woensdag 5 juni 2013

Schetsen en Humor 075

logo
hoofdstuk 3- Marineschetsen van 1860 tot 1900.
Ik had het verhaal van de „Twee Jantjes" niet gelezen, en was nog te veel met mijn gedachten bij „man over boord" om er veel belang in te stellen. „En zijn ze er allemaal uitgehaald ?" ga ik voort op mijn eerste vraag. ja, maar ze waren niet meer te gebruiken. Met pruimtabak is dat zoo erg niet, maar sigaren die in 't zeewater gelegen hebben, die ken je zóó wel over de muur zetten, daar is de fleur heelemaal af."
,,Ja, maar ik bedoel of je bij „man over boord" altijd de menschen hebt zien redden." „Dat is d'r al naar, meheer. Je kan over boord vallen met stormweer en hooge zee, dat er geen sikkepitje kans is dat je er uit komt. Maar dat is ook al geen regel. Om de Zuid heb ik 'n matroos lste klas van de marse-ra zien vallen met dichtgereefde marszeils en 'n zee zoo hoog als 'n kerk, dat er niet eens geperbeerd wier om 'n sloep te strijken.
Maar op avontuur hong de toplijn van de kruistop door het water te slieren en daar hield ie 'm an vast, totdat de adelborst van achteruit 'em de loos van de kruistoplijn op z'n kop gesmeten had. Geen drie minuten later was ie alweer binnenboord gemand, en toen ie 'n droog pakkie angetrokken had, en aan de bottelarij 'n oorlam gekregen voor de schrik, kroop ie weer op uitkijk alsof d'r niks gebeurd was.
En op Ziegeli stapt op 'n mooie avond langszij van de ,,Koning" n marjenier mis uit de brandwachtssloep, en zinkt als 'n baksteen met geweer en al.
De volgende week was Koremans an 't werken aan de vinnen, in een duikerpak, en toen ie terug binnenboord komt, zeit ie : jongens, wat ben ik me daar geschrokke ! Verbeel je daar kom ik bij de bakboordsvin, en daar staat me marjenier Janse op post, met z'n geweer op schouwer." We schoten allemaal in de lach, dat kan je nagaan, want 't was natuurlijk maar 'n bakkie; die Koremans was zoo'n kemieke ! Van marjenier Janse of van zijn geweer hebben we nooit meer wat gezien of gehoord.
Maar het kaseweelste is toch altijd dat zaakie met die bijkok op de ,,Bommelerwaard". Dat weet jij nog wel, Jan !" Dit laatste is gericht tegen ,nommer drie op den bak", die den ouden Brandsma van de zorgen van den uitkijk komt ontlasten. „O, kom je me aflossen ? Nou, d'r is niks bizonders. Daar aan stuurboord vooruit zie je van tijd tot tijd het heklicht van 'n meelegger, maar dat is bekend achteruit. Het wachtwoord is : ,,Zuiderkruis"
„Santa-Cruz, bedoel je”, breng ik in het midden. ,,Ik heb ,Zuiderkruis" verstaan, meheer. Ik begrijp niet, wat de eerste officier d'r an heit om altijd van die rare woorden op te geven. Vroeger riepen we maar ,,alles wel" en dat kon je mooi uitzingen ook". jawel, en dat kon jullie mooi uitzingen, al sliep je als marmotten op de ra."
,,Nonsens, meheer. Je blijft niet wakker omdat je piekeren mot hoe je je keel zal verdraaien om al die Fransche woorden uit te praaien. Op 't wachtschip te Nieuwediep hadde me d'r een, die praaide als ie passazier geweest was met ieder glas ,,Dunzines" — dat was het laatste woord dat ie gehad had op de thuisreis, twee jaar geleden. Maar om op het aperpo terug te kommen : „Weet je niet meer Kromhout, van dien jongen, die op de ,,Bommelerwaard" verdronken is, in drie en zeventig ?"
Kromhout weet er zich niets meer van te herinneren, maar dat is minder. Brandsma is geen egoïst, en gunt zijn vrienden ook wat, als hij zelf van het goede der aarde genies. En Kromhout is een groot vriend van hem, en nu hij in het gesprek gemengd is, en zijn pijp voor den dag haalt en met een bedenkelijk gezicht in een meer dan leegen tabakszak tuurt, kan „meheer" wel niets, anders doen dan ook hem zijn sigarenkoker voorhouden.
„Afijn, we stoomden dan weer met de ouwe ,Bommelebom" naar Zinkepoer om te rippereeren, en op 'n avond op de eerste wacht, mooi weer, net als nou, al dat er geen aasje wind was, en 'n zee as 'n Spiegel, daar hoore me ineens 'n plomp over boord, en in minder dan geen tijd een jol te water.
't Schip was in dien tusschentijd al 'n paar honderd meter of zoo doorgeloopen, maar achteruit zagge me duidelijk het Holmeslicht aan de boei branden. Wij roeien wat me kenne, dat kan je nagaan, en toen me bij de boei binne : Jezis," zeit de haak voor. „'t Is Kas van de kommedant. Waarachtig meheer, het was Kas. Met alle vier z'n poote stong ie op de boei, druipnat, maar vroolijk kwispel staartend, as of ie zegge wou : ,,dat hebbe jullie 'em netjes geleverd."
Die Kas van de Kommedant, meheer, dat was 'n hond, zoo heb ik er nooit een tweede gezien. Die verstong nou regulier alles wat z'n baas teuge 'em zee. Waar de kommedant was, zag je Kas ook; hij had z'n tampotje in de kajuit waar ie op piepte, en 's middags zat ie aan tafel naast de kommedant op 'n stoel, net as 'n mensch.

Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :