Posts tonen met het label steng. Alle posts tonen
Posts tonen met het label steng. Alle posts tonen

maandag 1 mei 2017

Matroos Vandersteng 00

pijltje links pijltje rechts

dinsdag 21 januari 2014

Marine Gewoonten en Gebruiken 142

logo
Marine gewoonten en gebruiken - Inhoud
Inleiding ... 05
Hoofdstuk I. Vlaggeparade, eerbewijzen aan de vlag, uitreiking medailles, openen en sluiten van de ban... 09
Hoofdstuk II. Beëediging officieren ... 023
Hoofdstuk III. Doop, tewaterlating en indienststelling van een schip. Valreepsgasten ... 027
Hoofdstuk IV. Overgave van bevel door Vlootvoogd in Nederland en in Oost-Indie ... 035
Hoofdstuk V. Commando wisseling in West-Indie en in Nederland ... 043
Hoofdstuk VI. Het karakter van een oorlogsschip. Wimpels, vlaggen, standaards, saluutschoten, pavoiseeren ... 51
Hoofdstuk VII. Vlootschouw, vorstelijk 'bezoek aan boord ... 057
Hoofdstuk VIII. Vlootdemonstraties ... 067
Hoofdstuk IX. Saluut aan eigen vlag en aan die van bevriende naties ... 073
Hoofdstuk X. Godsdienst aan boord . . 81
Hoofdstuk XI. „Over boord zetten". Begrafenisplechtigheden in zee ... 089
Hoofdstuk XII. Vorstelijke jachten . . . 95
Hoofdstuk XIII. De Koningssloep. Eerbewijzen in een roeisloep, wedstrijd-roeien 101
Hoofdstuk XIV. De zingende marineman, wachtopzetten, uitporren ... 109
Hoofdstuk XV. De „looden verrader"... 125
Hoofdstuk XVI. „Van alles wat", met een rêunie tot besluit 131 ...
blz 142... Einde van Marine Gewoonten en Gebruiken.
Vorige pagina

maandag 20 januari 2014

Marine Gewoonten en Gebruiken 140-141

logo
Marine gewoonten en gebruiken
Nou, Soedah. Je kan als marineman tenslotte overal je oud-collega's ontmoeten. Maar 't was er goed in Soesterberg en we hadden het voordeel, oude herinneringen te kunnen ophalen tijdens een wandeling over en de bezichtiging van het vliegveld. De eerste ontmoeting van de oude scheepsmakkers, waarvan er zoowaar nog een aantal in actieven dienst waren, is een verhaal op zichzelf.
Je was er natuurlijk heen gegaan met in je herinnering het beeld van je collega's zooals je ze 't laatst, ruim 20 jaren terug, aan boord gezien en met ze samen gewerkt had. Stoere zeelui met bruin gebrande koppen, de jongsten van om en nabij de 20, de oudsten niet veel ouder dan 40 jaar. Wat kan 'n mensch in zoo'n korten tijd veranderen !
De kleinen schenen kleiner en plomper, de langeren minder rechtop. Was die man met dat bolhoedje.... kom, hoe heet ie ook weer ?... de seiner, en stond daar niet, zoo waar !, de oud-kapitein der mariniers, die ik aan boord niet anders kende dan in een nauwsluitend uniform - op hoogtijdagen met den helm op ! - nu in een eenvoudig colbertje. En de schipper... en de officier van administratie... enne... ze waren er weer !
Niet allen. Neen, menig scheepsmakker was sindsdien „in de ruiling gegaan" en naar betere gewesten vertrokken. „Er waren er ook, die er niet waren", zooals uit de rollezing bleek, toen deze besloten werd met de vraag, die zoo dikwijls aan boord ook gesteld was : „Zijn er nog, die er niet zijn ?"
Ook de afwezigen hielden we dien dag evengoed in herinnering toen we „aan de bakken" gefloten werden in „Huis ten Halve", waar longroom bij longroom en de rest ieder „op in eigen loopzakje" moest gaan zitten, aan de twee lange, prachtig gedekte tafels en volop „kok schep op" te verwerken ,kregen.
Daar was zoowaar ook nog vertegenwoordiging van de Nederlanders uit Tampico, Mevr. Geytenbeek, de echtgenoote van een der directeuren der Nederlandsche Petroleum Mij. te Mexico, die we met de Cooremans, de Maal en nog een dertigtal andere Nederlandsche onderdanen gastvrijheid aan boord verleend hadden, waaronder 14 dames, elf kinderen en een stuk of wat dienstboden.
Maar 't mooiste komt nog. De „ouwe" liep al dik naar de zeventig en zou in den namiddag te midden van zijn voormalige bemanning komen. Aan het station werd een commissie van ontvangst opgesteld en op de grens van Soesterberg verzamelden zich de rêunisten om den „commandant" in te halen, waarbij een plaatselijk muziekcorps voor de muzikale illustratie zou zorgen en de bevolking van Soesterberg als gebruikelijke omlijsting diende.
Laat nou, toen de „ouwe" in de auto van het station met een driewerf „Hoezee" begroet was en „de stoet" zich in beweging stelde, het muziekkorps den defileermarsch geven ! Niet te gelooven, zooals we toen, sommigen oud en stram reeds, anderen onwennig, maar alien even fier en tot den strot opgekropt van ontroering, voort stapten en soms glunderend even omkeken naar de „ouwe" in de auto ,,hoe we 'm dat nou toch wel gelapt hadden !"
En laat die „ouwe" 't nou betoel betoel te pakken hebben gekregen, diezelfde „ouwe", die op de brug van de „Kortenaer" als 'n harde zeeman kon bulderen tegen den wind en de stormen in, dat de mannen aan dek stijf stonden van de schrik ! En toen we daar allemaal weer stonden rondom den „commandant", met brokstukken van herinneringen in ons aan dien tijd op de oude „Kortenaer", en het muziekkorps het „Wilhelmus" speelde... toen...."
Vandersteng zwijgt.
Ik kijk naar hem op, en alsof hij zich wel heel kinderachtig voelt, draait hij zich om en stapt weg, z'n kop fier omhoog en nog net voldoende bij machte om zonder merkbare ontroering te zeggen : „'t Is genoeg zoo ! Ik moet weg; ik ga probeeren een vooroorlogsch biertje te verschalken".
blz 140 - 141. Eind Marine gewoonten en Gebruiken. Index volgt
Vorige pagina Volgende pagina

