkheden met Europese staten zoals Duitsland, Engeland en Italië en dat kwam vooral door buitenlandse schulden.
In 1902 blokkeerde Duitsland zelfs Venezuela en werden er schoten gewisseld met Venezolaanse forten. In 1906 kwamen Frankrijk en de Verenigde Staten er ook nog bij, maar Nederland bleef nog afzijdig. In die tijd waren de binnenlandse wegen in Venezuela zeer slecht en vele Curaçaose schoeners verzorgden ook het vervoer van passagiers en lading tussen de verschillende Venezolaanse havensteden.

CURAÇAO IN DE PROBLEMEN.
Sedert het begin van de eeuw, werden regelmatig Arubaanse en Curaçaose schepen door Venezolaanse militaire vaartuigen aangehouden en in de uitoefening van hun vaart sterk belemmerd, ja zelfs in de territoriale wateren van Curaçao. Op 14 mei 2008 vaardigde president Castro een “overschepingsdecreet” uit, dat leidde tot het stopzetten van het handelsverkeer tussen Venezuela en Curaçao. De Curaçaose economie leed sterk onder deze grote handelsbeperking.
klik voor groter Daarom stuurde Nederland toen vijf grote oorlogsschepen : Hr.Ms. Jacob van Heemskerck,
Hr.Ms. de Ruyter, Hr.Ms. Friesland, Hr.Ms. Gelderland en Hr.Ms. Utrecht. Deze schepen stoomden langs de Venezolaanse kust en namen terloops twee Venezolaanse kustwachtschepen in beslag, die naar Curaçao werden gesleept.
klik voor groter
Op dat moment bevond zich de toenmalige president Castro zich in Europa en door de komst van de Nederlandse oorlogsschepen zagen de tegenstanders van de president hun kans schoon en er braken op 13 december opstootjes in Caracas uit. De toenmalige vice-president van Venezuela Generaal Juan Vicente Gómez zette de andere president af en nam op 20 december 1908 het presidentschap op zich en bleef dit tot 1935. Hij herstelde de rechten van de Curaçaose scheepvaart en in 1920 werden de diplomatieke betrekkingen met Nederland hersteld.
LANDSRADIODIENST.
klik voor groter Om radioverbindingen met de bovengenoemde oorlogsschepen te kunnen onderhouden, bouwde de Koninklijke Marine in het Riffort een groot radiostation, dat later werd overgedragen aan de lokale autoriteiten, waardoor Landsradiodienst een feit werd.

TACHTIG JAAR GELEDEN
klik voor groter
Op 8 juni 1929 overvielen de Venezolaanse dissidenten Urbina en Machado het Waterfort van Willemstad (waar nu het Plaza hotel staat) en maakten zich meester van de in het magazijn opgeslagen geweren en munitie, en plundert de gouvernementskas. Er vielen drie doden onder de Nederlandse troepen. In totaal groeide het aantal onruststokers aan tot 600 man, waaronder veel buitenlanders, die op de raffinaderij werkten.
Nadat de overvallers het Amerikaanse schip Maracaibo hadden opgeëist om het kleine invasieleger naar Venezuela te brengen, werden de Gouverneur en de garnizoenscommandant als gijzelaars meegenomen. Curaçao wilde in de toekomst beter voorbereid zijn en op 29 juni 1929 werd het VKC, het Vrijwilligers Korps Curaçao gesticht.
klik voor groter
De geschrokken en in verlegenheid gebrachte Nederlandse regering besluit Hr.Ms. torpedobootjager Kortenaer en -
Hr.Ms. pantserdekschip Gelderland naar de West te zenden met aan boord een detachement mariniers die als kern voor permanente garnizoenen op Curaçao en Aruba moet dienen. Daarnaast moet er een nieuw flottillevaartuig als stationsschip komen. Zo leidt Urbina’s overval op het fort en het daaruit voortvloeiende prestigeverlies van Nederland ertoe dat de Koninklijke Marine voortaan het grootste deel van de Antilliaanse defensie gaat verzorgen.
(bijlage)
Olie als water !
Venezolaanse olie
De ontdekking van uitgestrekte olievelden rond het Meer van Maracaibo, Venezuela, waaronder het veld van Mene Grande in 1914, legde de basis voor de ontwikkeling van de olie-industrie in de Nederlandse Antillen. De exploitatie van de Venezolaanse aardolie had te kampen met “technische” moeilijkheden: door de aanwezigheid van zandbanken in het Meer van Maracaibo en een drempel in de doorvaart naar zee, was het transport van ruwe aardolie met schepen van geringe diepgang en beperkte omvang noodzakelijk, maar economisch ver van aantrekkelijk.
Het gebruik van overlaadstations in de nabijheid van het Meer van Maracaibo bleek de beste oplossing. De politieke instabiliteit onder de opeenvolgende regimes van Cipriano Castro en Juan Vicente Gomez weerhield de buitenlandse oliemaatschappijen ervan grote investeringen te doen op Venezolaans grondgebied. De blik werd dus gericht op het buitenland.
Ironisch genoeg werkte de Venezolaanse dictator, generaal Gomez, hieraan mee: hij voelde weinig voor de economische ontwikkeling van een gebied veraf gelegen van de hoofdstad van het land, dat als tweede machtsconcentratie een bedreiging zou kunnen vormen voor zijn bewind. De verwerking van de Venezolaanse aardolie in het buitenland was in het belang van alle betrokkenen en de keus viel op een deel van de Nederlandse koloniën in de west: de Benedenwindse eilanden.
Isla
Reeds in 1914 verrichtte de Koninklijke Nederlandse Petroleum Maatschappij een onderzoek naar de vestigingsmogelijkeden op Curaçao. De natuurlijke haven van het eiland was uitermate geschikt voor de vestiging van een overlaadstation, terwijl de afstand tot Maracaibo en de afzetgebieden aan de Amerikaanse oostkust en Europa zeer gunstig was. De verwachte opening van het Panamakanaal bood ook de nodige perspectieven en men besloot dan ook tot de bouw van een complete olieraffinaderij op het eiland. Curaçao bood als uitgebreid handelscentrum tevens uitstekende infrastructurele voorzieningen op het gebied van internationale communicatie, telegrafie en bankwezen.
De afwezigheid van voldoende geschoolde arbeiders en het gebrek aan water noodzakelijk voor de raffinaderij waren de enige, niet onoverkomelijke nadelen. De N.V. Bataafsche Petroleum Maatschappij, werkmaatschappij van de Koninklijke Nederlandsche Petroleum Maatschappij – later zou de naam Shell Curaçao N.V. ontstaan –, regelde de vestiging op Curaçao.
Op 30 augustus 1915 werd de plantage Asiento gekocht, met een schiereiland recht tegenover de Sint Annabaai, dat in de volkmond “Isla” heette. Op Isla verschenen de eerste steigers en tankers en later, in 1919, de eerste destillatie-inrichting en een kraakinstallatie. Wegens het grote gebrek aan schepen gedurende de Eerste Wereldoorlog geschiedde het olietransport in eerste instantie met houten lichters, waarvan enkele op Curaçaose werven werden gebouwd.
De eerste ruwe olie werd in 1917 aangevoerd, terwijl de raffinaderij op 23 mei 1918 in werking kwam. De bouw van de raffinaderij werd in 1923 voltooid, maar de enorme groei van het bedrijf ging in de loop van de daaropvolgende jaren gepaard met uitbreiding en vernieuwing. De bouw van een tweede laadhaven bleek al gauw noodzakelijk op Asiento en Valentijn en in 1927 werd de haven en de installatie aan de Caracasbaai in gebruik genomen.
klik voor groter
In 1930 volgde de ingebruikneming van een nieuwe haven aan de Bullenbaai voor de aflevering van benzine. Modernisering en expansie beperkten zich niet tot de raffinaderij: droogdokken werden aangeschaft, hulpbedrijven uitgebreid en vaargeulen en ligplaatsen uitgebaggerd. Ook de tankervloot werd uitgebreid.

Het grote gebrek aan geschoolde arbeiders loste men geleidelijk aan op door de “invoer” van werkkrachten uit het buitenland. De huisvesting van uit Nederland gekomen contractarbeiders en employe’s geschiedde in eerste instantie in Otrobanda en Negropont.
Met de toenemende stroom werkkrachten van de andere eilanden naar Curaçao in 1923, bestaande uit Arubanen, Bovenwinders, Venezolanen en Brits-Westindiërs, verrezen woonwijken op Rio Canario en in Groot Kwartier. In 1929 kregen Asiento, Valentijn en Negropont tezamen de naam Emmastad.
