Zeven Provinciën

Niobe logo
Algemeen handelsblad
Muiterij op de "Zeven Provinciën"
klik voor groter
Februari 1933 - In bloed gesmoord !
Op 3 februari 1933 breekt er onder de "inlandse" bemanning van de oorlogsbodem "de Zeven Provincien" muiterij uit. De bemanning is het niet eens met de zoveelste verlaging van de lonen die door de regering is afgekondigd in het kader van de bezuinigingen. Door het werpen van een bom uit een watervliegtuig wordt het verzet gebroken. "Het gezag handhaaft zich". Er vallen 23 doden.
Dit bericht bereikte de buitenwereld op 6 februari 1933, de derde dag van de muiterij op het pantserschip Hr.Ms. De Zeven Provinciën, in de wateren van Nederlands-Indië. Twee dagen later beëindigde een vliegtuigbom de rebellie, waarna de overlevende muiters zware straffen kregen toebedeeld.
Als diepere oorzaak is wèl duidelijk dat de salarisverlaging van zeven procent in januari 1933, voor marinemannen die dienden in Nederlands-Indië, de directe aanleiding vormde. Maar ook de afwijkende status voor Indonesiërs binnen de marine, met een substantieel lagere wedde wordt als één der oorzaken aangedragen.
Vijandig klimaat
De salariskorting die daar nog bijkwam, leidde al in januari en begin februari 1933 tot insubordinatie en ongeregeldheden op de marinebasis van Soerabaja, waarmee het zaad van de muiterij op De Zeven Provinciën was gezaaid. Deze ontwikkelingen werden nog versterkt door het vijandige klimaat dat in de marine van de jaren ‘30 heerste, vanwegede grote hiërarchische kloof tussen officieren en manschappen. Bij de lager gegradueerden bestond hierover grote onvrede, terwijl anderzijds de officieren verontwaardigd waren over de, in hun ogen, verslappende discipline. Dat laatste weten zij overigens voor een belangrijk deel aan de invloed van sociaal-democratisch getinte vakbonden voor marinepersoneel.
Een toonaangevende figuur binnen één van deze bonden was Korporaal machinist Maud Boshart, geplaatst op de Zeven Provinciën. Als enige heeft hij zijn belevenissen, tijdens de muiterij, opgetekend. Ook hij haakt in zijn boek "De muiterij op de Zeven Provinciën" in op het rumoer te Soerabaja. ‘Doorgevoerde kortingen leidden tot grote protesten op de basis van Soerabaja. Verzoek om een vergadering hierover te houden werd verboden, waarna het werk werd neergelegd.’
Op de marinebasis, welteverstaan, want aan boord van De Zeven Provinciën was men, voornemens om de dienst gewoon doorgang te laten vinden.
Maar dat liep toch even anders.
Wat zich vervolgens aan boord het pantserschip afspeelde, dat op de rede van Oleh-leh voor anker lag, ten noordwesten van Sumatra is het volgende : ‘Op 4 februari 1933 werd het schip overmeesterd door een aantal zeelieden, meest Indonesiërs’. Het was duidelijk dat de actie niet voor iedereen onverwacht kwam. ‘Het zou aan boord niet pluis zijn !’
‘Wees op uw hoede’, seinde de toenmalige vlootvoogd, schout-bij-nacht Osten, aan kapitein-luitenant ter zee J.E. Eikenboom, de commandant van De Zeven Provinciën.
klik voor groter De politieopziener op de kade voor het pantserschip was zelfs al op 4 februari ‘33 door de voorzitter van de Europese bond van Marine Schepelingen op de hoogte gebracht dat er die nacht een muiterij zou uitbreken. Waarschuwingen werden echter luchtig terzijde geschoven.
Toen de ernst van de situatie begon door te dringen, bevond de commandant zich met de helft van zijn officieren en een groot aantal manschappen op de wal. Officier van dienst aan boord en chef van de wachtdivisie was die avond W.F.J.Fels
Tenslotte begon ook Gouverneur-Gen. van Nederlandsch Indië Jhr.Mr. B.C. de Jonge zich in het conflict te mengen. Op het schip volgden de gebeurtenissen elkaar vervolgens in hoog tempo op. Getuige hiervan was korporaal machinist Maud Boshart, die De Zeven Provinciën per motorsloep bereikte. Bij terugkeer trof hij ‘inlanders die met geweerlopen en bajonet op’.
De lichten bleken gedoofd en niet veel later koos het schip het ruime sop, met aan boord zestien officieren, negen Europese en drie inlandse onderofficieren, 44 Europese korporaals en minderen en 184 inheemse korporaals en minderen. De aanwezige officieren hadden zich al snel ‘achteruit’ verzameld.
Zij gaven vervolgens, te midden van alle hectiek, opdracht aan enkele onderofficieren om de met karabijnen bewapende en zeer talrijke muiters met de klewang te lijf te gaan.
Deze onderofficieren waaronder onderofficier G. Smits zagen daar het nut niet van in en merkten nuchter op dat de officieren zelf in ieder geval nog een pistool droegen... Deze opmerkingsgave kwam hen later op gevangenisstraffen van zo’n vier tot vijf jaar te staan wegens muiterij.
Korporaal machinist Maud Boshart speelde in de dagen die volgden, naar zijn zeggen, vooral een bemiddelende rol, ook op momenten dat de inlandse muiters onder leiding van Paradja, Hendrik, Rumambi, Soewarso en anderen de officieren te lijf wilden gaan. Op uiteenlopende vergaderingen met rebellen en officieren, benadrukte Boshart dat hij niet akkoord ging met de gang van zaken, maar alleen een bloedbad probeerde te voorkomen.
Zo ook op de tweede dag van de muiterij, toen de achtergelaten commandant een poging deed om de Zeven Provinciën met de Aldebaran van de gouvernementsmarine te benaderen en per telegram de vermaning aan de oproerkraaiers verstuurde om ‘wapens neer te leggen en zich weer onder het gezag te scharen’.
Dit veroorzaakte veel rumoer onder de opstandelingen, die toch al onder hoogspanning werkten en van wie sommigen op het punt stonden om de officieren aan te vliegen.
Tijdens zo’n incident kwam Boshart op het nippertje tussenbeide en kon hij een officier beschermen door een furieuze opstandeling tot bedaren te brengen.
Een reactie van de muiters op het telegram van de commandant bleef niet uit. Op de derde dag stuurden zij hun al eerder genoemde bericht, waarin zij aangaven de commandant vierentwintig uur voor aankomst in Soerabaja weer te willen verwelkomen. En geen moment eerder.
Zo riep de rebellenleider Kawilaran ,die op de brug het commando voerde uit : ‘Zien jullie die rots daar ? Nou, daar zet ik dit schip nog liever op, dan dat ik ervóór ben om de Ouwe aan boord te laten.’
Op de vijfde dag van de muiterij escaleerde de situatie toen een eskader in zicht kwam, bestaande uit Hr.Ms. Java, twee jagers, een mijnenveger en twee onderzeeboten met torpedo’s in de lanceerbuizen. ‘Van de Java kregen we het bericht dat, wanneer er binnen tien minuten geen witte vlag zou worden gehesen, er geweld zou worden gebruikt’, vertelt Maud Boshart. De reactie was een koele boodschap van de muiters, die overtuigd leken van hun zaak : ‘Wensen niet gehinderd te worden, stomen op naar Soerabaja’.
Wat niemand verwachtte,
klik voor groter gebeurde vervolgens toch. Een overkomend Dornier-Wal vliegtuig van de Marine LuchtvaartDienst wierp een 50 kilogram zware bom. Het projectiel sloeg in op het dek aan bakboordzijde, waardoor achttien opvarenden het leven lieten en 25 anderen gewond raakten. ‘Jongens, kinderen nog met vaneen gereten ledematen; enigen stonden in brand, anderen wentelden zich met afzichtelijke wonden in hun eigen ingewanden’, aldus Boshart, die zich ook op het dek bevond. Het grootste deel van de inlandse leiders bleek door de aanval gedood, waarna de officieren het schip weer in handen konden nemen.
Vuur en vlam
Alle muiters werden vervolgens gearresteerd en afgevoerd. Onder hen, en tot zijn eigen grote verrassing, ook korporaal machinist Maud Boshart. In weerwil van zijn, door hemzelf beschreven, bemiddelende rol, was hij er gloeiend bij als gedoodverfde linkse oproerkraaier en vakbondsman. In zijn verslag beweert hij dat hij als zondebok moest dienen. ‘Bovendien was het in die dagen van het grootste belang om de bevolking van Nederlands-Indië niet te doen weten dat de gehele organisatie, initiatiefname en uitvoering van de muiterij van De Zeven Provinciën uitsluitend inlands geweest zijn. Het gevaar zou dan namelijk niet denkbeeldig zijn dat geheel Indië in vuur en vlam had komen te staan.’
Het werd tenslotte ‘een politiek proces’ en ‘een bij voorbaat besliste krachtmeting’, die de korporaal-machinist op zestien jaar gevangenisstraf kwam te staan. Vanwege de angst voor het verlies van koloniaal gezag stonden de Nederlands autoriteiten, voor een dilemma. ‘In grote trekken waren alle partijen het erover eens dat de muiterij in eerste aanleg een Indonesische zaak was’, ‘Inlands personeel maakte stoom, laadde en richtte het kanon, en voer weg met H.M. pantserdekschip, ondanks het feit dat een Nederlandse officier de stuurinrichting onklaar had gemaakt.
Een oorlogsschip hoorde tot het kostbaarste uit de heilige arsenalen van de koloniale hiërarchie, en daarom was het voor het gezag eenvoudig onmogelijk te erkennen dat inlanders er met zo’n vitaal instrument vandoor waren gegaan. De bedreigde rangorde eiste dus, dat blanke raddraaiers als de belangrijkste schuldigen zouden worden aangewezen.
Beknopt verslag van het strafproces.
Korporaal Boshart leende zich daar ideaal voor. Hij bleek zowel als exponent van de blanke suprematie, alsook voor een rode raddraaier door te kunnen gaan.’ Men beweerde zelfs dat er een linkse samenzwering aan de rebellie ten grondslag lag. ‘Tijdens het proces bleek dat er zich op “De Zeven Provinciën” een actiecomité was dat uit Hollandse en Javaanse zeelieden bestond.
Schrale troost
Hoe dan ook, uiteindelijk leeft vooral in de herinnering voort het feit dat de opstand, waarbij tot op dat moment geen schot gevallen was, door een misschien wel verkeerd geworpen bom, in bloed werd gesmoord. En ondanks dat de muiterij een wereldschokkende gebeurtenis was, lijkt het harde ingrijpen van de Nederlandse overheid op 8 februari 1933 toch op zijn minst overtrokken.
De hoofdverdachte, Maud Boshart, had in ieder geval het geluk bij een ongeluk dat prins Bernhard en prinses Juliana zich in 1937 verloofden, waardoor hij na vier jaar achter de tralies in aanmerking kwam voor gratie. Wanneer zijn verslag van de muiterij echter volledig op waarheid berust, blijft dat een hele schrale troost.
DE AANLEIDING TOT DE MUITERIJ OP DE "ZEVEN PROVINCIËN"
De werkelijke aanleiding tot de muiterij-
De onmiddellijke aanleiding voor de muiterij was het toepassen van de korting op de salarissen van het Europese als van het Inlandse Marinepersoneel. Er was een merkwaardige regeling van de betaling van de salarissen. De salarissen van het Europese marine personeel wordt in eerste instantie door Nederland voorgeschoten, later vindt restitutie van het uitgegeven bedrag door de Indische schatkist plaats. Indië betaalt dus feitelijk voor het Europese marine personeel. Doch alles staat wel direct onder de verantwoordelijk van de Nederlandse minister van Defensie. Hierbij moet men wel bedenken dat het Inlandse marinepersoneel maar de helft verdiend van het Europese personeel voor hetzelfde werk !
In December 1932 wordt besloten een salarisverlaging van in totaal 17% toe te passen. Op 16 december hebben de belangrijkste personeelsbonden van het lagere marine personeel hun bezwaren geuit tegen verdere kortingen bij de Commandant Zeemacht.
tabel 1
tabel 2
Op 19 december laat de commandant zeermacht J.P. Osten aan de Gouverneur-generaal Jhr B.C. de Jonge weten bezwaar te hebben tegen deze salaris verlaging. Zeker niet gedreven door ethische motieven, maar meer dat hij ernstige ongeregeldheden zou verwachten bij de doorvoering van deze salariskorting. Zijn ongerustheid hierover blijkt niet ongegrond, als we bezien wat er vervolgens in Soerabaja is gebeurd.
Als voorzorg wordt op 26 december het personeel van Hr. Mrs. De Zeven Provinciën gelegen in de haven van Soerabaja verboden om het bondslied te zingen. Het bevat volgens overheid opruiende taal. Hier volgt de tekst van het Bondslied voor het lagere marinepersoneel in Indië, dat door de Marineleiding op 26 december 1932 verboden werd om te zingen.
"Werkers, waar g' ook zwoegt en lijdt
Zijn wij niet van eenen bloede ?
Striemt ons niet dezelfde roede,
Welker scherpte gij ook lijdt ?