zaterdag 18 januari 2014

Marine Gewoonten en Gebruiken 138-139

logo
Marine gewoonten en gebruiken
„Ja ... als ik daaraan denk!!” glunderde Van der Steng. „Laat ik vooraf zeggen, dat 't houden van reunies veel te weinig voorkomt. Je weet natuurlijk, dat de oudst bekende rêunie is, die van de opvarenden van Hr. Ms. „Medusa", welke op 11 Juli 1863 de Straat van Simonoseki in Japan forceerde.
Vijfentwintig jaar later kwamen, op verlangen van Koning Willem III, de nog overlevende oud-strijders van dit oorlogsschip bij elkaar en daaruit groeide de jaarlijksche bijeenkomst, die het „Medusa-diner" genoemd werd.
Voor eenige jaren legden de laatsten dier tafelronde voor goed vork en mes neer. Het voorbeeld van de „Medusa"-strijders werd helaas niet opgevolgd door opvarenden van andere oorlogsschepen.
Toch waren er een jaar na den aanval in Straat Simonoseki nog vier Nederlandsche oorlogsschepen, die deelnamen aan de strafexpeditie tegen Japan van 5 tot 10 September 1864, door een internationale vloot van Nederlandsche, Engelsche, Fransche en Amerikaansche oorlogsschepen.
Van ons waren dat de „Medusa", de „Metalen Kruis", de „Djambi" en de „Amsterdam". Menig oudmarineman iheeft meermalen uiting gegeven aan het verlangen om met zijn oude scheepsmakkers van „tempo doeloe" nog eens bijeen te komen. Vooral als het betrof de kameraden, die gezamenlijk aan boord van eenzelfde schip een belangrijke onderneming of reis met meer of minder goed gevolg volbracht hadden.
Oudstrijders kenden we bij de marine niet meer. Althans daar spraken we nooit van, want de expedities in Indië waren geen oorlogvoering, nietwaar ? Daarom worden de jaarlijksche bijeenkomsten van de opvarenden van het fregat Zr. Ms. „Zilveren Kruis", dat van 15 Oct. 1887 tot 27 Sept. 1888 via Straat Magelhaes naar Oost-Indië ging, geen rêunies genoemd.
Trouwens, als ik 't goed heb, vormden deze opvarenden in later jaren zooiets als een vereeniging, die nog schijnt te bestaan, doch waarvan sedert 1938 geen teekenen van leven, naar buiten, te bespeuren zijn.
In de laatste jaren werden pogingen gedaan, rêunies te houden voor de deelnemers aan de Padir-Expeditie van 1898, althans van de opvarenden van Hr. Ms. „Van Speyk", die in 1897 naar Indië zeilde en vandaar op de „Atjeh" overgingen om aan de expeditie deel te nemen.
Er is ook wel eens sprake geweest van een reunie voor de opvarenden van de „Edi", een „vierde klasser", die in 1897 in dienst gesteld werd en waarvan men in 1937 de 40-jarige indienststelling wilde herdenken, zooals dit ook gebeurde in 1938 Coen de „Gelderland" 40 jaar in dienst was. Maar de „Edi" werd eind 1910 reeds afgevoerd en naar de gouvernementsmarine overgedaan.
Bijzondere gebeurtenissen zijn er van dit schip niet te melden, zoodat ik het houden van een reunie, in dit geval, wel wat ver gezocht vond. Neen, dan de reunie van de „Kortenaer" in 1935 ! Als ik daar nog aan denk ! Nu moet je weten, dat er eigenlijk geen bijzondere reden was om dit rêunie te houden. De „Kortenaer", je weet wel, een van de drie pantserschepen van 1893, het „one pipe two mast"-type, was in 1895 in dienst gesteld.
Doch, de rêunie gold de reis van het schip naar West-Indië van 14 Februari tot 12 November 1914 en in het bijzonder de verrichtingen te Tampico tijdens de „vijandelijkheden" tusschen de Vereenigde Staten en Mexico. Het waren de prestige verhoudingen onder kolonel Van der Wal, die in de herinnering voortleefden en nog eens opgehaald dienden te worden, die aanleiding gaven tot dit rêunie.
Van 20 April tot 29 Juli 1914 vertoefde de „Kortenaer" te Tampico of althans in de buurt daarvan, ter behartiging van de belangen der Nederlanders in Mexico. Het was een rumoerige en afwisselende tijd. Meermalen hebben Nederlanders gedurende het verblijf te Tampico schuilplaats gevonden aan boord van de „Kortenaer".
Bij de ouderen onder de marine leeft deze reis naar Tampico nog steeds voort, zoodat het geen wonder was, dat de gepensionneerden, althans zij die de marine reeds verlaten hadden, behoefte gevoelden, met de toenmalige bemanning van de „Kortenaer" nog eens bijeen te komen. Dat gebeurde op 11 September 1935 en de plaats van samenkomst was... Soesterberg !
blz 138 - 139. wordt vervolgd..
Vorige pagina Volgende pagina

vrijdag 17 januari 2014

Marine Gewoonten en Gebruiken 136-137

logo
Marine gewoonten en gebruiken
Vandersteng keek mij onderzoekend aan. Z'n snuit vertrok tot een milde trek. „Als ik je goed begrepen heb, bedoel je de bezoeken aan Colombo sinds het ongeval op de „K IV" ?"
Ik knikte. „Die onderzeeboot", zoo vertelde Van der Steng, „had op 3 September 1921 's morgens te 7 uur de haven van Vlissingen verlaten op weg naar Oost-India. Zes dagen later trok men de Guadalquivir op om Sevilla aan te doen, verbleef daar vijf dagen en trok op 15 September via Straat Gibraltar naar Algiers. Vandaar ging de reis naar Alexandria.... enfin, je kent de route. Op 5 November kwam de „K IV" op Colombo.
Zooals gewoonlijk zou de boot hier vijf dagen blijven, doch daags voor het vertrek, dat was op 9 November, 's morgens om kwart over zeven, toen de monteur van de wacht de ventilatie in de voorbatterij aanzette, had er een geweldige explosie plaats van de zich daar verzamelde gassen. Wel was het voorbatterij- compartiment na het opladen en overladen op 4 November flink geventileerd, doch er moesten zich, door een of andere onbekende oorzaak, gassen ontwikkeld hebben.
Twee man werden op slag gedood. Het waren de kwartiermeester Huysman en de korporaal- kok Blom. Een aantal opvarenden was gewond, waarvan een zwaar, van wie beide 'beenen moesten worden afgezet. De ravage was geweldig en de schuit kon pas een maand later de reis naar India vervolgen. We hadden natuurlijk voor een passende begrafenis gezorgd voor onze beide scheepsmakkers.
De deelneming en het medeleven van de zijde der Nederlandsche kolonie en verdere burgerij aan den wal, was algemeen. Natuurlijk was deze ramp direct in Nederland en in Oost-India bekend en de bemanning van de „K VI", die van 27 October van hetzelfde jaar naar India onderweg was, en de bemanning van de „Zeven Provincien", die op 9 Nov. naar India vertrok, hadden radiografisch van de ramp bericht gekregen.
Toen de „K VI" en de „Zeven Provinciën" gelijktijdig in Januari 1922 te Colombo lagen, trokken van beide schepen deputaties naar het Hollandsche kerkhof om een laatsten groet aan het graf van beide scheepscollega's te brengen. Een maand later kwam de "Tromp" op de thuisreis te Colombo en weer trok een deputatie naar het kerkhof.
In betrekkelijk korten tijd na het ongeval, hadden dus honderden marinemannen een laatsten groet aan twee in den vreemde omgekomen scheepsmakkers gebracht. Sindsdien trokken vele schepen onzer marine naar en van Oost-Indië en telkens weer als Colombo binnen geloopen werd en, de gelegenheid daartoe gunstig was, brachten deputaties een bloemengroet aan de marinegraven op het Hollandsche kerkhof te Colombo.
Zoo herdachten de marinemannen en zullen zij in de toekomst blijven herdenken, ide scheepsmakkers, die in de uitoefening van hun plicht, in den vreemde gestorven en begraven werden ....Kom", zei Van der Steng, na een oogenblik van gepeinzen, "ik stap op. Ik moet nog..... "
"Een oogenblik nog", hield ik hem tegen.... "Er is een ding, dat ik nog weten wil".
"Dat kan wel", zei hij, "maar ik ga…."
"Van de reunies", drong ik aan,
"Van de wat ?"
"Van de rêunies.... bijeenkomsten van....
"Rêunies zijn rêunies", zei Van der Steng met nadruk en hij gebaarde met z'n handen, "dat ie er alles van wist".
"Juist", zei ik, om hem niet tegen te spreken. Maar hij had me door ! Daarom keek hij op z'n horloge - prijshorloge of "zilveren remontoir", zooals het op de "Wassenaer" omstreeks 1890 nog heette, dat met de prijsmessen aan den beste onder de besten van de opleiding werd uitgereikt, zooals tegenwoordig 'het gouden horloge namens den minister wordt geschonken aan no. 1 van de oudste jaars adelborsten.
"Ik heb nog een kwartier.... Goed.... ga zitten", gebaarde Vandersteng, doch ik zat nog.
blz 136 - 137. wordt vervolgd..
Vorige pagina Volgende pagina

donderdag 16 januari 2014

Marine Gewoonten en Gebruiken 134-135

logo
Marine gewoonten en gebruiken
Ik behoef ook niet verder uit te weiden over de gewoonten om een schip uitgeleide te doen. Want iedereen weet, of kan het althans weten, dat, wanneer een schip uit Nieuwediep vertrekt, de marine-autoriteiten zich op het Wierhoofd nabij en de adelborsten zich op het plankier aan het havenhoofd opstellen en met een driewerf „Hoezeer het schip en zijn bemanning een goede reis toewenschen.
Natuurlijk is er, behalve de zooeven genoemde groepen ook veel ander marinepersoneel en ook de Stafmuziek bij het vertrek van een schip voor een lange reis aanwezig. Want iedereen, die gemist kan worden, wordt in de gelegenheid gesteld, de vertrekkende collega's een goede reis toe te roepen. Ook is het voldoende bekend, doch voor wie 't niet weet zeg ik 't nog even, dat het een goede gewoonte is, den commandant van het schip, door den chef van de equipage, namens de bemanning een goede reis te wenschen, zoodra het schip de uiterton gepasseerd is.
Van diezelfde uiterton gaan zoute verhalen rond, waarvan het onschuldigste dit is, dat de gehuwden in het rieten mandje, dat zich boven op de uiterton bevindt, hun trouwring plegen te deponeeren en deze na terugkomst er weer uit visschen, op gevaar of van een verkeerde in handen te krijgen. Marinevrouwen die achterdochtig zijn, mogen wel goed uitkijken als hun imannen weer thuisvaren. Maar beter is, dat achterdochtige vrouwen niet met marinemannen trouwen.
Ik zou ook nog kunnen vertellen van de bezoeken aan boord in vreemde havens, als vriendelijkheden aan den wal gereciproceerd worden met een instuif aan boord, waaraan iedereen ongenoodigd kan deelnemen, als hij relaties aan boord heeft. En dat is voor de leden van de Nederlandsche kolonie ergens in het buitenland, dikwijls heel rekbaar. Zoo'n instuif is natuurlijk een gezellige fuif op het met vlaggedoek — en als 't aan de wal te krijgen is — en groen versierde halfdek, waarbij de commandant en de Etatmajor gastheeren zijn.
Ik weet wel dat een instuif vroeger alleen van „achteruit" uitging, hetgeen overigens van zelf spreekt. Maar sedert enkele jaren houden ook de onderofficieren zich bezig met het aan boord beantwoorden van aan den wal ontvangen uitnoodigingen, althans zeker voor militaire collega's van andere naties. Ik zou ook nog kunnen vertellen van de verhoudingen onderling, van de zeeofficieren tegenover hun collega's van den Marinestoomvaartdienst, of tegenover de officieren van 'de mariniers, van administratie e.a.
Want, och ... waar in het verleden de zee-officier de zeeman was en zeeman zijn tot de opperste waardigheid aan boord verheven was, is het niet zoo wonderlijk, dat al het „overige"... nu ja, niet tot de zeelieden, werd gerekend, hetgeen in de gesprekken, in plagerijen, in geestige opmerkingen e.d. tot uiting kwam. Wie zich daarvan te veel aantrok, had veelal geen leven aan boord, totdat hij 't spel door had en op zijn beurt zich van scheepsplagerijen bediende.
Maar sinds de opleidingen van alle officieren op het Kon. Instituut voor de Marine samenvallen en de techniek aan boord gelijkwaardige vakken schiep, is er veel van de controversen tusschen de verschillende groepen verdwenen. Ook die tusschen de matrozen en de mariniers.
Ik zal daarop niet verder ingaan, want het zou een verhaal op zich zelf worden als ik van de verhoudingen tusschen de matrozen en de mariniers — later kwamen daar de stokers nog bij — zou vertellen. Het heeft ook geen zin meer, dit te doen, omdat in den tegenwoordigen tijd de scherpe kantjes finaal zijn afgesleten. De scherpe kantjes ! Van wat er ,overbleef 'heb ik bij de marinetermen voldoende gezegd."
Ik voorzag, 'dat Vandersteng met deze opmerking zijn mededeelingen over gewoonten en gebruiken aan boord zou besluiten. Hem kennende zou het vergeefsche moeite zijn hem daarover verder uit te hooren. Ik gooide het dus over een anderen boeg en zei: „Hoe zit dat eigenlijk met dat ongeval op Colombo ?"
blz 134 - 135. wordt vervolgd..
Vorige pagina Volgende pagina

woensdag 15 januari 2014

Marine Gewoonten en Gebruiken 132-133

logo
Marine gewoonten en gebruiken
Zoowel vroeger als nu, was en is het schip eerst dan een absolute eenheid, als de scheepsoverheid en het scheepsvolk onder leiding van den commandant samenwerken. Wel is door alle eeuwen heen, tot in onzen tijd, de eerbied voor en de afstand tusschen den commandant en „de overigen" aan boord streng gehandhaafd.
Deze traditie leeft niet alleen voort op de groote schepen, waar zoovelen corrigeerend kunnen optreden, als tegen den eerbied jegens den commandant bewust of onbewust zou worden gezondigd, doch ook op kleine schepen, met name de onderzeebooten met 30 of 40 koppen aan boord, zal men den commandant erkennen als den man die naast God, schipper is op zijn schip.
Ik heb op deze verhouding nog eens speciaal de aandacht willen vestigen, omdat het de kern is van de onderlinge verhoudingen, zonder toepassing waarvan een gezond gemeenschapsleven aan boord onmogelijk is. Anderzijds zal een commandant nooit alleen, of bij wijze van verpoozing, zich naar het voorschip begeven en er 'n bezoek aan de logiezen of verblijven brengen. Van zijn kajuit naar de brug of omgekeerd, of voor inspectie, is dat natuurlijk wat anders. Doch dan gaat de roep aan hem vooruit, van man tot man doorgegeven : „Order en vliegt iedereen in de houding.
Dit zelfde gebeurt overigens altijd als de commandant, om welke reden ook, zich naar een of ander gedeelte van het schip begeeft, dat niet tot het door traditie afgebakende gebied behoort. „Ach," zei Vandersteng en hij zuchtte alsof hij in vervoering de vele gewoonten en gebruiken bij de marine aan zich voorbij liet gaan; „er is zooveel gebondenheid in traditie aan boord, bij de marine en bij de marinemannen.
Ik bedoel niet alleen de tradities„ die tot een onderdeel van den dienst of van de eerbewijzen aan boord behooren. Daarvan heb ik nu al het een en ander verteld, al mag ik niet nalaten er nog even aan te herinneren, dat elke marineman, als hij aan boord van zijn schip komt, of uit het benedenschip aan dek stapt, een groet, den militairen groet, aan de vlag op het achterschip brengt.
blz 132 - 133. wordt vervolgd..
Vorige pagina Volgende pagina

dinsdag 14 januari 2014

Marine Gewoonten en Gebruiken 130-131

logo
Marine gewoonten en gebruiken
Hoofdstuk XVI.
Vooruit was er een helsch lawaai ! Drie koks stonden er om de ronde dekwaschbalie groenten te hakken, op een los over de balie liggende plank. In de kombuis zwoegde de matroos-kok met de versche-balie en sleepte de gewasschen aardappelen klompstompend op de tegeltjes naar binnen in een groote tinnen vergiet en gooiden dat holderdebolder leeg in een van de drie groote ketels, waarin de „schafterij voor de manschappen moest worden gekookt.
Naast de kombuis, aan stuurboord, stond de korporaalmachinist aan het veldsmidje en gaf doffe slagen met de smeedhamer op een, in het midden roodgloeiend gemaakte tentstut, die de vorige week door de zwaaiende laadboom bij het binnenboord halen van de motorsloep een oplawaai gekregen had en een kromme snuit trok, die nu op het aambeeld gefatsoeneerd moest worden.
Aan bakboord was de timmerman bezig van dik hout planken te zagen, voor herstellingen van de schijven, die met de laatst gehouden schietoefeningen op de Noordzee, door voltreffers hier en daar beurs geslagen waren. En achterlijker van den timmerman stonden de waschbazen voor de kloppende pers- en strijkplank, de plunjes van de maats te bewerken.
Uit de verblijven holden de zeuntjes naar de achter de kombuis gelegen bottelarij, want het was „rantsoen halen' geblazen. En door al dat lawaai heen, denderden in een voortdurende enerveerende trilling de dynamo's en de hulpwerktuigen in de machinewerkplaats en in de machinekamer. Het was een helsch lawaai, dit bruisende leven aan boord op het voorschip, maar het scheen alsof niemand er hinder van had. Alleen het praten moest tot schreeuwen opgevoerd worden.
Nog geen dertig meter verderop naar het achterschip, gaf de bootsman zacht sprekend opdrachten aan de paai van de campagne, die ze, op z'n teenen loopend en zonder gerucht uitvoerde, en liet de marinier-busschieter van het achterste dubbelkanon zich behoedzaam langs de koperen trapleuning van het tentdek naar omlaag glijden om de stilte niet te verbreken, die op het achterschip heerschte.
Geen sterveling aan boord zal 't in in ,hoofd halen hier, waar het domein van den commandant is, luidruchtig te zijn. Zelfs gedurende rumoerige momenten, als 't schip ontmeerd of gemeerd moet worden, eerbiedigt men de nergens omschreven, doch overal bij de marine heerschende traditie, dat 't op het achterschip rustig moet zijn.
Terwiji de marinier-busschieter in „zijn kanon" verdwenen is, en de paai van het achterschip hier en daar nog doende is om „het aanzien van het schip" te verhoogen, is de commandant aan dek gekomen en begint een wandeling op de campagne.
Natuurlijk is dit direct door den paai opgemerkt en terwijl hij den commandant den militairen groet brengt, verdwijnt hij oogenblikkelijk naar voren. Ook de officier- en de onderofficier van de wacht hebben den commandant aan dek zien komen. Hun waakzaamheid wordt er door verdubbeld.
Het is alsof er plotseling een andere sfeer over het dek hangt en vanaf dat moment waagt niemand zich meer achteruit. Wie er toch moet zijn, voor dienst !, zal behoedzaam aan bakboord naderen en den commandant den militairen groet brengen. Want aan stuurboord naderen zou een doodzonde zijn tegen de etiquette. Er is veel van de gestrengheid, die vroeger rondom den commandant heerschte, verzacht.
De verhalen, die ook nu nog bij de marine de ronde doen over den absoluten alleenheerscher, den commandant van den ouden stempel, die het „Ik' plaatste voor het „naast God, schipper op zijn schip", zijn niet zelden overdreven. Ze groeien in taal en stijl en dijen uit in onwaarschijnlijkheden naarmate de verteller over meer of minder verbeeldingskracht beschikt. Als er ooit ongenaakbare scheepsgoden geweest zijn, dan zullen deze zich, noch tegenover het scheepsvolk, noch tegenover de etatmajor, lang hebben kunnen handhaven.
blz 130 - 131. wordt vervolgd..
Vorige pagina Volgende pagina

maandag 13 januari 2014

Marine Gewoonten en Gebruiken 128-129

logo
Marine gewoonten en gebruiken
Twee officieren, een onderofficier en een 'matroos van Hr. Ms. "Gelderland" behoorden tot het complot. Een situatieteekening werd gemaakt om zich in de gangen en vele deuren van de Maduro-Bank niet te vergissen; inbrekerswerktuigen werden verzameld en drie dagen voor 't vertrek werd de "inbraak" in alle 'stilte voorbereid.
's Nachts om 12 uur vertrok de "dievenbende" van boord. De onderofficier van de wacht, die het zaakje niet vertrouwde - geen kip komt of gaat van boord of hij weet en ziet het - moest voor een "speciale opdracht, die geheim moest blijven", den mond gesnoerd worden. De sloep bracht de "inbrekers" zonder moeilijkheden aan den wal.
Daarna werden de rollen verdeeld. Twee man vormden de knokploeg, die voor de veiligheid moesten zorgen van de twee overigen, die de gapploeg vormden. Over een muurtje, langs een dakgoot, over een wrakkig dak en door een uitgesneden tochtluik werd het archief in des heeren Maduro's domein bereikt, dat drie hoog geborgen was. De terugtocht ging vlotter; de situatieteekening was merkwaardig juist.
Grendels en sloten aan den binnenkant van de deuren vormden geen hindernissen. Toch had de matroos veiligheidshalve een stevige lat van het tuitgesneden tochtluik meegenomen, om, terwij1 de anderen de deuren aan den binnenkant forceerden, .gereed te staan een eventueelen "zwarten bewaker" van 't lijf te houden.
De "looden verrader" was in een grooten zak geborgen en hem op den nek torsend, de anderen als voorpost en achterhoede werkende, sleepte men 'het schegbeeld door de straten van nachtelijk Willemstad. Totdat, op een goede honderd meter van den aanlegsteiger, de harten der vier "inbrekers" op uiterst vermogen begonnen te kloppen. Twee Hollandsche politie-agenten naderden.... maar reden zonder argwaan voorbij ! Aan den aanlegsteiger werd een motorboot gecharterd, die het illustre gezelschap naar boord bracht. Anderhalf uur had deze "expeditie" geduurd !
In de verlaten longroom werd de "looden verrader" uit den zak gehaald, en klonk langs de officiershutten de gedempte kreet : "De looden verrader is aan boord !" Sneller dan na het signaal "overal" tjompte men in de hutten uit z'n kooi en sloop men haastig barrevoets naar de longroom.
Het werd een geluidlooze Indianendans toen de nachtelijke longroombezoekers het eeuwenoude schegbeeld, waaraan zooveel traditie verbonden is, zagen. Toen werd de "looden verrader" langs de walegang, onder de kooien van de slapende manschappen door, naar het kabelgat gebracht, en onvindbaar voor elken buitenstaander opgeborgen.
De inbraak bij de Maduro's werd ontdekt. Maar de "looden verrader" werd niet gevonden en als onschuldige kinderen wist niemand, waar dat ding was. De "looden verrader ?" Wat is dat voor een ding ? Nooit van gehoord.
Op Zaterdag 12 Februari 1938, 's middags om half twaalf, lag de "Gelderland" gereed en werd het signaal tot vertrek gegeven om de thuisreis te aanvaarden. De trossen "voor en achter" werden ingehaald. Op den wal beyond zich, zooals gebruikelijk was, een groote menigte om het schip uitgeleide te doen.
Onder die menigte waren natuurlijk ook de heeren Maduro met familie. Een laatste groet, een schreeuw hier, een afscheidsgroet daar; langzaam kwam de "Gelderland" los van den wal. Plotseling ontstond onder de Maduro's geschreeuw en geloop langs den walkant. Zij ontdekten den "looden verrader", stevig vastgebonden tegen den geusstok, voor op de punt !
Triomfantelijk en uitgelaten over de geslaagde ontvoering, was er groote vreugde onder de opvarenden van de "Gelderland". De eeuwenoude traditie was voortgezet; de „looden verrader" ontvreemd en op weg naar Nederland.
In Nieuwediep is het schegbeeld op de gebruikelijke wijze, tijdens het binnenloopen van de „Gelderland" op 18 Maart 1938 door de marinemannen en de jutterij langs de haven verwelkomd. Nog dienzelfden dag is de „looden verrader", gebonden aan den geusstok, voor den boeg, met het schip de marinewerf opgegaan.
Tijdens een bezoek van de „Gelderland" aan Rotterdam, hebben familieleden en vrienden van de Maduro's, die in Nederland studeerden, getracht den „looden verrader" te heroveren. Een hunner had zich als „verstekeling" aan boord begeven; van den waterkant of trachtten twee andere jongelui met een bootje in het nachtelijk duister aan boord te komen.
Zij werden natuurlijk ontdekt. Op 17 October 1938 vertrok de „Gelderland" weer met den „looden verrader" naar de West. Wanneer en met welk schip zal de „looden verrader" weer in Nederland terugkeeren ?
blz 128 - 129. wordt vervolgd..
Vorige pagina Volgende pagina