Rood tegen Blauw
warships
krantenkop
Op oefening - Hooge zeeën en veel wind - vliegtuigen en torpedo's in de verbeelding
Aan boord van Hr. Ms Hertog Hendrik. Dinsdag -
Met het weer is het vandaag al weer mis. Wel is de lucht wat opgeklaard, wel hebben wij bijna den geheelen dag zonneschijn gehad, maar de wind is nog straf en de zee staat nog te hol, dan dat de vliegtuigen aan de oefeningen deel kunnen nemen of dat de torpedo's gelanceerd kunnen worden. Het spreekt vanzelf, dat de vliegers van de marine vandaag best de lucht in hadden gekund maar het uitvallen van de vliegtuigen is niet zoozeer het gevolg van minder gunstig vliegweer, dan van het feit, dat het maken van een landing op de zee zeer riskant zou zijn.
Aangezien een groot gedeelte van de oefeningen van vandaag gehoudcn wordt op een afstand van veertig en meer mijl uit de kust en het natuurlijk lang niet denkbeeldig is dat een van de éénmotorige vliegtuigen gedwongen zou kunnen worden tot het maken van een noodlanding neemt men liever het zekere voor onzekere en laat ze thuis Voor de oefening is dit wel jammer, immers Blauw wordt nu in een voordeliger positie geplaatst, dan deze partij bij den opzet van de oefening was toegedacht en, zooals wij reeds schreven, bij den opzet wordt zooveel mogelijk rekening gehouden met datgene wat zich in werkelijkheid zou kunnen voordoen.
Rood had vandaag zijn zaakjes aardig voor elkaar, Een Roode scheepsmacht, bestaande uit het Pantserdekschip Gelderland en het Pantserschip Hertog Hendrik moet van Noord naar Zuid varen. Blauw beschikt over zijn traditioneele-
onderzeeboot divisie aangevult met 2 groepen vliegtuigen. Rood heeft 2 Z-booten en 2 G-booten voor verkennings- en beschermingsdoeleinden en zou bovendien de beschikking hebben over één groep vliegtuigen. Het ging er dus om, dat Blauw zijn divisie onderzeebooten ten aanval zou kunnen brengen tegen een vijandelijke scheepsmacht, welke behalve over de vier torpedobooten ook over vliegtuigen de beschikking had, In tegenstelling met de oefening van gisteren, toen verondersteld werd, dat Rood geen vliegtuigen had.
Nu evenwel in verband met de weersomstandigheden de vliegtuigen moeten uitvallen, ligt het voor de hand, dat veel van de waarde van de oefening verloren gaat, Immers het essentieele verschil met de vorige oefening ontbreekt. Daarbij komt dat Rood zijn actie dusdanig had voorbereid, dat een Blauwe overwinning zeer problematisch zou zijn geworden. Had Rood vandaag een mooie overwinning behaald, dan was dit te danken geweest aan de hulp van zijn vliegtuigen.
Toen vanmorgen de oorlogstoestand inging, lag Rood ten Westen van IJmuiden, met bestemming naar het lichtschip Noord Hinder (ongeveer dwars van Vlissingen). Blauw had op dat moment om 6 uur in den morgen een divisie duikbooten in zee, ongeveer bij het vuurschip Maas. Terstond heeft de commandant van de Roode partij evenals gisteren schout bij nacht-Ltd. J. J. Dikkers, tevens bevelhebber over Hr. Ms. Gelderland de Z 6 en de Z 7 naar het Zuiden gezonden met de opdracht naar Blauwe onderzeeërs te zoeken in een strook van het vuurschip Maas tot het vuurschip Noord-Hinder over ten breedte van ongeveer 20 mijl evenwijdig aan de kust.
Elk van de beide torpedobooten kan in een vak van bepaalde grootte alles wat onderzeeër is, dwingen beneden te blijven, hetgeen beteekent, dwingen met slechts ten geringe snelheid te varen. De Roode vliegtuigen zouden naar de genoemde strook gezonden zijn om de Blauwe onderzeeërs op te sporen en hun plaats aan de Roode torpedobooten op te geven, door boven de plek waar zij de duikboot hadden gezien, laag boven het water te gaan cirkelen.
