maandag 3 juni 2013

Schetsen en Humor 071

logo
hoofdstuk 3- Marineschetsen van 1860 tot 1900.
Voorts was er de in 1903 gepensionneerde kapt. ter zee Willem Adriaan Palm, een Zeeuw, die het pseudoniem , Pantser" voerde. Enkele jaren geleden — omstreeks 1930 — overleed de oud-luitenant ter zee Johannes Pieter Muller, die in 1892 adelborst le klas was en in 1907 gepensionneerd werd. Onder het pseudoniem Q.X. en Kuwiks, schreef hij eenige buitengewoon geslaagde schetsen over zijn adelborstentijd in de negentiger jaren.
Onder hen die van de marine afkomstig zijn en verdienstelijke marineschetsen schreven, moet ik vooral ook noemen den oud-matroos le klas Ewoud van Everdingen, die tot 1903 bij de marine diende, daarna gemeente-ambtenaar te Amsterdam en Bloemendaal was, in 1925 vervroegd pensioen kreeg en in 1935 overleed.
Hoewel als schrijver van marineschetsen onder het ,,groote publiek" minder bekend, moet ik hier toch ook wijlen den oud-vice-admiraal G. F. Tydeman noemen, — zijn schetsen liggen alle rondom 1880 — die twee jaar vóór zijn dood, in 1937, in een bundel ,,Verbleekte films" zijn schetsen samenvatte onder het motto : „Ave Caesar. Morituri te salutant".
Onder de bekende schrijvers van onzen tijd kan ik er helaas maar drie noemen, die van de marine afkomstig zijn. De oudste van hen is de oud-kapitein-luit. ter zee Christiaan Louis Schepp. die in 1896 adelborst I e klas was en op I Mei 1924 als overste gepensionneerd werd. Hij is de dichter Jan Prins, die in 1941 den eere-prijs van de Maatschappij der Nederlandsche letterkunde ontving. In het Augustusnummer 1940 van -De Gids" werd van hem een gedicht gepubliceerd : „De stroom", dat aldus begint :
Vier dagen al duurde de strijd.
In bittere verbetenheid
Werd van weerskanten om de stad gevochten
Dan golfde de aanval aan over de brug,
en dan over het eiland weer terug,
heen en weer tusschen de oeverbochten.
Dat kostte op den duur te veel bloed.
Te lang zagen zich opgehouden,
die elken tegenstand doorstooten zouden :
de mariniers vochten te goed.
Toen zijn de vogelen des doods gekomen,

in wijde vluchten dicht opeen,
of drie aan drie, of een voor één,
en hebben, wat hun werk is, ondernomen.
't Waren de wijken van het binnendste kwartier,
die het vooral ontgelden moesten.
De wegen van het levendigste vertier
trok vliegensvlug het brandspoor af.
Huis aan huis viel en werd te vaak een graf.
Maar een ding was niet te verwoesten :
de in de zon stralende rivier.
De beide andere schrijvers, die uit de marine voortgekomen zijn, zijn de oud-luitenant ter zee 2e klas jarig Cornelis Mollema en de oud-kapitein ter zee prof. Johan Carel Marinus Warnsinck. Aardig vind ik het om van deze beide historie-schrijvers onzer marine te vermelden, dat ze in hun adelborstentijd, d.w.z. aan het „Koninklijk Instituut voor de Marine" te Willemsoord in 1903 — oudste jaars — Mollema president en Warnsinck secretaris-penningmeester waren van de Debating-Club
,,Neef Teunis". Mollema verliet de marine reeds in 1907 om in Indië over te gaan naar de Billiton Maatschappij; Warnsinck werd in 1933 gepensionneerd en in 1939 benoemd tot hoogleeraar in de maritieme geschiedenis aan de Universiteit van Utrecht.
Jan Prins en Warnsinck vallen — hoe verleidelijk het ook is van deze schrijvers iets meer te vertellen, buiten mijn verhaal over marineschetsen en -humor en aan Mollema zou ik bijna toe zijn, — ten tweeden male ! — als ik me niet bijtijds herinnerde dat ik met mijn bespreking nog altijd tusschen 1890 en 1900 zit, en dat ik beloofde nog iets te citeeren van den matroos Brandsma, die Justus van Maurik disqualificeerde over zijn „Twee Jantjes".
In het Oranje-nummer van het Marineblad van 31 Augustus 1898 werden een aantal schetsen opgenomen. Een daarvan, getiteld „Man over boord", is van Visser, den in 1915 gepensionneerden kapt.-luit. ter zee, A. A. Visser, den dichter van het Adelborstenlied. Ik vond dit (met muziek van den toenmaligen kapelmeester van de Stafmuziek der Kon. Marine J. Koning) voor 't eerst opgenomen in het Jaarboekje der adelborsten 1913. Het lied zelf werd, als ik me niet vergis, voor 't eerst opgenomen in het ,mengelwerk" van het Jaarboekje der adelborsten 1899. Dat ken je toch, nietwaar ? :het Adelborstenlied !
Waar de Ruyter eens moest sneven,
Waar een Tromp zijn roem behield,
Staan wij aan 't begin van 't leven,
Maar met hoop en moed bezield
Wordt nog eens in later dagen
Neerlands vlag ten strijd ontplooid
Stervend zullen wij haar schragen
Maar die vlag verlaten... nooit !

Wordt vervolgd..

Geen opmerkingen :