zaterdag 11 januari 2014

Marine Gewoonten en Gebruiken 126-127

logo
Marine gewoonten en gebruiken
Hoe men ook zocht en over geheel Curacao navraag deed, het beeld was weg. Het verhaal gaat, dat marinemannen in West- Indië, van de geschiedenis van de „Alphen - hoorende, van oordeel waren, dat het schegbeeld aan de marine moest worden teruggegeven.
Vermoedelijk hebben eenige mannen in een jolige bui op een vroolijken avond het schegbeeld naar boord gesleept, in het kabelgat geborgen en op de thuisreis voor den dag gehaald. Oorspronkelijk is het schegbeeld wit geweest, zooals op de schepen in de 18e eeuw gebruikelijk was, maar op Curacao had men het met kakelbonte kleuren, den kop met roode haren, geschilderd, waardoor het onder de maats de „roode verrader" genoemd werd.
Toen het schip, met den gestolen „roode verrader" in Nederland aankwam, werd het bij de inventarisgoederen op de marinewerf gedeponeerd en na „onderhoud", voor de reis naar de West, aan het eerstvolgend vertrekkend schip meegegeven en bij de firma Maduro thuis bezorgd.
Hoewel het schegbeeld nu met weer zorg door de heeren Maduro bewaard werd, wisten marinemannen het nog verscheidene keeren te „ontvreemden -. Na enkele maanden, soms na enkele jaren, kwam de „roode verrader" weer in 'Curacao terug.
De naam „roode verrader" is in den loop der jaren veranderd in „looden verrader", althans tegenwoordig draagt dit schegbeeld dezen naam, terwijl de overlevering zegt, dat het oorspronkelijk de „rode verrader" genoemd werd.
Aanvankelijk werd dit ontvreemden en weer terugbrengen als een sportieve aardigheid opgevat. De heeren Maduro, die sinds menschenheugenis te Curacao leveranciers zijn van de marine, begonnen echter veiligheidsmaatregelen te nemen, opdat het ontvreemden van den „looden verrader" niet meer mogelijk zou zijn.
Door het nauwe contact van de firma Maduro met de marine, was zij er steeds van op de hoogte, wanneer een schip naar Nederland moest terugkeeren. Het schegbeeld werd dan tijdig en veilig opgeborgen, totdat het schip buitengaats was.
Toch hebben de marinemannen van een naar Nederland vertrekkend schip, zoo omstreeks het einde van de 19e eeuw, nog meermalen kans gezien zich van het schegbeeld meester te maken en het -mee te nemen naar Nederland. Daar werd het dan, zooals gebruikelijk was, op de marinewerf in Nieuwediep afgegeven, opnieuw geschilderd en met het volgende schip naar West-Indie teruggebracht.
Het is zelfs voorgekomen, dat men de ontvreemding van den „looden verrader" in Curacao enkele uren voor het vertrek van het schip ontdekte en dat men het op vertrek liggende schip zonder resultaat geheel doorzocht.
De commandant wist natuurlijk van niets, zooals geen enkele commandant voor hem iets van het gebeurde wist. De eerste-officier wist al even weinig en de schipper deed ook alsof hij nooit van den „looden verrader" gehoord had.
Toch werd het schegbeeld naar Nederland gebracht en per volgende gelegenheid in Curacao weer afgegeven. Ongeveer zestig jaar geleden maakten de heeren Maduro er een einde aan door den „looden verrader" in het archief van de Maduro-bank te Curacao op te bergen.
In 1938, toen Hr. Ms. pantserdekschip „Gelderland" voor de voortzetting van de opleiding kanonnier en konstabel, gedurende 4e wintermaanden in West-Indië vertoefde, werd het aloude ge. bruik van het „ontvreemden- van den „looden verrader" aan boord besproken door een kleine groep, die plannen beraamde de traditie voort te zetten en desnoods het schegbeeld te stelen. Als men eerst maar wist, waar het thans verborgen was.
Dat gelukte. Want nog steeds bestond er een belangengemeenschap tusschen de firma Maduro en de marine te Curacao, zoodat het niet zoo moeilijk was, tijdens een bestelling voor nieuwe leveranties of het bespreken van financieele aangelegenheden, ongemerkt het gesprek op den „looden verrader" te brengen, het interessante beeld, waarover in den loop der jaren bij de marine zoo veel te doen geweest was. „Of ik 't eens zien mag ?" had een der officieren, belangstellend in oude schegbeelden, gevraagd. Dat mocht, en daarmede werd de plaats bekend, waar de „looden verrader" veilig geborgen was.
blz 126 - 127. wordt vervolgd..
Vorige pagina Volgende pagina

