dinsdag 14 januari 2014

Marine Gewoonten en Gebruiken 130-131

logo
Marine gewoonten en gebruiken
Hoofdstuk XVI.
Vooruit was er een helsch lawaai ! Drie koks stonden er om de ronde dekwaschbalie groenten te hakken, op een los over de balie liggende plank. In de kombuis zwoegde de matroos-kok met de versche-balie en sleepte de gewasschen aardappelen klompstompend op de tegeltjes naar binnen in een groote tinnen vergiet en gooiden dat holderdebolder leeg in een van de drie groote ketels, waarin de „schafterij voor de manschappen moest worden gekookt.
Naast de kombuis, aan stuurboord, stond de korporaalmachinist aan het veldsmidje en gaf doffe slagen met de smeedhamer op een, in het midden roodgloeiend gemaakte tentstut, die de vorige week door de zwaaiende laadboom bij het binnenboord halen van de motorsloep een oplawaai gekregen had en een kromme snuit trok, die nu op het aambeeld gefatsoeneerd moest worden.
Aan bakboord was de timmerman bezig van dik hout planken te zagen, voor herstellingen van de schijven, die met de laatst gehouden schietoefeningen op de Noordzee, door voltreffers hier en daar beurs geslagen waren. En achterlijker van den timmerman stonden de waschbazen voor de kloppende pers- en strijkplank, de plunjes van de maats te bewerken.
Uit de verblijven holden de zeuntjes naar de achter de kombuis gelegen bottelarij, want het was „rantsoen halen' geblazen. En door al dat lawaai heen, denderden in een voortdurende enerveerende trilling de dynamo's en de hulpwerktuigen in de machinewerkplaats en in de machinekamer. Het was een helsch lawaai, dit bruisende leven aan boord op het voorschip, maar het scheen alsof niemand er hinder van had. Alleen het praten moest tot schreeuwen opgevoerd worden.
Nog geen dertig meter verderop naar het achterschip, gaf de bootsman zacht sprekend opdrachten aan de paai van de campagne, die ze, op z'n teenen loopend en zonder gerucht uitvoerde, en liet de marinier-busschieter van het achterste dubbelkanon zich behoedzaam langs de koperen trapleuning van het tentdek naar omlaag glijden om de stilte niet te verbreken, die op het achterschip heerschte.
Geen sterveling aan boord zal 't in in ,hoofd halen hier, waar het domein van den commandant is, luidruchtig te zijn. Zelfs gedurende rumoerige momenten, als 't schip ontmeerd of gemeerd moet worden, eerbiedigt men de nergens omschreven, doch overal bij de marine heerschende traditie, dat 't op het achterschip rustig moet zijn.
Terwiji de marinier-busschieter in „zijn kanon" verdwenen is, en de paai van het achterschip hier en daar nog doende is om „het aanzien van het schip" te verhoogen, is de commandant aan dek gekomen en begint een wandeling op de campagne.
Natuurlijk is dit direct door den paai opgemerkt en terwijl hij den commandant den militairen groet brengt, verdwijnt hij oogenblikkelijk naar voren. Ook de officier- en de onderofficier van de wacht hebben den commandant aan dek zien komen. Hun waakzaamheid wordt er door verdubbeld.
Het is alsof er plotseling een andere sfeer over het dek hangt en vanaf dat moment waagt niemand zich meer achteruit. Wie er toch moet zijn, voor dienst !, zal behoedzaam aan bakboord naderen en den commandant den militairen groet brengen. Want aan stuurboord naderen zou een doodzonde zijn tegen de etiquette. Er is veel van de gestrengheid, die vroeger rondom den commandant heerschte, verzacht.
De verhalen, die ook nu nog bij de marine de ronde doen over den absoluten alleenheerscher, den commandant van den ouden stempel, die het „Ik' plaatste voor het „naast God, schipper op zijn schip", zijn niet zelden overdreven. Ze groeien in taal en stijl en dijen uit in onwaarschijnlijkheden naarmate de verteller over meer of minder verbeeldingskracht beschikt. Als er ooit ongenaakbare scheepsgoden geweest zijn, dan zullen deze zich, noch tegenover het scheepsvolk, noch tegenover de etatmajor, lang hebben kunnen handhaven.
blz 130 - 131. wordt vervolgd..

Geen opmerkingen :