Op die manier had Rood waarschijnlijk minstens twee onderzeeërs met behulp van zijn torpedobooten in bedwang kunnen houden. Opvarend onder dichtbijbescherming van de beide andere torpedobooten (de beide G-booten) en vergezeld van de vliegtuigen, die tijdig zouden kunnen waarschuwen, als zij een van de overige onderzeeërs ontdekten, had de hoofdmacht van Rood vrij veilig, naar den Noord-Hinder kunnen komen. Tot goed begrip diene, dat een onderzeeër zich onder water slechts met een geringe snelheid kan verplaatsen. Ook de afstand, welken een torpedo onder water kan afleggen is niet groot.
Een duikboot onder water levert dus slechts groot gevaar op voor de schepen binnen een cirkel, waarvan ze het middelpunt is en de straal gelijk is aan de som van den afstand, welke de duikboot kan afleggen in den tijd welke verloopt tusschen het moment, waarop zij haar deel ontdekt en dat, waarop zij moest lanceeren plus den afstand, binnen welken een gelanceerde torpedo gevaarlijk is, m.a.w: de periscoop van den ondergedoken onderzeeër is als het oog van een spin, die midden in haar web zit; dit web is niet bijzonder groot, als de duikboot onder water moet blijven. Kan zij zich echter zich voor het lanceeren nog een tijd boven water voortbewegen - immers boven water vaart zij met een behoorlijke snelheid - dan wordt haar web uiteraard veel en veel grooter.
Daarbij komt, dat een duikboot boven water niet zoo spoedig wordt gezien. Zij steekt niet ver boven den waterspiegel uit. Zij zal haar doel, mits dit, zooals in dit geval een groot schip is, veel eerder zien dan dat zij kan worden opgemerkt. Met een weersgesteldheid als vandaag zal zij haar vijand bijvoorbeeld reeds op circa 15 mijl kunnen ontdekken, terwijl het nog maar zeer de vraag is, of wij een boven water varende duikboot op een afstand van 8 mijl zouden kunnen zien.
Had Rood nu vandaag de toegedachte vliegtuigen gehad, dan hadden deze de Blauwe duikbooten reeds op groote afstanden van de Roode hoofdmacht onder water kunnen drukken, waardoor haar actieradius zeer was beperkt. Rood had dan een redelijke kans gehad ongehinderd zijn opdracht te vervullen Thans beschikt Rood alleen over de beide Z-booten. die op eenigen afstand voor de Roode hoofdmacht uit aan het zigzaggen zijn, waardoor Blauw in dezelfde gunstige positie is gebracht als gisteren het geval is geweest.
Bovendien heeft Blauw geen noemenswaardigen tegenslag ondervonden, doordat zijn vliegtuigen zijn uitgevallen, want deze vliegtuigen hadden alleen opdracht de positie van de Roode hoofdmacht te verkennen en Rood is vandaag weer zoo sportief, om geregeld zijn positie aan den vijand op te geven, zij het dan ook met dezelfde fouten, welke de waarnemers ook stellig zouden hebben gemaakt.
Vanmorgen vroeg zijn dus de Z 6 en de Z 7 dadelijk van IJmuiden naar het Zuiden gezonden, om tusschen het vuurschip Maas en den Noord Hinder te gaan kruisen en zoo mogelijk de Blauwe onderzeeërs onder water te drukken. In dien tusschentijd is de Roode hoofdmacht recht de kust uitgevaren tot op ongeveer 40 mijl uit IJmuiden. Daarna zijn wij in een zig-zagkoers naar het Zuiden afgezakt, opgewacht door de vooruitgeschoven Z-booten en begeleid door de beide G-booten, die voor bescherming op korten afstand zorgen. De G 15 en de G 16 varen weer, zooals gisteren, ter weerszijden van de Roode hoofdmacht, sterk uitkijkende naar duikbooten.
Als een onder water varende onderzeeër in zijn aanvalsrun is, trekt de periscoop een schuimbaan door het water. Deze kan de nadering van de aanvallende boot dus verraden en als men haar tijdig ontdekt, kan men soms nog wel de torpedo ontwijken, door tijdig van koers te veranderen. Indien echter de zee veel witte koppen heeft wordt het wel heel moeilijk zulk een schuimbaan te ontdekken. Ook hier brengen de weersomstandigheden dus Blauw weer in het voordeel.