Hebben wij soms ruimer recht,
Minder plichten, grooter vrijheid ?
't Zonlicht van levensblijheid
Is 't niet ons, als u ontzegd ?
Janmaat voelt het en verstaat :
Eén is 't juk, dat w' allen dragen,
Eén de strijd, die heeft te wagen
't Gansche proletariaat !
Eén is aller ideaal
én de weg ter zegepraal
De arbeid, op wien alles rust
Wil niet meer zijn uitgezogen,
En niet dof meer neergebogen,
Richt hij 't hoofd op, zelfbewust !
Hoog zijn vaandel opgericht
Wenkt hij alle proletaren
Zich in eenheid te gaan scharen
Naar de vrijheid, naar het licht !
Kennen we onzes werkers plicht
Allen' voor één en één voor allen,
Mogen nog zoo velen vallen,
Geen, die ontrouw wordt of zwicht !
Wankelt somtijds onze moed,
't Ideaal zal stut ons wezen,
En blijmoedig, zonder vreezen
Hebben veil wij, goed en bloed !" ...
Op 29 december wordt een protestvergadering van de Europese bonden belegd. Deze wordt voorafgegaan door een demonstratieve tocht door Soerabaja. Zevenhonderd leden van de bonden worden met autobussen naar de stadstuin bereden. Degelijke demonstraties waren echter sinds mei 1931 verboden.
Tijdens deze demonstratie wordt gewezen op de succesvolle acties van tegen de salariskorting van het Engelse marine personeel. (De Engelse matrozen weigerden, om voor manoeuvre's uit te varen.) Nadat de schepelingen werden toegezegd dat hun grieven grondig en onpartijdig zouden worden onderzocht, waren ze bereid de schepen naar de diverse havens thuishavens te varen.
Minister A. Chamberlain verklaarde in het Lagerhuis dat geen straffen zouden worden opgelegd, maar dat verdere ongehoorzaamheid als insubordinatie zou worden beschouwd en streng gestraft zou worden.
De leden van de vergadering worden opgeroepen om over te gaan tot dienstweigering en een telegram te sturen naar de minister van Defensie. Er wordt ook besloten om samenwerking te zoeken met de organisatie van de Inlandse matrozen. Op Nieuwjaarsdag zou men weer een nieuwe vergadering beleggen.
Op 31 december wordt door de Commandant van de marine van Soerabaja D. Scalonge het gehele marine personeel bevolen om bij hun diverse commandanten te komen. Hier wordt hun medegedeeld dat de salariskorting niet doorgaat. Maar er wordt wel gezegd, dat het geen reactie is op de demonstraties van de acties van de bonden. Er wordt zelfs bij gezegd, dat de bonden gehoord zouden worden bij toekomstige salaris herzieningen.
De interpretatie van dit bericht is door de diverse instanties verschillend uitgelegd. Dit verschil van interpretatie heeft een grote rol gespeeld in de verdere gang van zaken, die uiteindelijk heeft geleid tot de muiterij van De Zeven Provinciën, vandaar dat ik hier even dieper op in wil gaan. Velen trokken de conclusie dat er voorlopig geen verdergaande korting zou komen.
De bij deze vergadering aanwezige eskadercommandant M.H. van Dulm zou echter gezegd hebben dat de korting voorlopig van de baan is, maar dat wil echter niet zeggen dat de korting nooit meer zal worden toegepast.
Nadat op 1 januari nog een aantal vergaderingen van de personeelsbonden werden gehouden, keert de rust in Soerabaja terug en vertrekken de meeste schepen uit Soerabaja op 2 januari 1933 voor een kortere of langere oefenreis. Zo ook de Hr. Ms. De Zeven Provinciën voor een reis van 2 maanden rond het eiland Sumatra. Zo leek het gevaar geweken voor de overheid nu een groot aantal personeelsleden uit Soerabaja waren vertrokken.
En dan rond half januari 1933 wordt toch besloten om een salariskorting met ingang van 1 februari in te voeren. 4% voor het Europese marinepersoneel en 7% ! voor het Inlandse personeel. Deze besluiten worden voor het Europese personeel op 26 januari en voor het Inlandse personeel op 30 januari 1933 bekend gemaakt.
Dat dit onheilsbericht weer tot acties moet leiden zal wel niemand verbazen. 27 januari vergaderen de Europese bonden in een opgewonden stemming en groot is hun verontwaardiging. Er wordt gepleit voor protestacties. Maar op diezelfde dag wordt door de marineleiding een algemeen vergadergebod uitgevaardigd.
Op 30 januari wordt door 400 vrijwel alleen Europese schepelingen dienst geweigerd. Na dreigementen van de leiding gaan de meeste weer aan het werk, op een 40 tal na, die meteen worden gearresteerd. Op diezelfde dag wordt ook het salariskorting voor het Inlandse personeel bekend gemaakt.
Op 3 februari gaat het Inlandse personeel over tot dienstweigering. In tegenstelling tot de Europese personeel gaan zij niet in op de dreigementen van de Marineleiding en blijven voet bij stuk houden. Tijdens deze demonstratie wordt het strijdlied Indonesia Raya gezongen. Gevolg is dat 459 mensen worden gearresteerd !
Hier volgt de tekst van dit voor de Indonesiërs zo belangrijke lied.
Indonesia Raya Het lied van de Indonesiërs voor hun onafhankelijkheidsstrijd :
Indonesië, mijn vaderland, mijn geboorteland,
daar is het dat ik sta, Als een gids van mijn moeder
Indonesië, mijn nationaliteit, mijn volk en mijn vaderland
laten we het uitroepen 'Indonesië is één'
Leve, mijn grond, Leve, mijn land
Mijn natie, mijn volk, allen.
Laat toch zijn ziel ontwaken,
Laat toch zijn lichaam overeind komen
Voor een Groot Indonesië
Groot Indonesië,
vrij, onafhankelijk !
Mijn grond, mijn land dat ik liefheb
Groot Indonesië,
vrij, onafhankelijk
Leve Groot Indonesië
Indonesië, edel land, ons rijke land
daar is het dat ik leef! voor altijd
Indonesië, land dat we geërfd hebben,
erfgoed van ons allen
laten we allen bidden, Indonesië, heil !
Laat zijn grond toch vruchtbaar zijn,
laat zijn levensgeest toch vruchtbaar zijn
zijn natie, zijn volk, allen, wees er toch van bewust in hart
en wees er toch van bewust in karakter
voor een Groot Indonesië
Indonesië, heilig land, ons magische land
daar is het dat ik sta, mijn ware Moeder beschermend.
Indonesië, stralend land, land waar ik van hou
laten wij dan beloven: Indonesië is eeuwig !
Heil voor zijn volk, heil voor zijn zonen
Zijn eilanden, zijn zeeën, alles !
Voorwaarts, oh land, Voorwaarts, oh leiders,
voor een Groot Indonesië
"Een afspraak tot solidariteit is onder Aziaten een zeer gewoon verschijnsel het trouw blijven aan zulk een afspraak hoort een bepaalde karaktereigenschap want "maloe"gemaakt worden is voor Inlanders een ondragelijke schande".
(Maloe betekent letterlijk verlegen, maar het omvat meer, het is meer een gezichtsverlies).
De volgende dagen worden ze in Soekolilo het quarantaine etablissement op Madoera opgesloten. Ze hebben later flinke vrijheidstraffen gekregen : ontslagen uit dienst en ontzegging om bij de militaire macht ooit nog te mogen dienen.
Het is duidelijk dat deze gebeurtenis een enorme invloed had op het Inlandse personeel van de Hr.Ms.. De Zeven Provinciën.
Het opsluiten van hun kameraden in Soerabaja dat pikten zij niet !
DE MUITERIJ OP DE "ZEVEN PROVINCIËN"
klik voor groter Hr. Ms. De Zeven Provinciën vertrekt is 2 januari 1933 uit Soerabaja voor een reis rond Sumatra. Het is een sterk verouderd schip, alhoewel toch nog een van de grootse oorlogsschepen in Nederlandsch Indië. Het dient als een opleidingschip voor de leerlingen van de Kweekschool in Soerabaja (K.I.S).
De totale bemanning bestaat uit 141 Europese en 141 Inlandse schepelingen.

Voor de officieren wordt het meer gezien als een strafschip. Een aantal oudere officieren worden op dit schip geplaatst omdat ze elders onbekwame diensten hebben vervuld of ondisciplinair gedrag hebben getoond. Ook werden een paar lastige elementen, die in Soerabaja niet welgevallig waren aan boord geplaatst zo ook de korporaal-machinist Maud Boshart, omdat hij zich had laten zien tijdens de actie van de eind december als een vooraanstaand vakbondlid.
Commandant van de Eikenboom van De Zeven Provinciën was speciaal voor hem gewaarschuwd. Ook aan boord was de Inlandse matroos 1e klasse Paradja waarvan bekend was dat hij goede contacten had met nationalistische groeperingen.
Ondanks alle gebeurtenissen in Soerabaja, verloopt de reis rustig. Op 2 februari meert het schip af op de reede Oleh-leh bij Koeta Radja in Atjeh. Maar de moeilijkheden beginnen als 3 februari het bericht wordt ontvangen dat 425 inlandse dienst weigeren, volharden in hun acties en worden gearresteerd.
Dit vormt de directe aanleiding dat door enkele Inlandse wordt afgesproken in de avond van 4 februari zich van het schip meester te maken en naar Soerabaja op te stomen. Met de bedoeling om aldaar aangekomen, de Commandant van de Zeemacht te verzoeken de gevangen vrij te laten en de salariskorting niet te laten doorgaan. Daarna zal het schip aan de commandant Eikenboom weer worden teruggegeven.
Op de avond van 4 februari zijn festiviteiten speciaal voor de opvarenden van De Zeven Provinciën georganiseerd. Een groot gedeelte van de Inlandse bemanning ziet het niet zitten, omdat ze weinig zin hebben om feesten te vieren als hun kameraden in Soerabaja in de gevangenis zitten.
Wel aan wal zijn gegaan de Commandant met een aantal officieren, waarbij ook de eerste officier C. Meijer. De verantwoordelijke officier aan boord is die avond W.F.J. Fels, juist een van de officieren, die wegens slechte dienstervervulling aan boord was geplaatst. In totaal blijven 17 officieren aan boord.
De Inlandse bemanning zit het behoorlijk dwars dat het Europese personeel in Soerabaja geen solidariteit met het Inlandse personeel had getoond. Die hadden immers wel volhard in hun dienstweigering met alle gevolgen van dien. In het begin van de avond lekt het plan uit en wordt de commandant gewaarschuwd.
Hij bespreekt dit met zijn eerste officier, en beiden hechten geen geloof aan dit bericht.
Voor alle zekerheid sturen ze officier W.J. Reynierse naar het schip, die op 22.00 uur aan boord komt. Inmiddels begint daar de muiterij onder de leiding van Paradja. Ze weten zich meester te maken van geweren en munitie en dringen machinekamer binnen en brengen het schip onder stoom. Het voorschip waar het Inlandse marinepersoneel hun vertrekken hebben wordt in het donker gezet.
Verbijsterend is het hoe de officieren aan boord op dit alles reageren of beter gezegt niet reageren. "De ontdekking van de diefstal van munitie gaf de officier van de wacht, H. L. van Boven, en de verantwoordelijke officier, Fels, weliswaar aanleiding over te gaan tot een nader onderzoek, maar speciale algemene maatregelen achtte men zelfs toen niet nodig.
Ook een aantal in de longroom bridge spelende officieren, die hoorden wat er gebeurd was, zagen in het incident geen aanleiding tot nader optreden. Zij speelden gewoon verder. Pas toen de lichten op het voorschip uitgingen en er rumoer ontstond bij de geweerrekken drong tot de officieren door wat er gebeurde. Van Boven, bijgestaan door enkele onderofficieren, trachtte het stelen van de geweren nog te verhinderen, maar zij werden ongewapend als zij waren, weggedrongen.
Van Boven ging daarop naar de officiersverblijven en beval de aanwezige officieren zich te wapenen. Dit duurde zeer lang, omdat de munitie voor de pistolen (die bovendien eerst in elkaar gezet moesten worden) verpakt was in blikjes die open behoorden te springen wanneer men aan een lipje trok, maar de lipjes braken af en het openen van de blikjes werd zeer moeilijk. De andere wapens waren inmiddels in handen van het opstandige deel van de bemanning, dat elders op het schip zijn positie consolideerde. Men nam zelfs twee reeds slapende officieren gevangen".

Verslag van de voornaamste gebeurtenissen door Korporaal Machinist Maud Boshart
JA, over die muiterij is indertijd nogal het een en ander te doen geweest. Miljoenen hebben van dag tot dag met spanning de gebeurtenissen gevolgd, de koloniale autoriteiten waren in paniek, demonstraties en vergaderingen waren aan de orde van de dag en op Noord-Sumatra kwam de bevolking in opstand.
Het waren trouwens tóch moeilijke jaren voor de Nederlandse regering. In 1928-'29 waren Java en Sumatra het toneel geweest van heftige opstanden tegen het koloniale gezag, en hoewel deze met alle middelen neergeslagen waren, leefde de geest van het verzet voort. Bovendien was in 1929 de grote wereldcrisis uitgebroken, die de koloniale schatkist in enkele jaren een tekort van honderden miljoenen opleverde. Bezuinigen dus, was het parool, en het marinepersoneel van de Nederlands Indische Vloot kreeg achter elkaar een loonsverlaging van 5% te slikken en een van 8%. Toen de derde korting van 10% werd afgekondigd, was de maat toch vol.
Ik was destijds voorzitter van de Bond van Europees Marinepersoneel en we organiseerden onmiddellijk een protestvergadering waar een laaiende stemming heerste. We stuurden een telegram op poten aan de regering en zetten er o.a. in, dat het bestuur geen verantwoording op zich nam voor daden van het marinepersoneel, die tegen de krijgstucht ingingen. Waar de regering waarschijnlijk nog meer van schrok, was het besluit om contact te zoeken met de Bond van Inlands Marinepersoneel, een besluit dat dwars tegen de kastegeest van de blanke kolonialen in ging. De actie had succes, de volgende dag kregen wij bericht dat de salariskorting niet doorging.
De marineleiding had de schrik beet. Onmiddellijk werden een aantal schepen bemand. Het doel was duidelijk : op zee heerst een strengere tucht dan aan de wal, en op zo'n manier scheidde men de ,,raddraaiers" af. Ikzelf kreeg opdracht mij in te schepen op de ,,Zeven Provinciën", die op een doelloze reis van twee maanden rond Sumatra gestuurd werd.
Het werd een reis, die zowel ons als de Marineleiding nog lang zal heugen. De stemming aan boord was niet bepaald best en het smerige eten had daar voor een niet gering deel schuld aan. Een deel van de proviand bestond uit z.g. oorlogsvoorraad, die 15 jaar lang werd opgeborgen om dan vervangen te worden door verse waar. Dus hakten we 15 jaar oude stokvis uit blik en aten we capucijners van ongeveer dezelfde jaargang. 's Maandags zette de kok deze knikkers met enkele handen soda op en liet ze dan doorkoken tot donderdag, zonder dat dit enige invloed had op de hardheid. ,,Juliana-aardappels", noemden we ze.
Het regende klachten bij de commandant, die ze echter retourneerde met de opmerking dat ,,ze inderdaad niet zo vers waren, maar niet ongeschikt voor consumptie". Toen de bemanning weigerde een vriendschappelijk partijtje voetbal te spelen tegen een elftal uit Sibolga (,,met een lege maag kunnen wij niet voetballen") werd het eenvoudig tot dienst verklaard, en wie niet mee deed in de provoost gesmeten.
Toen kwam het bericht binnen, dat de salariskorting tóch doorging, al was het ,,slechts" 7 en geen 10%. De jongens waren hels over deze smerige behandeling, en via de seinkamer hoorden we van diverse acties op de vloot.
In Soerabaja hadden de marinemensen een protestvergadering willen houden en toen deze niet toegestaan werd, en bloc dienst geweigerd. Tientallen jongens waren opgesloten.
Tot onze verwondering werd een protestvergadering op de ,,Zeven Provinciën" wel toegestaan, totdat de aap uit de mouw kwam: ,,mits er niet gesproken zou worden over de salariskorting".
Onze ijverige afdelingssecretaris, die een telegram verstuurde ,,Leven met U mee. Steunen Uw actie", verdween prompt 14 dagen in de provoost. De stemming steeg tot kookhitte.
Op de rede van Oleh-Leh barstte de bom.
Om de gemoederen tot bedaren te brengen, deelde de commandant mee dat het garnizoen van Oleh-Leh ,,spontaan" f500,- bij elkaar had gebracht om een feest te organiseren,waar - o zaligheid - gedanst zou kunnen worden met blanke dames. Het bericht werd met het nodige wantrouwen bekeken, want als er ergens een controverse bestaat, dan is het wel tussen Janmaat en koloniaal soldaat. We begrepen best, dat dit feest als een bliksemafleider dienst moest doen. Weinig Europeanen aan boord maakten dan ook gebruik van de invitatie. Voor het Indonesische personeel gold de uitnodiging uberhaupt niet...
IN de nacht van de 3e februari namen de Indonesische schepelingen het besluit, de leiding van de ,,Zeven Provinciën" in handen te nemen en op te stomen naar Soerabaja om hun gevangen kameraden te bevrijden, De Europese schepelingen werden niet in vertrouwen genomen. Zij vermoedden zelfs niets.
Op de ochtend van de 4e februari had de afdelingsvoorzitter van de Inlandse Marinebond, Hendrik, wel tegen me gezegd : ,,Vanavond varen we naar Soerabaja", maar ik had het als een grapje opgevat, zo secuur was de actie voorbereid.
Wie er wel lucht van gekregen had, was de afdelingsvoorzitter van de Europese Marinebond. Met zijn reformistisch hazenhart sloop hij stiekem van boord en bleef de hele dag met zijn wetenschap ondergedoken.
Op de 4e februari had ik sloependienst (Oleh-Leh heeft geen haven en de ,,Zeven Provinciën" lag een kilometer of 12 uit de kust). Overdag was het rustig, er gingen weinig jongens naar de wal toe, maar dat was te begrijpen. 's Avonds kwam plotseling een jonge luitenant ter zee 3e klasse aanrennen, die me opdracht gaf hem naar het schip te brengen. Het bleek dat de voorzitter bezweken was onder de loden last van zijn ,,geweten" en de commandant had gewaarschuwd, die druk aan het feesten was in de KNIL-cantine. Deze beschouwde het hele voorval als een kostelijke grap, maar stuurde om gedekt te wezen, een van zijn ondergeschikten, die ik nu naar het schip bracht.
Toen wij langszij kwamen, leek het wel of de hel was losgebroken. Indonesiërs met geweren bewapend hadden het schip bezet, en de nog aanwezige officieren naar het achteruit gejaagd. Sluitstukken van kanonnen bonkten, munitieliften ratelden, zoeklichten floepten aan en uit. Beneden gaven Paradji en Gosal (de leiders) bevelen, of ze nooit anders gedaan hadden, en in de munitiebunkers werden 15-centimeter-granaten versjouwd of het een heilige zaak gold.
Bij het gezicht van de gewapende Indonesiërs schoot me één overheersende gedachte door het hoofd : als er maar geen doden vallen ! Ik rende naar achteren en trof er een aantal officieren in zak en as aan, die me toesnauwden dat ik maatregelen moest treffen en de situatie redden. Probeer in deze omstandigheden maar eens iets te regelen of te redden. Niettemin beloofde ik mijn best te doen en ik zag ze zichtbaar met hun staart kwispelen. Natuurlijk viel er niets te doen. De Indonesiërs hadden de zaak stevig in handen, Ik bezwoer hen niet te schieten en kreeg na veel moeite de belofte los dat de wapens niet gebruikt zouden worden, als de officieren zich maar koest hielden.
Een van de ,,helden" probeerde toch nog naar de radiohut te sluipen en ik kon nog net voorkomen, dat hem het levenslicht werd uitgeblazen, ,,Hè, wat jammer, korporaal", zei een van de Indonesiërs spijtig, ,,Het was net zo'n hond.
Terug in de ,,commandohut" hoorde ik, dat de seinkamer nog steeds in handen was van een officier en een lid van de bemanning vroeg wat hij moest doen. ,,Haal hem eruit, en als hij niet wil, schiet je hem eruit", was het konsekwente bevel. Ik verzocht en kreeg verlof deze zaak in orde te maken, greep een ergens rondslingerend pistool (dat overigens niet geladen was) en rende naar de seinkamer, waar onder bedreiging van het pistool van een zekere baron De Vos van Steenwijk een Europese seiner nog steeds aan het werk was. Toen de baron mijn pistool zag, ging hij mak als een lammetje mee naar achteren.
Bij stukjes en beetjes kreeg ik nu te horen hoe de muiterij begonnen was. Oorspronkelijk was het de bedoeling, dat ze om 1 uur 's nachts uitgebroken zou zijn. Paradji was echter 's middags betrapt, toen hij de munitiekisten openbrak, de patronen had hij aan Gosal kunnen doorgeven, maar zelf moest hij op het matje komen bij de eerste officier. Deze haalde de grootste stommiteit van zijn leven uit, door Paradji te bevelen zich eerst behoorlijk te kleden (hij had slechts een korte broek en een baadje aan).
Paradji alarmeerde natuurlijk de gehele leiding en een bestorming van de geweerrekken was de volgende akte. De muiterij was hiermee een feit geworden. Toen alle officieren tenslotte in betrekkelijke veiligheid achteruit opgeborgen waren, ging ik naar beneden en vond er een aantal Europese en Indonesische stokers druk bezig met stoom maken, om de machines op gang te krijgen en om middernacht stoomde de ,,Zeven Provinciën" voorzichtig naar open zee.
Om enig begrip te krijgen van de bekwaamheid van de Indonesische schepelingen kan het volgende wel als illustratie dienen. De rede van Oleh-Leh is een gevaarlijk vaarwater. De commandant was midden op de dag binnengekomen op twee machines, zijn roer en een sleepboot voor assistentie.
De ,,Zeven Provinciën" voer weg, alleen manoeuvrerend op zijn machines (de stuurmachine was door de officieren vastgezet) en in een stikdonkere nacht. Bovendien lag er nog een aantal sloepen langszij, waarvoor geen tijd meer was om die te hijsen.
De muiterij was een enorme klap voor het koloniale regime, Haar politiek van ,,verdeel en heers" had volledig gefaald. Niet alleen had ze een sterke tegenstelling tussen Europees en Indonesisch personeel geschapen, maar ook tussen de verschillende Indonesische bevolkingsgroepen onderling.
Een Menadonees had een hogere salariëring als een Ambonnees en deze had weer meer als een Javaan. Maar nu hadden de Indonesiërs alle scheidingen overboord gegooid en werkten eendrachtig om de ,,Zeven Provinciën" naar Soerabaja te krijgen.
En dan de klap die het blanke superioriteitsgevoel kreeg : De voorstelling, dat Indonesiërs alleen maar minderwaardige baantjes konden opknappen, werd volledig gelogenstraft. Zonder enige zeevaartschoolopleiding nam de matroos Paradji de leiding over het schip. Als navigator fungeerde matroos le klasse Kawilaran, waarbij heel wat Europese navigatie-officieren nog een lesje konden nemen. Verder zaten nog in de leiding de telegrafist Rumambi, de stoker-olieman Hendrik en korporaal-ziekenverpleger Gosal.
Gedurende de nacht had ik de wacht in de machinekamer op mij genomen. Ik voelde me hondsmoe, maar van slapen zou de komende tijd wel niet veel komen.
De volgende dag probeerden de officieren onderhandelingen aan te knopen met de Indonesiërs, die daar echter geen barst voor voelden. Zij waren nu de baas aan boord, en zij waren zich daarvan goed bewust. Het enige waar zij in toestemden was, dat de commandant voor Soerabaja aan boord kon komen en eerder niet.
Inmiddels kregen we een gouvernementsstomertje, de ,,Aldebaran" in zicht, afgeladen met soldaten en de rest van de officieren, die op deze wijze weer aan boord wilden komen. Het was verrassend te zien, hoeveel snelheid het scheepje ontwikkelde om weg te komen, toen Paradji er een paar 15-centimeter-kanonnen op liet richten.
De officieren achteruit schikten zich nu in het onvermijdelijke en gaven het Europese machinekamerpersoneel zelfs officieel toestemming hun werk te doen,...aangezien er toch niets anders op zat.
De telegrammen die de seinkamer overstroomden met bevelen om ons over te geven werden beantwoord in de geest van ,,Stomen op naar Soerabaja. Actie bedoeld als protest tegen salarisverlaging en gevangen marinemannen.
Vier dagen lang gebeurden er eigenlijk geen schokkende dingen.
Gouverneur-generaal Jhr de Jonge(klik voor groter) Toch lijkt er een kink in de kabel te komen. De commandant van De Zeven Provinciën is aan boord gegaan van een schip van de gouvernement marine de 'Aldebaran' om te proberen De Zeven Provinciën in te halen. De muiters van hun kant laten weten dat als het schip dichter bij dan vijf mijlen zou komen zij niet zullen schromen het vuur te openen.
Inmiddels zit men in Soerabaja niet stil. Door de hoogste marine leiding wordt in overleg met de Gouverneur-generaal Jhr de Jonge wordt besloten het schip aan te vallen vlak voordat het schip de straat van Soenda zou binnenvaren.. Zo wordt een eskader gevormd met de kruiser Java, torpedobootjagers Evertsen en Piet Hein, de onderzeeboten KVII en KIX en een aantal vliegtuigen. Men zou eerst een waarschuwingsbom voor het schip gooien, wanneer men zich daarna niet zou overgeven zou het schip gebombardeerd worden.
Maud Boshart :
Op de 5e dag kregen wij echter een eskader van de Nederlandsindische vloot in zicht Van de kruiser ,,Java" kwam het bevel de witte vlag te hijsen, maar de leiding van de ,,Zeven Provinciën" weigerde vierkant en stuurde een telegram terug : ,,Stomen op naar Soerabaja. Wensen niet gehinderd te worden".
Ik drong aan op overgave, omdat we geen schijn van kans hadden. De ,,Zeven Proviniën" was een van de oudste schepen van de vloot, langzaam als een slak, zonder enige luchtafweer en in de lucht hadden we een eskader Dornier-bommenwerpers ontdekt. Het was duidelijk, dat niet overgeven tot bloedvergieten zou leiden.
Mijn pogingen waren echter nutteloos en ik liep de commandobrug af. Ik was er misschien 10 meter van verwijderd, toen een bom met een geweldige slag op het schip viel, een ontzettende vuurzuil spoot op en als een vlijming ging het door mij heen dat op de plaats waar het moordwerktuig viel een groot aantal mensen naar de vliegtuigen had staan kijken. Door de luchtdruk was ik tegen het dek geslagen en krabbelde overeind om beschutting te zoeken.
de schade na de bominslag
Vlak daarop kwamen nog drie bommenwerpers overgevlogen. Allen vlogen zeer laag zodat het uitgesloten moet worden geacht dat ook maar één projectiel gemist had. Ze gooiden echter niets en nadat die vliegtuigen over waren, ging ik direct naar vooruit.
Tranen sprongen me in de ogen. Daar lagen ze ! Jongens, kinderen nog met vaneen gereten ledematen; enigen stonden in brand, anderen wentelden zich met afzichtelijke wonden in hun eigen ingewanden. Een kameraad van mij, een tamboer, had een vuistgroot gat in de borst waaruit de overblijfselen puilden van wat eens zijn altijd voor een ieder warm kloppend hart was.
Een ontzettende ravage was aangericht; stalen platen verbogen, dekbalken aan splinters en om en boven dit alles speelden kleine vlammetjes van een blauwgele kleur. Het was een diep, diep treurig gezicht, doch tijd voor nadenken was er niet. De brand greep al verder en verder om zich heen en daar de machinisten aan boord altijd zijn ingedeeld bij de brandweer snelde ieder naar zijn post en werd de brand snel geblust. Daarna telden we de slachtoffers.
Het grootste deel van de leiding was gedood, Kawilaran en Rumambi ernstig gewond. De grote machines waren direct na het vallen van de bom gestopt en het schip ging niet meer vooruit. Vele mensen waren over boord gesprongen, niet achtend de vele haaien die dit gedeelte van de Indische Oceaan rijkelijk bevolken ! Een sleepboot pikte hen later op.
De radiohut stond in brand maar de Europese telegrafist, die direct na het bombardement achter het toestel was gaan zitten, bleef op z'n post. Ondertussen was ik naar achteren gegaan om tegen de officieren te zeggen dat ze de zaken weer in handen konden nemen. Verreweg het grootste gedeelte van de inlandse leiders was gedood en Kawilaran voorlopig buiten gevecht gesteld door een gapende wond aan zijn slaap. Ook een officier, die aan dek stond had een lichte wond in de voet bekomen. De spiegels namelijk van het zoeklicht waren door de geweldige luchtdruk aan splinters geslagen en een stukje glas had genoemde heer in zijn voet gekregen".
Ook Paradja de belangrijkste leider van de muiterij werd daarbij gedood. Behalve de materiële schade zijn er 19 doden (3 Europeanen en 19 Inlanders), 11 zwaar gewonden waarvan er 4 later overlijden en 7 lichtgewonden. Sloepen met gewapende manschappen kwamen langzij en begonnen ons te arresteren.
Pas toen de brand geblust was durfden de officieren uit het achteruit te komen. Maar de dokter weigerde de gewonden te behandelen ,,voor zij onder arrest gesteld waren".
"Voorlopig werden de inlanders naar de Java vervoerd en wij aan boord van de Orion een klein scheepje van de gouvernementsmarine geladen. Spoedig kwamen ook enige officieren van De Zeven Provinciën en met hen hebben we aangenaam staan praten. Allen waren over het gedrag van de Europeanen in het algemeen en mij in het bijzonder, ten zeerste tevreden.
Sigaren werden uitgedeeld en een van de heren hield niet op of hij moest mij de hand drukken. Hij beweerde dat de officieren blij geweest waren dat ik aan boord gezeten had die avond, dat ik veel erger had kunnen voorkomen en daarbij mijn leven had op het spel gezet, enz., enz.
Ik maakte deze heren er echter op attent dat we voorlopig als de ergste boeven werden behandeld maar, zoals onze superieuren beweerden, zouden zij wel zorgen dat zulks gauw afgelopen was".
De muiterij op de ,,Zeven Provinciën" was geëindigd.....
De wraak van de kolonialisten kon beginnen.
NATUURLIJK was het voor de autoriteiten onmogelijk te erkennen, dat de Indonesiërs de leiding hadden gehad Dat kon niet, dat mocht niet, ,,Ze zijn nog te stom om stuurboord van bakboord te onderscheiden", had de commandant in Oleh-Leh gezegd en welk een invloed zou het hebben op het zelfbewustzijn van het Indonesische volk, als het zou horen dat een doodgewone matroos dezelfde bekwaamheden had als een met goud bestikte ,,Toewan blanda", De Hollanders aan boord hadden dus de muiterij georganiseerd en geleid, besliste de Marineleiding, en alles werd in het werk gesteld om de feiten aan te passen aan deze voorstelling.
Het was dus een situatie, waarin ,,Barbertje moest hangen" en het Barbertje dat het hoogst moest hangen, was ik. Was ik geen voorzitter van de Marinebond ? Had ik niet aangedrongen op samenwerking met de Indonesische schepelingen ? Had ik niet de radiohut bezet ? Had ik niet... enfin, niet de feiten, maar de Marineleiding stelde vast wat er gebeurd was.
Iedere bewering van ons bij het vooronderzoek, dat niet in het patroon van de Marineleiding paste, werd beantwoord met: ,,Sluit die kerel in de boeien". Elke verzachtende omstandigheid die we naar voren haalden, had een ,,Je liegt natuurlijk" tengevolge en werd als niet terzake doende opzij geschoven.
De leugens van de officieren werden echter voor zuivere waarheid aangenomen. En óf die kerels logen. Natuurlijk deden ze dat, Als zij onze verklaringen beaamden, zou heel hun laffe en zielige houding tijdens de muiterij aan het licht zijn gekomen en daar pasten de heren wel voor op. Verklaringen van ons ontkenden zij glashard of ze ,,konden het zich niet meer herinneren", wat voor ons op hetzelfde neerkwam.
Tenslotte werd het zelfs zo gek met het onderzoek, dat een der officieren, tegelijk als getuige à charge, als beklaagde en als leider van een deel van het vooronderzoek optrad. We werden er niet meer warm of koud onder. We beseften dat dit niets meer met recht te maken had en probeerden ons in de omstandigheden te schikken.
En die omstandigheden waren beroerd genoeg. We werden van de ene naar de andere gevangenis gesleept, als misdadigers behandeld. Als moordenaars aan elkaar geketend.
Tenslotte de comedie voor de krijgsraad. We lieten ons echter niet intimideren, ondanks het feit dat we wisten tegen de bierkaai te vechten, beten we stevig van ons af.
In totaal werden 644 jaar tegen ons geëist, Tegen mij 16 jaar, We vertrokken geen spier, en de heren achter de groene tafel waren zichtbaar teleurgesteld over onze houding.
In ieder geval smaakte ik de vreugde na 9 maanden eenzame opsluiting weer bij mijn kameraden te komen. Voor het Hoog Militair Gerechtshof in hoger beroep. Weer dezelfde comedie. Mijn ,,raadsman" (die ik met nog 19 andere beklaagden deelde) drong aan op clementie. Maar we wilden helemaal geen clementie, wij wilden RECHT, Bij het slotwoord verdedigde ik me tenslotte zelf en kreeg 6 jaar van mijn straf af. De uitspraak was ,,slechts" 10 jaar....
gevangenis Indonesië
Terug naar Holland. Drie jaar opsluiting in Leeuwarden. Onder één dak met moordenaars, maar in een hemel vergeleken met de Indonesische gevangenissen.
Voordat de direkteur er ook maar iets van wist, deden er eind 1936 geruchten de ronde dat we gratie zouden krijgen, als Prinses Juliana in het huwelijk zou treden. Niemand had dan ook zo'n belangstelling voor het wel en wee van Prins Bernhard als wij, toen hij met zijn wagen tegen een zandauto opvloog.
Die geruchten bleken waarheid te bevatten.
Bij het huwelijk kregen we een derde strafvermindering en de rest als voorwaardelijk. Een aantal van onze Indonesische kameraden is echter pas vrijgelaten, toen in 1942 de Japanners Indonesië bezetten.
zeekrijgsraad Verhoor Zeekrijgsraad van W.F.J. Fels Kreeg 6 maanden wegens plichtsverzuim.
'In het begin had ik al mijn gedachten nog zeer goed bij elkaar'
,,Op zaterdag 4 Februari 1933 bevond Hr. Ms. 'De Zeven Provinciën' zich ter reede van Oleh-leh, ten anker, ongeveer 1000 M. uit den wal. Ik was dien dag officier van dienst, chef van de wachtdivisie. Ik was de oudste der aan boord aanwezige officieren. Ik ben ruim 9 uur naar kooi gegaan.
(W.F.J. Fels, was juist één van de officieren, die wegens slechte dienstervervulling aan boord van de De Zeven Provinciën was geplaatst.)
Omstreeks half tien kwam de officier van de eerste wacht de Luitenant ter zee Van Boven mij rapporteeren dat er was ingebroken in een verlaatrolkast. Ik kon niet opmaken wanneer dat gebeurd zou zijn. Ik had den indruk dat hij het zelf niet wist. Ook is er over munitie gesproken.
In elk geval heb ik Van Boven direct opgedragen onmiddellijk te onderzoeken of er munitie ontvreemd was. Ik bleef in mijn hut en even later kwam de van den wal teruggekomen Luitenant ter zee der 3e klasse Reijnierse mij rapporteeren namens den eersten officier dat er aan den wal een telefoonbericht was gekomen, dat de korporaal der mariniers Van Haastrecht gewaarschuwd had dat het schip dien nacht onder stoom zou gaan naar Soerabaja.
klik voor groter Ik vatte dit bericht als een soort mop op, vooral omdat Reijnierse op schertsenden toon sprak en ook omdat ik overtuigd was, dat als óf de Commandant, óf de 1e Officier ook maar eenige schijn van waarheid van dit bericht vermoed hadden, zij dan zelf naar boord gekomen zouden zijn.
Ik had mij ondertusschen gekleed, ging mijn hut uit en in de walegang komende, hoorde ik door iemand zeggen, door wien weet ik niet, dat de Inlandsche schepelingen blijkbaar iets in hun schild voerden, omdat zij morrelden aan de geweerrekken. De Luitenant ter zee Van Boven kwam naar achteruit loopen en riep : 'Zij hebben het tegen ons'.
Ik heb toen order gegeven om de pistolen te laden. Dit ging met allerlei moeilijkheden gepaard en het heeft zeker wel een kwartier geduurd, voordat ik, gevolgd door enkele andere officieren via de campagne op het halfdek ben gekomen. Ik had mij in dat kwartier verschrikkelijk opgewonden. Ik begreep natuurlijk dat er kostbare tijd verloren ging. In het begin had ik al mijn gedachten nog zeer goed bij elkaar.
Aan dek gekomen zag ik, dat het daar vol stond met ongewapende menschen, alles stond door elkaar, Inlanders en Europeanen. De menschen die aan dek stonden namen een afwachtende houding aan, doch deden mij en de andere officieren niets.
De kleine motorsloep voer langs het schip. Ik heb deze kleine motorsloep luide gepraaid van langszij te komen, doch mijn order werd niet uitgevoerd. Ik wil nog opmerken dat ik van te voren aan den korporaal machinist Boshart gevraagd had, wat er loos was met de groote motorsloep. Het optreden van Boshart was toen meer dan schandelijk, hij schreeuwde gewoon tegen me.
Dit is een van de factoren die de oorzaak zijn dat ik overstuur raakte. Ik was totaal machteloos en radeloos en voelde heel goed, dat ik niet in staat was om aan boord iets te beginnen. Ik kwam zoodoende tot de overtuiging dat de communicatie met den wal tot elken prijs hersteld moest worden, teneinde de Commandant te waarschuwen en hulp te halen van het garnizoen te Kotaradja.
klik voor groter De vlet werd juist gestreken en toen dit geschied was heb ik mij langs de voortakel in de vlet laten zakken. Wij zijn toen naar de Aldebaran geroeid waar ik de motorsloep ter beschikking kreeg. Ik ben naar den steiger gegaan en heb den Commandant telefonisch gewaarschuwd. Toen ik in de motorsloep zittende bemerkte dat De Zeven Provinciën onder stoom ging, begreep ik dat alles verloren was.
DE MUITERIJ OP DE "ZEVEN PROVINCIEN"
Verslag van Gouverneur-generaal Jhr de Jonge.
Gouverneur-generaal Jhr de Jonge(klik voor groter) Zondag, 5 Februari, kwam het ontstellende bericht, dat den vorigen avond muiterij was uitgebroken op de 'Zeven Provinciën', liggende op de reede van Oleh-leh, terwijl de commandant met 15 officieren en ongeveer 100 onderofficieren en manschappen aan wal waren. Naar verluidde hadden de inlandsche schepelingen om ongeveer 10 uur 's avonds zich van wapenen meester gemaakt, de aan boord gebleven officieren overmand, daarna het anker gelicht en om 2 uur 's nachts de reede van Oleh-leh verlaten in Westelijke richting. De commandant en een gedeelte van de officieren en bemanning hadden zich terstond ingescheept op de 'Aldebaran', een schip van de Gouvernementsmarine, teneinde het muitende schip te volgen en zoo mogelijk dit weer in bezit te nemen. Die dag van Zondag, 5 Februari, was vol spanning, een zenuwachtige dag vol telefoons en telegrammen. Waar ging het schip heen ? Zouden wij de schande moeten beleven van een aandoen van Penang of Singapore ? Wat er gebeurd was, was al erg genoeg : een dolle hond was losgebroken en maakte de zeeën onveilig.
Alle autoriteiten en scheepvaartmaatschappijen moesten aanstonds gewaarschuwd worden. Gelukkig bleek al spoedig, dat het schip om de Noordpunt van Sumatra heen voer en langs de Westkust verder koerste. Dat gaf even tijd om zich te beraden. Maandagmorgen had ik tot dit doel een onderhoud met den Vlootvoogd. Deze wilde het schip attaqueeren vóór Padang met vliegtuigen. Toen hij weg was, dacht ik de zaak nog eens door en vond zijn plan niet doeltreffend. Ik liet toen dadelijk een auto voorkomen en ging zelf naar het Dept. van Marine.
Ik twijfelde aan de mogelijkheid van een doeltreffenden aanval, dus alleen attaqueeren in geval van noodzaak, te weten, als het schip Padang zou willen aandoen, wat allerminst gewenscht werd geacht. Mijn twijfel werd in zoover bewaarheid, dat van de 3 uitgezonden vliegtuigen slechts 1 Padang bereikte. En dit behoefde gelukkig niet op te treden, omdat het schip Padang voorbij voer. In dat geval, had ik met Osten (Commandant Zeemacht) afgesproken, zouden wij het laten varen tot Straat Soenda, waar het per se zou worden opgevangen. In dien tusschentijd konden wij onze strijdkrachten daar geconcentreerd hebben om er een eind aan te maken.
Vergeten mocht niet worden, dat de 'Zeven Provinciën' 28 cm geschut aan boord had, terwijl de 'Java' niet meer dan 15 cm geschut voerde. Wij moesten bovendien werken met vliegtuigen, die slechts 6 uren in de lucht konden blijven (men kan het zich tegenwoordig bijkans niet voorstellen !), zoodat de aanval moest plaats hebben niet te ver van de basis Telokbetong. Bovendien verkreeg ik het voordeel, dat er gedurende enkele dagen kans bleef bestaan, dat men tot bezinning zou komen en de officieren weer meester van het schip zouden worden. Zo gauw als ik het hierover met Marine eens was geworden, seinde ik naar Holland : zoo doe ik het.
Ik gevoelde de absolute noodzakelijkheid de zaak geheel in eigen hand te houden en niet afhankelijk te worden van instructies, gegeven of gesuggereerd door hen, die voor een groot deel verantwoordelijk waren voor het feit, dat Indië met een roode vloot zat opgescheept en die toen zeer gemakkelijk hun gloeiende verontwaardiging en ontembare vaderlandsliefde konden uiten, terwijl wij in Indië het vuiltje hadden op te knappen.
Ik heb nimmer betreurd, dat ik mijn wil om de 'Zeven Provinciën' pas in Straat Soenda aan te pakken heb doorgezet. Maar de dagen, die aldus verloop en moesten, waren wel vol spanning en zenuwsloopend. Om het schip zelf waren wij niet zoo erg ongerust. Het zond den 6en Februari ('aan de wereldpers' !) het volgende communiqué uit in het Engelsch en het Hollandsch : 'De Zeven Provinciën is in handen der bemanning. 'Wij zijn van plan naar Soerabaja te varen en hebben geen geweld in den zin. Wij zullen een dag vóór Soerabaja officieel het commando overgeven aan den commandant. Ons doel is te protesteeren tegen de onrechtvaardige salarisvermindering en het in hechtenis nemen van menschen, die er tegen protesteerden. Er zijn geen gewonden aan boord, alles is wel.'
Maar wat wel reden tot groote spanning gaf, was de vraag hoe de andere gezagsapparaten zich zouden houden. Of de infectie zou doorwerken, welke maatregelen in verband met de mogelijkheid daarvan nog genomen moesten worden en hoe de reactie in het algemeen zou zijn. Niet alleen in Indië, maar ook in het Moederland en het buitenland. De buitenlandsche pers, die zich algemeen met het geval bemoeide, was weinig vriendelijk.
Na de bom werd de toon behoorlijker : de Engelsche vloot werd in 1931 niet op gelijke wijze tot gehoorzaamheid gebracht. In Nederland en Indië maakte de muiterij zeer diepen indruk. We kregen natuurlijk aanstonds een interpellatie in de Tweede Kamer, waarbij de houding van socialisten en communisten ergerlijk was, al spanden de uitlatingen van Ir. Cramer in een protestvergadering van de S.D.A.P. te Amsterdam de kroon !
Hiertegenover stonden gelukkig tal van bewijzen van diepe verontwaardiging en groote loyaliteit, maar ik was toch blij, dat ik mijn standpunt bepaald had toen ik hoorde, dat ook Colijn van leer getrokken had en het schip aanstonds getorpedeerd wenschte te zien !
In Indië waren het zeer zenuwachtige dagen, die toen volgden. Iedereen wond zich op over dat muiterschip, dat maar rustig en ongemoeid verder ging, het was wel moeilijk kalm te blijven en pal te blijven staan. Van alle kanten kwamen loyaliteitstelegrammen binnen en betoogingen werden op verschillende plaatsen gehouden. Het was zooals Zentgraaff opmerkte in de Java-Bode van 11 Februari : 'Wij gelooven niet, dat wij in een lange journalistieke loopbaan in Indië ooit een gebeurtenis meemaakten, welke zóó diep in hart en hoofd van het gansche publiek sloeg als deze'.
Op 7 Februari was het de beurt van Batavia. Een groote loyaliteitsbetooging werd georganiseerd op het Waterlooplein, waar in den avond verschillende sprekers het woord voerden. En vandaar ging het naar het paleis. Het was een opgewonden, joelende duizendkoppige menigte, die daar het voorerf van het paleis opstroomde. Het plan van de politie om haar op het grasveld te houden mislukte volkomen, pas aan den voet van de groote trap kon zij tot staan worden gebracht. Een comité werkte zich los en kwam op de voorgalerij, waar wij verzameld waren.
Een zekere heer Hoekstra hield een korte toespraak, waarna ik van het bordes tot de menigte gesproken heb. Het was een merkwaardig oogenblik. Geprepareerd had ik niets, ik wist niet vooruit wat er gebeuren zou. Maar er waren toen twee dingen in mijn bewustzijn : laat ze begrijpen, dat het uitstel van executie opzettelijk is en tracht de groeiende stemming tegen den Inlander te kalmeeren.
Vooral voor dit laatste was ik werkelijk beducht, men schreef toen nog de geheele muiterij aan de inlandsche schepelingen toe en wist nog niet, dat ook Europeanen daaraan een werkzaam aandeel hadden genomen. Bij de verschillende uitingen van loyaliteit viel al meer en meer een anti-inlandsche stemming waar te nemen. Het mankeerde er nog maar aan, dat zulk een opgewonden menigte in dit opzicht zich aan daden zou te buiten gaan !
Ik sprak ongeveer als volgt na bedankt te hebben voor de betooging : 'Wat gebeurd is, is ernstig, zeer ernstig. Maar wij gelooven er op te mogen vertrouwen, dat deze misdadige en roekelooze onderneming tot mislukking gedoemd is en tot niets zal leiden. Alle maatregelen zijn getroffen en zullen ten uitvoer worden gebracht op het oogenblik, dat der Regeering juist voorkomt. Wat gebeurd is, is treurig, zeer treurig. Maar wij mogen niet vergeten wat er aan vooraf gegaan is.
Veertig Hollandsche jongens moesten door maréchaussées naar Malang gebracht worden. Hollandsche jongens, die het goede voorbeeld hadden moeten geven, maar het tegendeel gedaan hebben ! En daarom is het noodig, dat wij de hand in eigen boezem steken. Eén voordeel hebben gebeurtenissen als deze nochtans : zij openen de oogen en roepen het verantwoordelijkheidsbesef wakker, dat rust in ieder, die behoort tot de natie, welke groot is geworden onder de leuze : Ik zal handhaven. Dat zit in ons bloed en dat kunnen wij niet verloochenen.
Wel zijn er onder U, die zeggen : 'De Regeering is onze vijand', 'maar dat is niet het geval. Zij is er om te handhaven. Ook gij wilt handhaven, zonder onderscheid van ras of stand, wat hier in 300 jaren is tot stand gebracht, handhaven de samenleving, die hier is opgebouwd en waarin gij Uw brood verdient. In tijden van voorspoed, maar bovenal in tijden van tegenspoed wilt gij handhaven. Juist dan gevoelt gij de reactie en zegt de man, die zijn inkomsten ziet verminderen, 'ik zal handhaven'. En dat zegt ook de man, wiens salaris is teruggebracht, en zelfs de man, die werkloos is geworden, roept : 'denk je, dat je mij klein krijgt ? Neen, ik zal handhaven'. 'In U allen is dat gevoel wakker geworden en daarom zijt gij hier. Laat ons dat gevoel bezegelen door met mij uit te roepen : Leve de Koningin.' Deze woorden schijnen wel indruk gemaakt te hebben. Zeker is het, dat bij het uitspreken daarvan die duizenden opgewonden menschen muisstil waren, zij, die op den weg stonden, konden mij over het voorplein heen woord voor woord verstaan.
Ritman schreef in het Batavia Nieuwsblad van 8 Februari : 'Hoog boven de beteekenis van de bijeenkomst op het Waterlooplein zien wij de demonstratie voor het Paleis en het in de geschiedenis van Indië tot gisteren onbekende feit, dat de vertegenwoordiger van de Koningin het woord rechtstreeks richtte tot 'de burgerij', op het voorplein van zijn paleis verzameld, en dat deed in een woord, dat in eenvoudige rechtuitheid van hart tot hart ging.'
Op 8 Februari had ik een vergadering van den Raad van N.I. belegd ter bespreking van den toestand. Ik deelde mede hetgeen met den Vlootvoogd was overeengekomen, nl. dat het schip bij Straat Soenda zou worden aangepakt. Daarna vroeg ik aan de Legercommandant en de Procureur-Generaal of deze gevaar zagen voor sympathiebetuigingen te land. Voor leger en politie werd ingestaan, maar niettemin drong ik op uiterste waakzaamheid aan.
De Procureur Generaal, Mr. Verheyen, kondigde daarop aan een voorstel om alle politieke actie te verbieden aan de gezagsapparaten: politie, leger en vloot. Daarover ontspon zich een langdurige discussie, waaraan twijfel ten grondslag lag of een zóó drastische maatregel reeds noodig geacht moest worden. Intusschen naderde het schip Straat Soenda, waar de maritieme strijdkrachten toen geconcentreerd waren.
Om 9 uur 's morgens van den 10e Februari had de ontmoeting plaats ! De vliegtuigen gaven een sommatiesein af, luidende : 'Geeft U onvoorwaardelijk over of geweld zal worden gebruikt, stoppen en witte vlag hijschen'. Daarop werd geantwoord : 'De bemanning heeft absoluut geen communistische neiging en geen geweld in zin doch protesteeren tegen salariskortingen en de gevangenneming van de protesteerende, wil ons niet hinderen, alles wel aan boord.'
Om 9.15 werd de bom geworpen, die het schip trof. Tot bij zessen heeft het dien dag geduurd, voordat ik bericht heb kunnen krijgen wat de gevolgen waren. Bekend was, dat het schip zich dadelijk had overgegeven, ook, dat er slachtoffers waren, maar niet hoeveel en wie. Tenslotte bleek de bom wondergoed te zijn neergekomen, vooraan te midden van de muiters, van wie 23 werden gedood, 3 Europeanen en 20 Inlanders.
De consternatie was allerwege ontzettend, maar toch, men gevoelde ook de opluchting. De gevolgen waren wel heel erg, de klap was wel zeer hard aangekomen. De vraag rees dan ook dadelijk of de bom wel een waarschuwingsbom was geweest, zoo als volgens de instructie geworpen had moeten worden vóór den boeg van het schip om dan pas met de tweede bom het schip te raken.
Men kan van meening zijn, dat na de sommatie van geen waarschuwingsbom meer sprake kon zijn, of dat de bom, hoe ook bedoeld, haar werk in ieder geval doeltreffend had gedaan. Maar een feit was, dat opdracht was gegeven tot het plaatsen eerst van een waarschuwingsbom vóór het schip en daarna pas van een treffer op het schip. Was aan die opdracht voldaan ? Het was een punt van belang, vooral voor Holland, waar te verwachten was, dat de Regeering heel wat over het geval te hooren zou krijgen.
In de vergadering van den Raad van N I. op 15 Februari werd de geheele situatie nog eens overzien en ook speciaal dit punt besproken. Op mijn kort gestelde vraag of we nu met een raak, dan wel met een misschot te doen hadden, beweerde de Vlootvoogd, dat het een misschot geweest was. De order was : zoo dicht mogelijk vóór den boeg, omdat het laten vallen van een bom op grooten afstand natuurlijk geen indruk zou hebben gemaakt.
Van een hoogte van 1200 meter kan men de plaats van neerkomen niet volstrekt nauwkeurig bepalen, zoodat in dit geval de bom op het schip in plaats van vlak daarvóór is terecht gekomen. In de Notulen van die vergadering staat, dat het mij verheugde zulks te hooren, dat ik dus constateeren kon, dat de gegeven instructie in overeenstemming was geweest met hetgeen tusschen Vlootvoogd en mij was afgesproken.
Achteraf is echter gebleken, dat het een raakschot en geen misschot is geweest. Hierdoor is de Regeering in een onaangename positie gekomen. Men heeft, ook in Nederland, steeds het werpen van de bom zonder omwegen verdedigd, maar heeft altijd volgehouden, dat de bedoeling was geweest een waarschuwingsbom vooraf te doen gaan. De Marine heeft de Regeering steeds in dien waan gelaten.
Maar toen dit standpunt bestrijding vond, die niet tot zwijgen was te brengen, heeft eerst de volgende Vlootvoogd, Van Dulm, de waarheid aan het licht weten te brengen. En deze was anders dan de Regeering meende. Hiermede kom ik aan twee punten, die ik de Marine zeer kwalijk genomen heb : 1e. een uitdrukkelijk gegeven instructie bleek zelfs in een militaire organisatie als de Marine niet te zijn doorgedrongen tot hem, die op een gegeven oogenblik de instructie moest uitvoeren, en 2e.. de Marine heeft geruimen tijd de Regeering in een waan gelaten, waarmede men wist, dat de werkelijkheid niet overeenstemde.
Wat het eerste punt betreft, zat de zaak zoo, dat ter opvanging en bestrijding van het muitende schip onze vliegtuigen werden geconcentreerd te Telokbetong. Den avond vóór den aanval deelde de commandant (Carel van Asbeck) aan zijn mannen mede wat de bedoeling was, dus : eerste bom vóór het schip als waarschuwing en dat overigens bij den aanval de staat van oorlog moest geacht worden te zijn ingegaan.
Het ongeluk wilde, dat bij die bespreking één van de piloten ontbrak. Ik acht het een fout van den commandant, ook al is hij overigens mijn hooggeachte neef, dat hij niet gezorgd heeft ook dien man op de hoogte te stellen. Zooals het nu geloopen is, hoorde deze man van zijn kameraden wat er gedaan moest worden. En laat nu het ongeluk willen, dat den volgenden dag 4 of 5 van de 9 vliegtuigen uitvielen en juist die niet behoorlijk geïnstrueerde man voor de taak kwam te staan om de eerste bom te werpen !
En was het wonder, dat die man toen bij zichzelf ging overleggen : staat van oorlog en waarschuwingsbom, dat gaat toch niet samen ! ? En kan men hem kwalijk nemen, dat hij tot de conclusie kwam het schip werkelijk te moeten raken, daartoe vóór het schip, dat in beweging was, mikte, zoodoende het schip trof en aldus een prachtig in de roos schoot ? Immers neen, maar onvergeeflijk was, dat, hoe dan ook, een van hooger hand gegeven instructie bij de Marine niet tot uitvoering was gekomen en dat daarna de ware gang van zaken voor de Regeering verdoezeld is, doordat men haar in den waan heeft gelaten, dat een waarschuwingsbom was geworpen op grond van het feit, dat vóór het schip was gemikt, hetgeen op zichzelf juist was, terwijl de bedoeling en ook het resultaat een voltreffer was geweest.
De Regeering heeft dan ook later moeten erkennen een verkeerde voorstelling van zaken te hebben gegeven, wat nooit aangenaam is, maar vooral pijnlijk was in een zaak als deze.
Nog een ander hoogst onaangenaam gevolg heeft deze zaak gehad. Hoewel geheel ten onrechte schijnt de officier-vlieger Coppers, die de bom had geworpen, daarvan nadeel ondervonden te hebben. Hij kreeg het idee, dat men hem daarop aanzag en hem deswege 'zocht', dit schijnt zich tot een complex ontwikkeld te hebben en zoo werd hij inderdaad ongeschikt voor bevordering, deshalve hij vóórtijdig met pensioen is gegaan.
Vlak voor zijn vertrek liet hij zich interviewen, waarbij ook de geschiedenis met de bom ter sprake kwam. Op grond hiervan werd hij in Februari 1936 door de Marine-autoriteit van het vertrekkende schip gehaald om zich terzake disciplinair te verantwoorden. Het geval Coppers was wel een heel onverkwikkelijk en onverdiend fini de carrière voor dezen man. Onverdiend, want het kan niet ontkend worden, dat de bom zuiverend heeft gewerkt en nuttig effect heeft gehad.
zeekrijgsraad Verhoor Zeekrijgsraad van onderofficier G. Smits kreeg 4 jaar wegens plichtsverzuim.
Ik diende als ondergeschikte officier van den marinestoomvaartdienst. Ik heb nooit iets gemerkt van een stemming die wees op het naderen van onregelmatigheden.
Bij het aan boord komen werd mij een pistool verstrekt zoomede een doosje met patronen. Het mij verstrekte pistool en het gesloten doosje met patronen heb ik in een gesloten kast bewaard.

Ik zat dien avond omstreeks 10 uur te schrijven in mijn hut. Ik was me er wel van bewust geworden dat ik lawaai hoorde, maar meende dat dit kwam uit de voorlongroom, het verblijf der jongste officieren. Toen er evenwel eenige personen langs mijn hut renden, zoodat het gordijn van mijn hut een stuk meegetrokken werd, keek ik in de walegang en zag daar dat de waterdichte deur in schot 102 aan stuurboord gesloten was en gesjord werd door den daar bij staanden Luit. ter zee der 2de klasse De Kroon.
Tegelijkertijd hoorde ik roepen, door wien weet ik niet : 'De Inlanders hebben de geweren, pistolen laden', of iets dergelijks. Ik ben mijn hut ingegaan, heb mijn pistool genomen, trachtte het blikje met patronen open te maken, hetgeen niet lukte, daar het ringetje van de trekband direct afbrak. Daar ik geen tang had om het te openen, ging ik mijn hut uit, liep naar achteruit en zag daar in één der hutten aan bakboord den offricier. M.S.D. 2e klasse Van Balkom staan, die juist zijn pistool geladen had, ik ging meteen de hut in en vulde mijn patroonhouders met patronen uit het in die hut staande geopende patroonblikje.
Het resultaat der besprekingen was als volgt : Nadat Boshart gezegd had dat de geheele actie der bemanning als een demonstratie tegen de tractementsvermindering moest worden opgevat, heeft hij gezegd, dat de equipage met het schip naar Soerabaja zou stoomen, dat als de officieren hen daarbij niet hinderden, zij ook geen geweld tegen de officieren zouden gebruiken.
Omstreeks een kwartier na het vertrek der deputatie merkte ik, in de longroom zittende, dat de stuurmachine, die naar ik wist uitgeschakeld was, weer was ingekoppeld. Ik was daar stomverbaasd over en vroeg daarom aan Van Boven hoe dat nou zat, waarop deze antwoordde dat dat vanzelf sprak, daar wij de muiters immers niet zouden hinderen. Door het in werking stellen der stuurmachine werd het schip van de brug bestuurbaar en kon daarom wegstoomen. De Zeven Provinciën stoomde via den Indischen Oceaan en zette koers naar Soerabaja, terwijl het genavigeerd en onder stoom gehouden werd door het muitende deel der bemanning.
Vrijdagmorgen, 10 Februari bij daglicht kwam het eskader in zicht aan bakboord vooruit, stoomde in een groote boog rondom de Zeven Provinciën en bleef achter het schip. Erg oorlogszuchtig deed het niet. Ook het telegram van den Commandant, waarin Van Boven opdracht kreeg om de bemanning te overreden tot de orde terug te keeren, droeg geen blijk van een erge aanvallende geest.
klik voor groter Omstreeks negen uur des voormiddags was ik in mijn hut, toen ik plotseling opgeschrikt werd door een hevigen dreun, net of er een heele hoop voorwerpen in stukken vielen. Ik vloog mijn hut uit de trap op naar de campagne, duwde het luik, dat dicht was, open, merkte dat ik daarbij geholpen werd en wel zooals ik later zag, door mensen van vooruit, liep toen over het tentdek naar de plek waar de bom gevallen was, zag een groot aantal dooden en gewonden en heb daarop geholpen de brand te blusschen, door de leiding daarbij te nemen.

De brand, die een zeer groote omvang had kunnen aannemen en het verlies van het schip tengevolge gehad zou kunnen hebben, is toen met vier stralen gebluscht. Bij dit blusschen, dat zeer spoedig en goed gebeurde, werd door de bemanning met cordaatheid opgetreden. De slangen waren zeer snel gekoppeld en ik heb niets gemerkt van eenig verzet. Niemand liep meer met wapens.
Torpedo politiek van Hendrik Colijn
zeekrijgsraad Krijgsraadverhoor J.K. Kawilarang Inlandsch matroos der 1ste klasse, oud 27 jaren.
Hij kreeg 18 jaar gevangenisstraf wegens muiterij.
'De bom ontplofte en ik werd tegen dek geslagen'
,,Op 2 januari 1933 is 'De Zeven Provinciën' van Soerabaja vertrokken voor het maken van een reis rond Sumatra. De stemming aan boord was goed, maar na het bekend worden van de salariskorting der Europeesche schepelingen, is deze slechter geworden, niet alleen onder de Europeesche schepelingen, maar eveneens onder de Inlandse schepelingen, omdat deze vermoedden, dat ook hun salarissen wel zouden worden gekort.
Uit een op de bakstafel liggende circulaire bleek mij, dat er te Sabang aan den wal een vergadering zou worden gehouden, waarin o.a. zou worden gesproken over de salariskorting der Europeesche schepelingen. Voor deze vergadering was geen toestemming gevraagd aan den Commandant.
klik voor groter Toen na vertrek uit Sabang de salariskorting der Inlandse schepelingen bekend werd, had dit natuurlijk tengevolge, dat de stemming onder de Inlanders er nog slechter op werd. Men vond deze korting erg zwaar en er werd dan ook veel over gesproken, echter niet over plannen tot dienstweigering.
Na het bekend worden van de dienstweigering door vele Europeesche schepelingen te Soerabaja spraken de Europeanen en de Inlanders er hun ontevredenheid over uit, dat deze dienstweigeraars in Malang in arrest waren gezet. Ook toen heb ik niet over dienstweigering hooren spreken.
Op vrijdag 3 Februari had ik dienst als onderofficier van de motorsloep. Toen ik tijdens de rust omstreeks 2 uur in het Inlandersverblijf kwam, zei matroos-schrijver Makahanap mij, dat ik aan dek de persberichten moest gaan lezen. Ik heb dit toen gedaan en zag, dat er te Soerabaja door 425 Inlandse schepelingen dienst was geweigerd.
Toen ik daarna weer in het Inlandersverblijf kwam, stonden daar bij een tafel Rumambi, Gosal, Paradja en Makahanap. Zij spraken over een plan om den volgenden avond om 9 uur met de Zeven Provinciën onder stoom te gaan naar Soerabaia met het doel daar aan den Commandant der Marine te vragen aan boord te komen, waarna zij dezen zouden verzoeken om de gearresteerde dienstweigeraars weer vrij te laten.
Teneinde met het doel Soerabaja te bereiken werd afgesproken om het schip den volgenden avond om 9 uur te overmeesteren. Door mij zou op een bootsmansfluit een sein worden gegeven.
Op vrijdag 10 Februari 1933 bevond bij dagworden de Zeven Provinciën zich ter hoogte van Straat Soenda. Om 7 uur ben ik mij naar de brug begeven en zag daar aan stuurboord de 'Java' met 2 jagers. Ik hoorde Boshart zeggen : 'Als ze een bom gooien, zullen ze hem voor de eerste keer wel misgooien'. Ik begreep toen nog niet, waar die bom vandaan zou moeten komen, want ik had de vliegtuigen nog niet gezien. Voorts zei Boshart nog tegen mij : 'Als je iets bijzonders opmerkt, moet je direct stoppen, want je kan toch niets beginnen tegen zoveel schepen.'
klik voor groter Er werd vanaf de bovenbrug gepraaid : 'Vliegtuigen in de lucht'. Toen ik het vliegtuig boven de Zeven Provinciën zag, bemerkte ik onder het vliegtuig iets, dat op rook geleek, daarop hoorde ik een gesis langs mij gaan, waarna de bom viel langs de brugvleugel aan bakboord. De bom ontplofte en ik werd tegen dek geslagen en verwonde mijn linkeroor.
HET WERPEN VAN EEN BOM OP DE "ZEVEN PROVINCIËN"
Werd de bom express op het schip gegooid of was het een misschot ?