donderdag 9 januari 2014

Marine Gewoonten en Gebruiken 124-125

logo
Marine gewoonten en gebruiken
Hoofdstuk XV.
Op 29 Juni 1778 was het fregatschip „Alphen - onder den kapitein ter zee Van der Feltz te Curacao uit Nederland aangekomen. De toestand in West-Indië was critiek. De Noord-Amerikanen hadden zich onafhankelijk verklaard, natuurlijk tegen den zin en zonder erkenning van de Engelschen.
De eerste expansietochten van de Noord-Amerikanen strekten zich uit naar de West-Indische havens, hetgeen de Engelsche' autoriteiten al evenzeer met leede oogen aanzagen. De moeilijkheden hoopten zich op, toen ook de Franschen hun havens in West-Indië voor de Noord-Amerikanen openstelden, zoodat er een levendige handel tusschen de Noord- Amerikanen eenerzijds en de Franschen en Nederlanders in de havens van West-Indië anderzijds, ontstond.
De „Alphen", een fregat met 36 stukken, kwam de Nederlandsche vloot in West-Indië voor mogelijke gebeurtenissen versterken. Op 15 September 1778, toen de „Alphen" in de St. Annabaai te Curacao lag, werd het schip in den vroegen morgen, omstreeks acht uur, door een ontzettende ramp getroffen. Met een zwaren slag „alsof hemel en aarde verging", gepaard gaande met veel rook, zoodat niet aanstonds te bespeuren was, wat er gebeurde, bleek de „Alphen" in de lucht te zijn gesprongen.
Andere schepen en vele huizen waren zwaar beschadigd. Het vlaggeschip van den schout-bij-nacht Lodewijk graaf van Bylandt, de „Princess Royal", dat slechts een scheepslengte van de „Alphen" voor anker lag, kwam er wonder boven wonder goed af. Met kapitein Van der Feltz verloren weer dan 200 man van de „Alphen" het leven. Slechts 25 personen, die zich niet aan boord bevonden of met de sloepen gered werden, bleven gespaard. Het schip was volkomen wrak geslagen en gezonken.
In de eerste helft van de 19e eeuw haalden Curacaosche visschers in de St. Annabaai een schegbeeld boven water, een groot ruw houten beeld, dat na onderzoek het schegbeeld van de in 1778 in de lucht gevlogen „Alphen" bleek te zijn. Het werd door de firma Maduro te Willemstad opgekocht en in den tuin van het huis geplaatst. Hoe lang het daar gestaan heeft, vermeldt de overlevering niet, doch omstreeks 1875 was het verdwenen.
steng12
blz 124 - 125. wordt vervolgd..
Vorige pagina Volgende pagina

woensdag 8 januari 2014

Marine Gewoonten en Gebruiken 122-123

logo
Marine gewoonten en gebruiken
De korvijnagel moest bij het uitporren altijd te pas komen en bleef dan ook evenlang gehandhaafd als het uitporlied. Zoo ongeveer — want men nam de vrijheid nogal eens, gelijk dit ook vroeger het geval was, aan het uitporlied veranderingen aan te brengen — zong men in het begin van de 20ste eeuw, zelfs nog omstreeks 1912.
Soms, bij bijzondere gelegenheden, wordt het uitporren op de aloude wijze aan boord zelfs nu nog toegepast, doch dan alleen bij „overal" en met een toepasselijk uitporlied, om de bemanning at vast in de feestelijke stemming te brengen. Na het uitporlied wordt dan door de tamboers en pijpers de z.g. Fransche reveille geslagen en geblazen. Ook de adelborsten op het Kon. Instituut hidden zich soms 's Zondags aan deze gewoonte.
Wat het zingen betreft — en daarmede kom ik weer op 't uitgangspunt terug — dat doet de marineman nog steeds en veel, doch het liefst „uit de vrije hand", zoo voor de vuist weg en aangepast aan de sfeer van het oorlogsschip, dat in den loop der eeuwen weliswaar sterk gewijzigd is, doch dat nog altijd dezelfde zee bevaart, die dezelfde melancholische stemming brengen kan als eeuwen geleden.
Velen onder ons volk, dat in de laatste twintig, dertig jaren te veel van zijn marine was vervreemd, denken, dat de romantiek van den zeeman alleen in het verleden ligt. Maar wie den zingenden zeeman aan boord van onze oorlogsschepen beluisterde, weet, dat de romantiek ook thans nog een groot deel van het leven van den zeeman beheerscht.
Vandersteng kan daarover honderd uit praten, soms doorspekt met den humor van den marineman, die met zijn maats een zangvereeniging aan boord vormde, „het luchtkokertje" genaamd, dat alleen zong, als 't op den wind stond, of als hij vertelt van de buitenlandsche reizen, b.v. door de fjorden, waar de wondermachtige natuur je vastgrijpt en het groote hart van den zeeman stuwt tot zingen „langs berg en dal, klinkt hoorngeschal", dat opklatert tegen de vele masten-hooge rotsklompen en terugkaatst als een zilveren echo.
Of hij zal vertellen van de onvergelijkelijke momenten, die de tropenavonden geven, als hij met zijn schip onder het zicht van het Zuiderkruis vaart en de millioenen sterren wijdsch melancholische gedachten bij hem wekken. „Op een avond, nauwelijks vier jaar geleden", zoo vertelde hij mij, „waren we met een 'achttal schepen van onze marine ergens in een baai van het nauwelijks bekende Nieuw-Guinea.
Een papoeakampong lag verscholen tegen de glooiing. Op het vlaggeschip zou een filmvertooning gegeven worden. Stil en ondoorgrondelijk lag er het water, dat de schepen droeg en om de schepen heen trokken de papoea-prauwen rimpels in het oppervlak. Totdat de voorstelling in de open lucht zou beginnen.
Schepelingen van alle schepen zitten op de dekken, op de dekhuizen, op de kanons, op de bordessen, op de zoeklichten, op de raas en waar niet al. Maar dan ineens wordt 't één van die mannen — of waren het er meer — te machtig, een lied weerklinkt. Laat 't van „die mooie molen" geweest zijn of zoo iets.
Ik weet het niet meer en het doet ook minder ter zake. Maar dat lied grijpt ze allen, die daar op de dekken zijn, aan. Ze zingen mee; ze zingen allen mee en er klinkt ontroering in de stemmen, die trillen in den tropischen avond over het ondoorgrondelijk water en onder den overwelfden sterrenhemel. Zacht deinen de schepen; de papoea's liggen met hun prauwen roerloos.
Als het lied gezongen is, valt plotseling de stilte in. Er is niemand onder de vele honderden marinemannen op de dekken, die spreekt. Ze zijn met hun gedachten ergens, waar die mooie molen staat, of waar in 't bronsgroen eikenhout 't nachtegaaltje zingt. Als plotseling, vijf minuten over tijd, de lichtbundel van het filmtoestel op 't witte doek flitst, komen ze los. Ik weet niet meer wat 't voor een film was, maar die gemeenschappelijke zang op dien tropischen avond, vergeet ik nooit !"
blz 122 - 123. wordt vervolgd..
Vorige pagina Volgende pagina

dinsdag 7 januari 2014

Marine Gewoonten en Gebruiken 120-121

logo
Marine gewoonten en gebruiken
Een korter uitporlied, waarvan men zegt, dat het 't officieele uitporlied was, luidde aldus :
Hier zeilen zij met God, verheven,
God zal de zonden ons verheven,
Al onze zonden en misdaad;
God is onz' troost en toeverlaat.
Kwart, kwart, Graaf Mauritskwartier te roer
En te waak zal gaan;

God, die verleen' ons zyn vree,
Geluk en behouden reis daarmee.
Graaf Mauritskwartier wilt boven komen,
Voor een goede reis willen wy God loven,
God loven, en danken Zynen Naam.