Intusschen is de roode hoofdmacht, op het oogenblik waarop wij dit schrijven, reeds een tijdje in de gevaarlijke zone waarrin zich Blauwe onderzeeërs kunnen bevinden. Het wordt dus voor ons tijd cons naar de brug te gaan om de eventueele aanvallen van Blauw tijdig te kunnen zien. Het is nu kwart over twee in den middag en ieder oogenblik kan een aanval van Blauw worden verwacht.
Het overwinningsbulletin van den bevelhebber van Rood was kort maar krachtig. In een paar woorden word goconstateerd dat de Roode scheepsmacht het vuurschip Noord-Hinder had bereikt, zonder door Blauw te zijn lastig gevallen. De wind is in den loop van den middag weer krachtiger opgestoken en om vier uur stond er zulk een storm uit het Zuid-Westen, dat de commandant van Rood het maar raadzamer vond de beide G-booten die in onze nabijheid zigzagden naar huis te sturen. De notedopjes dansten zoo hevig op de ruwe zee, dat het maar beter was, hen een veilige ree te doen opzoeken. Ook de Z 6 en Z 7 werden naar de reede gezonden.
Omstreeks 5 uur begon de Z 5, die den geheelen dag als oppikboot achter de Hertog Hendrik had aangevaren meer vaart te zetten; zij liep op ons in, voer ons voorbij en verdween full speed aan de kim, op weg naar een rustiger water. De geheele Roode scheepsmacht zette koers naar Vlissingen, om daar op de reede ten anker te gaan. Intusschen heeft de aanwakkerende wind het al weer heel problematisch gemaakt of de landingsoefening, welke voor Woensdag vroeg op het programma staat zal kunnen doorgaan. Zoo als de zee thans is valt er natuurlijk niet aan te denken sloepen uit te zetten en hen in de branding te sturen.
Maar wie weet.... Als de wind vannacht wat wil gaan liggen, kan de zee, nog heel wat afslechten. In elk geval wordt het morgen vroeg dag: om half vijf is het overal. Men hoopt omstreeks zes uur de landingsdivisie reeds op Walcheren aan wal te hebben. Om 12 uur des middags begint dan het tweede gedeelte van de derde oefening: de Blauwe onderzeeërs, die dan op zee zijn moeten trachten het uitloopen van een Roode scheepsmacht te verhinderen !
But that is an other story....
Oude Marine prenten en affiches
foto 1
De Nederlandse Rode Kruis ambulance in het Ottomaanse Rijk ten tijde van de Eerste Balkanoorlog 1912-1913
ambulances Extra personeel werd aangenomen voor het Pageshuis in Den Haag, van waaruit het hoofdbestuur van het Nederlandse Rode Kruis opereerde en de ambulances werden voorbereid. De bestelde goederen en materiële giften werden verzameld in de kliniek aan de Jan van Nassaustraat in Den Haag en ter plekke door het vrouwencomité in Den Haag gesorteerd en over eenheidskisten verdeeld.
Alle medische instrumenten werden ook daar verzameld. De kleding voor de vrouwen van de ambulance werd verzorgd door het Vrouwencomité Den Haag. Voor de kleding van de mannen was de secretarie verantwoordelijk.
Voor zover het personeel van de ambulance geen uniform droeg, was het volgens artikel 20 van de conventie van Genève voorschrift, dat ieder lid van de ambulance voorzien moest zijn van een armband (met daarop het teken van het Rode Kruis) en een identiteitsbewijs.

Het Hoofdbestuur voorzag de leden hiervan, vergezeld van een officiële verklaring van aanstelling door het bestuur van het NRK en een afschrift van de instructie en Nederlandse vertaling van de conventie van Genève.
Verder regelde het hoofdbestuur in samenwerking met het departement voor binnenlandse zaken de paspoorten voor alle leden van de ambulance.
De leider van de ambulance werd voorzien van reisbiljetten, een kredietbrief en de nodige contanten. Omdat de Nederlandse ambulance voor Turkije gebruik kon maken van ervaringen rond de organisatie van de eerdere ambulance, was deze erg snel gereed voor uitzending.