In de nieuwsmedia komt behalve het bericht, dat de muiterij ten einde is, het bericht dat de bom per ongeluk op het schip terecht is gekomen. Maar dit bericht houdt niet lang stand, want het blijkt dat de vlieger Th.H.J. Coppers de bom expres op het schip heeft laten vallen. Dit staat in schril contrast met wat er van te voren door de marine leiding was besloten, namelijk dat men eerst een waarschuwingsbom zou gooien.
Een reeks van misverstanden is de oorzaak is de reden dat de vlieger Coppers van het oorspronkelijke plan is afgeweken. Op 9 februari bespreekt de marineofficier C.J. baron van Asbeck, die de leiding heeft over de drie vliegtuiggroepen, het aanvalsplan met de vliegtuigcommandanten. Hier wordt besloten dat eerst een waarschuwingsbom zal worden gegooid.
Het toeval wil dat de vlieger die uiteindelijk de bom heeft gegooid niet bij de bespreking aanwezig was. Hij moest wacht lopen en hoorde later van zijn kamergenoot het resultaat van de bespreking.
klik voor groter Vliegboot Dornier-Wal D11, waarmee de vlieger Coppers op 10 februari 1933 de bom gooide op het pantserdekschip Hr. Ms De Zeven Provinciën.
Bij het opstijgen van de vliegboten gaat het behoorlijk mis. Slechts twee van de zes Dornier-Wal vliegboten komen in de lucht. De Vliegboot Dornier-Wal D11, waarvan de vlieger Coppers op 10 februari 1933 de bom gooide op het pantserdekschip Hr. Ms De Zeven Provinciën, en de Vliegboot Dornier D35. Al spoedig daarna moet de D35 een noodlanding maken.
De vlieger van de D11 Coppers weet nu niet meer wie de leiding heeft.
Hij krijgt geen antwoord op zijn bericht en seint : "D11 neemt de leiding".
Hij vliegt dan recht op het schip af en gooit een bom van 50 kilo om 9.18 van een hoogte van 200 meter. De bom treft De Zeven Provinciën niet ver van de brug en explodeert direct met catastrofale gevolgen.
Bom op de Zeven Provinciën
Situatieschets
Men vraagt achteraf aan de vlieger Coppers of het zijn bedoeling was om het schip direct te treffen, of dat het zijn bedoeling was een waarschuwingsbom te gooien.
In de vroege ochtend van de 10e februari was er een bevel uitgegaan om het schip als vijand te beschouwen.
Hij is er van toen vanuit gegaan dat het oorspronkelijke plan van een waarschuwingsschot veranderd was, en de bom direct op het schip te gooien. Let wel hij was niet aanwezig geweest bij de bespreking toen werd besloten werd om eerst een waarschuwingbom te gooien.
mz56
57a
57b
58a
58b
59a
59b
60a
60b
61a
61b
62a
62b
63
64a
64b
64c
65
66
foto 01 foto 02 foto 03 foto 04 foto 05 foto 06 foto 07 foto 08
foto 09 foto 10 foto 11 foto 12 foto 13 foto 14 foto 15 foto 16 foto 17 foto 18 foto 19
foto 20 foto 21 foto 22
Foto 01 - De Zeven Provinciën in betere tijden.(klik op de gewenste foto voor een grote afbeelding)
Foto 02 - De kruiser "Piet Hein" ontscheept de doden en gewonden die zijn gevallen na de inslag van de vliegtuigbom op "De Zeven Provinciën". Tanjung Priok, 1933.
Foto 03 - De kruisers "Piet Hein" en de "Java" in afwachting van de ontwikkelingen rond "De Zeven Provinciën".
Foto 04 - De kruisers "Piet Hein" (links) en "Java" (rechts) bij "De Zeven Provinciën" (in het midden, op de achtergrond) tijdens de muiterij.
Foto 05 - Boven: De mijnenveger de "Gouden Leeuw" in de buurt van "De Zeven Provinciën" tijdens de muiterij.
Onder: Kruiser de "Java" stoomt op naar "De Zeven Provinciën" na de inslag van de vliegtuigbom.
Foto 06 - De "Orion" bezig met het ontschepen van de muiters van "De Zeven Provinciën", voor het eiland Onrust, bij Jakarta / Djakarta / Batavia.
Foto 07 - Eén van de duikboten die deel uitmaakte van het eskader dat richting "De Zeven Provinciën" werd gestuurd tijdens de muiterij.
Foto 08 - Het gehavende schip nadat het geraakt was door een vliegtuigbom.
De pijl toont bij benadering de plek waar de bom insloeg, met 23 doden als gevolg.
Deze foto is waarschijnlijk bewerkt. Op basis van een bestaande foto van het schip is met retoucheverf de schade van de vliegtuigbom aangebracht.
Foto 09 - Kapitein-luitenant P. Eikenboom, commandant van "De Zeven Provinciën" tot de muiterij uitbrak.
Foto 10 - Luitenant Agelink van Rentergem, één van de officieren die door de matrozen gevangen werden genomen.
Foto 11 - Luitenant Cool, één van de officieren die door de matrozen gevangen werden genomen.
Foto 12 - Luitenant de Kroon, één van de officieren die door de matrozen gevangen werden genomen.
Foto 13 - Luitenant de Vos van Steenwijk, die een rol speelde bij de muiterij.
Foto 14 - Luitenant Dekker, één van de officieren die door de matrozen gevangen werden genomen.
Foto 15 - Luitenant Koppen, één van de officieren die door de matrozen gevangen werden genomen.
Foto 16 - Luitenant Modderman, één van de officieren die door de matrozen gevangen werden genomen.
Foto 17 - Luitenant Reynierse, één van de officieren die door de matrozen gevangen werd genomen.
Foto 18 - Luitenant Ritsema van Eck, één van de officieren die door de matrozen gevangen werden genomen.
Foto 19 - Luitenant ter zee C. Meijer, onder wiens commando het schip stond op het moment van de overval.
Foto 20 - Fokker vliegboot en onderzeeboot K XI in actie rond de muiterij.
Foto 21 - Indonesië, voor 1941- Luchtfoto van het eiland Onrust, waar een gevangenis is gevestigd.
Foto 22 - Fraaie foto van omstreeks 1930 als de Zeven Provinciën Den Helder via het Marsdiep verlaat
Foto 23 - Kaart met de afgelegde route met het de gekaapte Zeven Provinciën.
Dageblad het Vaderland
logo
Verborgen of vergeten geschiedenis - februari 1933
De muiterij op de Zeven Provinciën
Dit is een artikel over vakorganisatie bij de Koninklijke Marine. Ditmaal over de muiterij op de Zeven Provinciën in februari 1933, die door de regering werd aangegrepen om de doodsteek toe te brengen aan de kritische bonden van lager marinepersoneel. De overige vakverenigingen bij defensie werden in hun functioneren aan beperkende bepalingen gebonden. Deze bleven gelden tot het jaar 1968.
De Zevensprong - Jef Last
Wie wil dansen de zeven, de zeven dansen de Zeven Provinciën sprong ? Ze zeggen dat hij niet dansen kan de kleine, vertrapte, bruine man, maar hij danst voor en wie volgen kan die doet als hij, tot de edelman Ruys en Colijn en 't heel span meedansen aan de strop. Dat is één.
'Inlandse' schepelingen
"Het waren jongens die meegedaan hadden aan de muiterij op De Zeven Provinciën in 1933. Ze hadden lang vastgezeten, nu waren ze natuurlijk helden", aldus dokter Frans Tutuhatunewa - de opvolger van ir Joop Manusama als president van de Zuidmolukse Republiek in ballingschap - over enkele van zijn bewakers in Surabaja in 1945.
De verschillende politieke opvattingen stonden niet in de weg dat de molukse muiters van 1933 hun volksgenoot Tutuhatunewa van de executie redden.
Eén van hen was Thijs Sapija, kanonnier op De Zeven Provinciën, later oprichter van een omvangrijke pro-indonesische jeugd verzetsgroep. We kunnen dit lezen in De laatste inlandse schepelingen. een net uitgegeven rijk geïllustreerd boek over molukkers die in dienst zijn geweest van de Koninklijke Marine.
De auteur is Herman Keppy, zoon van een molukse ex-marinier en een Nederlandse moeder. Met deze publicatie vestigt Keppy de aandacht op een nagenoeg vergeten groep mensen uit het koloniale verleden van Nederland.
Om financiële redenen en ter aanvulling van de Nederlandse bemanning van schepen in de Oost nam de overheid vanaf het begin van deze eeuw Indonesiërs in dienst. Zij vochten voor de Koningin en een ver vaderland. Velen van hen sneuvelden in de Tweede Wereldoorlog, met name tijdens de slag in de Java zee eind februari 1942.
Christelijke Gezagshandhaving Albert Hahn in De Notenkraker van 18 februari 1933
Uit Keppy's relaas rijst het beeld op van twee groeperingen Indonesische marinepersoneel. Zij die trouw bleven aan Nederland, en zij die zich oriënteerden op het nationalistisch verzet en na de oorlog overliepen naar en soms een vooraanstaande rol vervulden in de strijdkrachten van de nieuwe Indonesische Republiek.
Een bom
Het staat vast dat zogeheten inlandse schepelingen het initiatief tot de muiterij op De Zeven Provinciën hebben genomen. Aan boord vormden zij met een aantal van 256 de meerderheid ten opzichte van de 141 Nederlanders. Leiders van de muiterij zoals Paradja en Kawilarang sloten aan
op protestacties op de wal tegen voortdurende salarisverlagingen, de dienstweigeringen, de gevangenzetting van honderden matrozen, de discriminatie aan boord.
Op 4 februari 1933 maakten zij zich in Koeta Radja meester van het pantserschip waarop zij geplaatst waren. Vervolgens voeren ze als demonstratief protest langs de westkust van Sumatra, richting Surabaja. De Nederlandse bemanningsleden werden gedwongen mee te werken. De Commandant en andere hoge officieren die aan de wal een feestje hielden, hadden het nakijken.
De dagen erna achtervolgden ze hun eigen bodem op gepaste afstand met een schip van de gouvernementsmarine. Het absurde karakter van dit tafereel wordt weggedrukt door de tragische afloop ervan. De Nederlandse overheid handelde in de geest van de stelling van H. Colijn : "De hoofdzaak is, dat er een klaar geval van muiterij is en dat men die muiterij moet onderdrukken, zo nodig door het schip met een torpedo naar de bodem van de oceaan te zenden." Het werd geen torpedo, maar een bom !
Moordwerktuig
De overheid herstelde het gezag op wrede wijze. Op 10 februari 1933 wordt het schip vanuit een vliegtuig gebombardeerd. Het maakte een eind aan het leven van 23 bemanningsleden, inlandse en Nederlandse. Er was een groot aantal zwaar gewonden. De beelden en emoties zullen korporaal-machinist Moud Boshart zijn hele verdere leven hebben achtervolgd.
"Eén ontzettende vuurzuil spoot op en als een vlijming ging het door mij heen dat op de plaats waar het moordwerktuig viel een groot aantal mensen naar de vliegtuigen had staan kijken." Hij vervolgt : "Tranen sprongen me in de ogen. Daar lagen ze ! Jongens, kinderen nog met vaneengereten ledematen : enigen stonden in brand. Anderen wentelden zich met afzichtelijke wonden in hun eigen ingewanden. Een kameraad van mij, een tamboer, had een vuistgroot gat in de borst waaruit de overblijfselen puilden van wat eens zijn altijd voor een ieder warmkloppend hart was.
Een ontzettende ravage was aangericht : stalen platen verbogen, dekbalken aan splinters en om en boven dit alles speelden kleine vlammetjes van een blauwgele kleur." Keppy haalt Dolf Wattimena aan, beginnend lichtmatroos. Deze man heeft vergelijkbare afschuwelijke herinneringen : de paniek, ledematen die in de mast hingen, een matroos die gillend rondliep, zonder handen.
Steun en repressie
Nederland was in rep en roer. Eerst over de muiterij zelf en daarna over de manier waarop er een einde aan werd gemaakt. Het hele politieke spectrum van rechts (één langgerekte reactionaire roep om herstel van orde en gezag) en alle stromingen van radicaal-links (een intense betrokkenheid met de schepelingen leidde al snel tot mythevorming over revolutionaire muiters), maakte zich meester van het gebeuren. Hierdoor was het onmogelijk tot een rustige, betrouwbare weergave van achtergronden, oorzaken, verloop en nasleep van de muiterij te komen.
Van de zijde van de Arbeiderspers en uit het gedrag van allerlei sociaal-democraten viel aanvankelijk een grote mate van sympathie met de muiters te beluisteren. Het sociaaldemocratische standpunt is moeilijk te geven. Partijleider J.W. Albarda gaf een bezonnen brochure uit over de muiterij. De SDAP werd door de hetze van rechts in het defensief gedrongen. De partij durfde het niet op te nemen voor partijgenoot Boshart. Burgerpersoneel bij defensie werd verboden zich te organiseren bij NVV-bonden. Het NVV had dus evenals de SDAP te veel zorgen om de politiek verwante marinevakbonden te ondersteunen.
De revolutionair-socialist Henk Sneevliet, die zich in een pamflet tot de marinemensen in Den Helder richtte, werd veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf. Sneevliet had een persoonlijke betrokkenheid met zowel Indië als de marine. Hij kende de verhoudingen in Indië, omdat hij er vijf jaar had gewoond en politieke strijd had gevoerd. Bovendien had hij er vaak gesproken voor het marinepersoneel. Op de golven van het protest belandde hij bij de verkiezingen in 1933 in de Tweede Kamer.
De CPN kwam met een koplijst van acht kandidaten uit : van de vier Indonesiërs op deze lijst zaten er twee gevangen in het concentratiekamp Boven-Digul. De partij verdubbelde het aantal kamerleden van twee naar vier. onder hen was de Indonesiër Rustara Effendi. De Anti-Revolutionaire Partij (ARP) kwam echter eveneens versterkt uit de verkiezingen te voorschijn. Colijn loste Ruys de Beerenbrouck af als minister-president.
Repressie in Nederland, maar evenzeer in Indië. Nationalistische leiders, zoals Sukarno, werden gearresteerd. Sukarno werd verbannen en negen jaar later in 1942 door de Japanners bevrijd. De macht lag bij de autoriteiten in Indië en bij het kabinet en de marineleiding in Nederland. Zij slaagden erin om hun beeld van de muiterij in het verre Indië als de enige juiste aan het grote publiek op te leggen.
Intimidatie
Ger Klein, staatssecretaris van Onderwijs in het kabinet-Den Uyl en zoon van een marineman, is getraumatiseerd door de overheidsrepressie na de muiterij. Hij geeft een indruk van de effecten op het dagelijks leven. "In Den Helder zat vrijwel iedereen bij de marine. Pa was eerst hofmeester. vervolgens militair werkman, en na zijn degradatie in 1933 oppasser van adelborsten.
(foto) Harer Majesteit De Zeven Provinciën, bij laatste vertrek uit Den Helder. 9 november 1921
Dat jaar begon de vervolging van ons gezin. Bemanningsleden van de Zeven Provinciën waren vanwege salariskortingen gaan muiten, en omdat de regering alles wal links was schuldig achtte. werd de SDAP voor marinepersoneel een verboden organisatie. Mijn vader moest diverse keren tegenover een bloedraad-achtige commissie verantwoording afleggen over zijn politieke voorkeur. Wij werden doelwit van intimidatie en spionage. Sommige klootzakken zongen mij, een jongen van acht. hatelijk toe : "Rooie" komt op je graf te staan". Als je een exemplaar van Het Volk mee naar huis smokkelde. moest je moeder uitkijken dat ze die krant niet per ongeluk meegaf aan ophalers van oud papier: marinemensen in burger controleerden zo of wij wel zuiver op de graat waren. De narigheid hield pas op toen mijn vader met vervroegd pensioen ging. Hij werd broodbezorger bij een coöperatie. Eindelijk konden we weer doen en laten wat we wilden. Het was een bevrijding. De vakbonden van marinepersoneel en de Nederlandse bemanning van De Zeven Provinciën werden geofferd in wat Henk Hofland "een politiek proces" heeft genoemd, "een rechtszaak die de betekenis had van een revanche".
Tweeslachtigheid
J.G.H. Blom heeft in zijn proefschrift "De muiterij op De Zeven Provinciën" (1975 - 2e druk 1983) de reacties en gevolgen in Nederland van de muiterij zeer uitvoerig uit de doeken gedaan. Hij plaatst de muiterij in het beeld van het Nederland van de jaren dertig, burgerlijk en verzuild in een crisis periode : 44 van de 281 bladzijden, exclusief de noten, worden besteed aan de muiterij (de voorgeschiedenis en het verloop zelf, de aanleidingen en oorzaken).
Wanneer je het gestelde in zijn proefschrift over de gang van zaken aan boord van 4 tot 10 februari 1933 vergelijkt met de aantekeningen van de kroongetuige korporaal-machinist Maud Boshart, dan dringt zich een levensgrote vraag op, kan Boshart - en met hem de rest van de Nederlandse bemanning - deelname aan de muiterij worden verweten ?
Boshart's verhaal is dat hij steeds gehandeld heeft om erger te voorkomen. Hij komt naar voren als een persoon met een groot natuurlijk gezag, iemand met een sterk rechtvaardigheidsgevoel, als zodanig had hij zich ook al in de Bond van Marineschepelingen gemanifesteerd. Het is - zoals Blom vermeldt - een oprecht verhaal, er zit een dwingende logica in.
Blom maakt in zijn proefschrift allerlei afwegingen over de positie en het optreden van Boshart. Hij blijkt geen definitief oordeel te kunnen of durven vellen. Aan de ene kant acht hij Boshart's versie van de gang van zaken de meest waarschijnlijke, aan de andere kant acht hij het evenmin uitgesloten dat Boshart wel degelijk tevoren bij de muiterij was betrokken. Dezelfde tweeslachtigheid blijkt uit de uitweidingen in allerlei voetnoten.
Manipulatie
De betekenis van de eerste stellingname -Boshart niet vooraf betrokken - is uiteraard verstrekkend. Het in augustus 1934 uitgegeven officiële witboek "De ongeregeldheden bij de Koninklijke Marine in Nederlandsch-Indië in den aanvang van 1933" is dan onjuist. Blom stelt het niet zo scherp, maar het komt wel op hetzelfde neer als hij in het Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis (oktober 1979) in een reactie op Hofland's inleiding bij de uitgave van Boshart's manuscript stelt dat Boshart's interpretatie der gebeurtenissen, en dus niet die van het witboek, de meest waarschijnlijke is.
Niettemin maakt Blom vrijelijk gebruik van het witboek. Met het gegeven van een betwistbaar witboek dringt de vraag zich des te sterker op of een groot deel van de Nederlandse bemanningsleden tijdens de procesvoering en berechting is beoordeeld en veroordeeld op een (bewust) verkeerde uiteenzetting en interpretatie van hun rol. En op basis van een manipulatie met gegevens over wat Blom noemt "een zich zelf ontwikkelend, ongestuit proces, waarin daarvoor door hun aard geschikte figuren als vanzelfsprekend de leiding namen".
Tijdens het voorlopig onderzoek en daarna het gerechtelijk onderzoek werden de schepelingen bepaald niet zachtzinnig behandeld, derdegraads verhoren noemt Boshart het. Boshart heeft bijvoorbeeld acht maanden lang volstrekt geisoleerd zonder enige bezigheid moeten doorbrengen in een cel van twee passen breed en drie lang. Boshart : "Spreken, zingen, fluiten, ja zelfs fluisteren was op straffe van de kogel verboden." "Verhoren van zes, soms zeven uur en dat dagen achtereen met het absolute gevoel voor een verloren zaak te strijden, maakten je fysiek en psychisch kapot."
715 Jaar gevangenisstraf
Er werden draconische straffen aan de lagere bemanningsleden uitgedeeld. Een aantal -onder wie Paradia - was al omgekomen bij het bombardement. Kawilarang kreeg de zwaarste straf, 18 jaar in hoger beroep. Waar heeft voor de rechters de grens gelegen tussen 'onjuist optreden' (beoordeling van de officieren) en actieve medewerking' bij de muiterij ? Boshart kreeg in hoger beroep 10 jaar.
In totaal werd aan 165 personen 715 jaar gevangenisstraf uitgedeeld. Een gemiddelde van ruim 4 jaar per man. Over Boshart's rol en optreden zou je eveneens een redenering kunnen opbouwen dat hij een held is geweest, een moedig man die zijn gezag bij de Indonesiërs wist te benutten om met gevaar voor eigen leven een bloedbad aan boord te voorkomen. Boshart voorzag dat het Hoog Militair Gerechtshof de gebeurtenissen van voor de muiterij zou zien in het licht van de latere muiterij en dat bij de beoordeling politieke gevoelens een rol mee zouden spelen.
Als vakbondsman had hij in de maanden voorafgaand aan de muiterij een vooraanstaande rol gespeeld in protestvergaderingen tegen de salariskortingen en in het bij elkaar brengen van inlandse en Europese schepelingen. Mijn opvatting is dat Boshart - een intelligente, rustige en stabiele persoonlijkheid, een nuchtere, realistische vakbondsman en politiek een democraat - de grens tussen legale en illegale actie altijd scherp in de gaten heeft gehouden.
Boshart had een vooruitziende blik. Hem werd als zeer strafverzwarende omstandigheid aangewreven dat hij een anti-gezags-man was, voortdurend ontevredenheid had gezaaid, tot onwettige aktie had opgeroepen enzovoort. Hij had met andere woorden een sfeer gecreëerd waardoor de muiterij kon ontstaan. "Barbertje moest hangen", zo drukt Boshart het zelf uit. Naar de buitenwereld moest volstrekt niet de indruk ontstaan dat de Indonesiërs zelfstandig een schip konden kapen en een week lang varende houden.
Matroos Kawilarang bleek een betere navigator te zijn dan welke officier ook. Er mocht geen kras komen op het gelaat van de blanke superioriteit. De officiersstand moest worden ontzien. Tijdens de muiterij hadden ze het aan boord volstrekt laten afweten. Zes officieren kwamen er met een lichte gevangenisstraf van enkele maanden af, gevolgd door ontslag. Boven-Digul, het Nederlandse Concentratiekamp in de Oost, werd de bestemming voor een deel van de Indonesische muiters.
Zij schaarden zich in het gezelschap van de communisten die daar, na een mislukte opstand op Java en Sumatra. in 1926/1927 naar toe waren verbannen. De Nederlandse schepelingen werden in Leeuwarden en Breda opgesloten. In 1937 werden zij vanwege het huwelijk van Juliana met Bernhard vrijgelaten. Maud Boshart heeft vergeefs geprobeerd zijn manuscript gepubliceerd te krijgen. De Arbeiderspers durfde het niet aan. In 1978, veertien jaar na zijn dood, werd het uitgegeven.
Bronnen :
1. H. Keppy, De laatste inlandse schepelingen, Amsterdam 1994.
2. U Boshart. De muiterij op de Zeven Provinciën, Amsterdam 1978.
3. NRC-Handelsblad. 27 augustus 1994.
4. J.C.H. Blom. De muiterij op De Zeven Provinciën. Utrecht 1983.
5. L. de Jong. Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede wereldoorlog. Deel 1 Voorspel. 's-Gravenhage 1969.
Voorteken
De muiterij op de Zeven Provinciën was een voorteken van wat na de tweede wereldoorlog in Indonesië zou plaatsvinden. Als zodanig maakt het deel uit van het collectief verdringingsproces over de rol van Nederland in de Oost. In augustus 1957 grepen leden van het kabinet-Drees in om te voorkomen dat Boshart voor de VPRO-televisie zou verschijnen. In de jaren dertig was De Jonge gouverneur-generaal in Indië. Van hem is bekend dat hij elk gesprek met de nationalistische voormannen inleidde met : 'Wij Nederlanders zijn hier driehonderd jaar geweest: wij zullen nog driehonderd jaar blijven. Daarna kunnen wij spreken. Marineman Maud Boshart had een scherper politiek inzicht: "Bovendien was het in die dagen van het grootste belang om de bevolking van Nederlands Indië niet te doen weten dat de gehele organisatie, initiatief name en uitvoering van de muiterij van de Zeven Provinciën uitsluitend inlands geweest zijn. Het gevaar zou dan namelijk niet denkbeeldig geweest zijn dat geheel Indië in vuur en vlam had komen te staan. Bovendien moet niet uit het oog verloren worden dat er in onze oost altijd nog zoiets als rassenhaat bestaat en dat wanneer de bevolking zich ooit hun macht bewust wordt. het leed in de loop der eeuwen door ons over hen gebracht, wel met woeker zal worden terugbetaald. Ook Nederland heeft dus zijn Dreyfuss-affaire gehad. Alleen is er nooit recht gedaan.
Harry Peer
De Burcht naar Albert Hahn De Burcht,
Het mooie gebouw van de Bond van Marineschepelingen werd door de minister tot verboden terrein verklaard voor marinemensen. Het NVV deed nog een vergeefse poging het op te kopen. In 1937 kwam dit symbool van de sociaal-democratische beweging van Den Helder in handen van de katholieken. Tot woede en verdriet van vele oud-gasten werd het een Katholiek Militair Tehuis. In het begin van de oorlog werd het weggebombardeerd. Na de muiterij werd P.S. van der Vaart ontslagen als bestuurder van de bond. Kort daarna werd hij wethouder in Den Helder. Tevergeefs heeft hij geprobeerd het NVV-bestuur over te halen initiatieven te nemen tot de oprichting van een nieuwe vakorganisatie bij de marine. In 1946 werd de VBZ -de Vereniging van Schepelingen bij de Zeemacht - opgericht. De VBZ (sinds kort VBM-LKV geheten) beschouwt zich als de opvolger van de Bond van Marineschepelingen.
Maud Boshard - De Muiterij op de Zeven Provinciën

1 opmerking :

Petra zei

Ik weet dat mijn opa een van de aanwezigen was tijdens de muiterij, C.J.M. Van Horen. Hij is nadien gevangen gezet in Breda. Heeft dankzij correspondentie van mijn oma aan regering uiteindelijk vrijlating en alsnog het grootkruis ontvangen. Al weigerde hij deze bijna te ontvangen.