Komt er uit in Gods naam !
God, die wil ons goede schip bewaren
Mast, roer, kiel, staaf, steng en want
En al wat daar om en ane hangt,
Het staat altemaal in Gods hand.
God, die bewaar ons goede schip

Voor eenig kwaad en ongeluk:
Voor zee, voor zand, voor vuur en brand,
Voor de helschen boozen vyand,
Voor al het kwaad ons God bewaart.
Kwart, kwart, het is lang genoeg gekwart !

Komt, laat ons naar de wakers gaan
En zien wat gasten daarvoor staan
Met een pijpje tabak in de hand
En rooken eens voor het Vaderland.
Versche balie, malle gek,

Rijs uit je kooi, verversch je spek
En laat je glazen niet stille staan.
Er uit kwartier met alle man,
Roept God den Heer van harte an,
Van harte en van blijden zin,
Zoo verleent Hij ons mooi weer en voor den wind !"
Niet altijd ging het uitporren vergezeld van deze lang gerekte liederen. Bij slecht weer zal men zich wel belangrijk bekort hebben. Er is trouwens een veel korter uitporlied, dat luidde :
„Kwart, kwart, Graaf Mauritskwartier te roer en te waak zal gaan,
Graaf Mauritskwartier wilt boven komen, komt er uit in Gods naam;
kwart, kwart, het is lang genoeg gekwart; er uit kwartier met alle man."
Het Graaf Mauritskwartier was bakboord; het Prinsenkwartier stuurboord. Als het Prinsenkwartier uitgepord moest worden, zong men natuurlijk Prinsen-, inplaats van Graaf Mauritskwartier. Omstreeks 1890-1900 luidde het uitporlied aldus :
Rijzen, rijzen met verlangen,
Wil de man aan 't roer vervangen,
Laat de uitkijk niet langer staan,
Rijzen, rijzen in Gods naam.
't Is rijzen, 't is rijzen
't Is rijzen voor stuurboordskwartier.
Aan het begin van de 20ste eeuw werd de indeeling van stuuren bakboordskwartier vervangen door het divisiestelsel en sprak men van divisie A, B of C. Het uitporlied heeft zich daarbij aangepast, doch het was toen reeds belangrijk ingekort als volgt :
Rijzen, rijzen met verlangen,
Wil de man aan 't roer vervangen,
Laat de uitkijk niet langer staan.
Rijzen, rijzen in Gods naam.

Divisie A komt uit je kooien,
B heeft al reeds de wacht gedaan.
Rijzen, rijzen zonder schromen,
Rijzen, rijzen in Gods naam.
Aan de opleiding matroos en kwartiermeester, zoo b.v. op de „Nautilus", had men de gewoonte aan het uitporlied een of andere actueele gebeurtenis te verbinden om de opkomende wacht al reeds te waarschuwen, dat een bepaald werk was blijven liggen, of nog moest worden gedaan, o.a. „Rijzen, rijzen, ik zal het je maar zeggen, we zijn op de eerste wacht 'bij gaan leggen. Het regent dat het giet, er is geen ster of maan. Trek je laarzen dus maar aan", of : „Rijzen, rijzen, je moet het maar weten, we hebben het inhalen van de kor vergeten. Stuurboordskwartier is kwiek genoeg; daarom porren wij maar wat vroeg".
blz 120 - 121. wordt vervolgd..
Vorige pagina Volgende pagina

maandag 6 januari 2014

Marine Gewoonten en Gebruiken 118-119

logo
Marine gewoonten en gebruiken
Vervolg van blz 117
Is'er niet een van onze Knapen,
Die binnen 't Schip nog leid te Slapen,
Die onzen God en Vader eerd,
Moeder en Broeder Zuster weerd.
De Heer die wil ons Schip bewaren
En al degeen die daar mee Varen,
Met al zijn Toebehooren goed,
't Staat altemaal in Gods behoed.

Bewaar dog Heer ons Schip geprezen
Voor eenig Ongeluk mids dezen
Voor Vuer voor Storm voor Waters-nood
En voor den boozen Vijand snood.
Heer helpt ons in behouwen Haven,
Daar wy bevryd zyn voor Angst en Slaven
En daar wy danken uwen Naam,

Kwartier her uit kom aan 't Roer staan.
Kwartier kom boven met verblijden,
Bid God den Heer ten alien Tijden,
Van gantscher Herten geeft het Eer.
Zo krygen wy goe Wind en Weer.
Kwartiers Volk wilt dan boven komen,
Leg of de Slaap en wilt niet schromen,
Ziet dat je jou niet zeer en doed,
Voor Ongeluk ons God behoed.

Kwartiers Volk boven wy verlangen,
Wil haast ons Man aan 't Roer vervangen.
Zyn Glas is uit laat 'hem niet staan,
Zo mogen wy naar Kooy toe gaan.
Kwartiers Volk moet vier uuren Waken,
Dan Pompt men 't Schip, de Klok die luid,
Een ander aan 't Roer zonder staken,
Want ziet, de Wagten die zyn uit.
Merkwaardig is, dat in het vierde couplet twee regels voorkomen, die ook te vinden zijn in een oud kinder-nachtliedje, dat wij van onze ouders leerden :
„Nacht engeltje zoet
Die mij vannacht bewaren moet
Van water en vuur en krankavontuur
En van den boozen vijand. Amen."
Overstrooming, brand, besmettelijke ziekte en plunderende troepen, waren zoo de „kwalen van den ouden tijd. Nu moet men bij 't lezen van dit lied niet denken, dat tijdens 't uitporren de maats „zacht wiegelend" gewekt werden, zooals „Ziet dat je jou niet zeer en doed" zou doen vermoeden.
Integendeel, het geratel der korvijnagels langs de traptreden werd maar al te dikwijls onderbroken om de maats, met een wat te vasten slaap, wakker te slaan en menige kooi vierde, zoo niet aan het hoofd-einde, dan toch zeker aan het voeteneinde, met een slag tegen het dek.
blz 118 - 119. wordt vervolgd..
Vorige pagina Volgende pagina