De voorexpeditie
Er werd besloten om voorafgaand aan het uitzenden van de volledige ambulance een verkennende expeditie naar Istanbul te zenden. Dit ‘met het oog op de onzekere situatie’, waarin men zou terecht komen. De voorexpeditie bestond uit de leider van de ambulance, dr. G.W.S. Lingbeek en een hoofdchirurg, dr. L. van den Steen van Ommeren, de hoofden van verpleging, de huishouding en een verpleger.
Op 22 november 1912 vertrok de voorexpeditie vanuit Nederland per trein naar Constantza (Roemenië) om daarna per stoomschip naar Istanbul door te reizen. De taak van de expeditie was vast te stellen, welke hulp gewenst was en om daarna de toekomstige locatie van de ambulance te bepalen.
De voorexpeditie arriveerde op 25 november 1912 met een ambulancevoorraad van ongeveer 500 collis in de haven van Istanbul. Omdat in eerste instantie niet duidelijk was, waar de ambulance zich moest vestigen, verbleef de voorexpeditie (vanaf 26 oktober) tijdelijk op het Nederlandse oorlogsschip Hr.Ms.‘Gelderland’, een Nederlands oorlogsschip, dat op dat moment in de haven van Istanbul lag.
‘Met het oog op de ongewisheid of en waar de Turkse autoriteiten persoonlijke hulp wensten, werd met grote welwillendheid door de toenmalige commandant van de Hr.Ms.‘Gelderland’ de hoogedelgestrenge heer Guépin, aan de voorambulance voor enige tijd gastvrijheid verleend aan boord van Hr.Ms.‘Gelderland’ waar door de commandant, en de officieren al het mogelijke gedaan werd om ons het verblijf aangenaam te maken en onze taak te verlichten.
Onze kisten werden in lichters langszij het oorlogsschip gemeerd en een wacht werd door de commandant daarop geplaatst. De officier van gezondheid eerste klas L.J. Büller, die reeds enige tijd in het kinderhospitaal Sisli een dozijn gewonden verpleegde en dus in Constantinopel wegwijs was, stelde zich, met goedvinden van de kolonel, ter onzer beschikking. Aan genoemde collega, die dikwijls in de operatiekamer assisteerde, en ons op onze eerste tochten vergezelde, komt onze warme dank toe.
Ook zijne excellentie de Nederlandse gezant te Constantinopel, Jongeheer v.d. Does de Willebois, en de eerste dragoman van het gezantschap, Carabethian, kwamen ons in alle opzichten tegemoet. Zijne excellentie had reeds pogingen in het werk gesteld, om een geschikt arbeidsveld te zoeken voor de komende ambulance.’
Het Nederlandse marine oefenschip Hr.Ms.‘Gelderland’ maakte deel uit van een internationale vloot die ten tijde van de Balkanoorlog in de haven van Istanbul voor anker lag. Engeland, Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk, Rusland, Roemenië, Italië en Spanje hadden allen oorlogsschepen naar Istanbul gestuurd met als doel hun onderdanen en ambassades te kunnen beschermen.
Aanvankelijk kreeg de Nederlandse Rode Kruis ambulance door de autoriteiten een aantal zalen toegewezen in de Taskisla kazerne. De leiding van de ambulance was echter niet te spreken over deze voorlopige locatie van de ambulance; dit blijkt uit het verslag van dr. van den Steen van Ommeren, de chirurg van de ambulance :
‘ .... aan den ingang van deze gebouwen treffen we reeds een aantal soldaten aan, in lompen gehuld, stervend, en wat we daar binnen aantroffen is met geen pen te beschrijven; pakhuizen waarin 4000 jongemannen liggen te lijden en te sterven.’
Op het pantserdekschip Hr.Ms.‘Gelderland’ werd in allerijl een noodhospitaal ingericht waarin de allerergste gewonden van medische zorg werden voorzien. Het siert de bemanning en de officieren van de Gelderland dat zij hun beperkte ruimte aan boord afstonden voor een aantal doodzieke soldaten. Wat nog meer is dat zij met aller inzet de aan boord genomen zieken allen hebben weten te redden door hunne medische kennis en tomeloze zorgzaamheid van ene wisse dood.
Hier komt de inhoud van tekst 8.
Hier komt de inhoud van tekst 9.
Hier komt de inhoud van tekst 10.