donderdag 23 mei 2013

Schetsen en Humor 053

logo
hoofdstuk 3- Marineschetsen van 1860 tot 1900.
De scheepsgod monstert hem zwijgend en tamelijk langdurig, maar heeft gelukkig niets op te merken. Bovendien — en dat is een ongedachte meevaller — heeft de overste het verzoek reeds voor gebracht, en zal de jonker dus hoogstwaarschijnlijk kunnen volstaan met te luisteren naar de hoogedelgestrenge stem, die we] weer de een of andere liefelijkheid ten beste zal geven. Maar da's minder, als de wijnkast vanavond maar open mag — de overste heeft den sleutel in z'n hut.
De jonker heeft raak geraden — hij hoeft niets te zeggen, dat doet de kolonel wel ! Wat ter wereld adelborsten met wijntoko's moeten doen op ,,zijn" schip, is hem, kolonel, steeds een raadsel geweest. „Want als zoo'n jongen wijn drinkt, dan drinks-ie natuurlijk meer dan ie verdragen kan, en dan heeft iedereen d'r maar last van. Je geeft een zuigeling toch ook geen brandy ?
Het eenige goede aan die wijntoko van jullie is, dat-ie op slot is en de sleutel buiten je bereik. Jullie hebt geen wijn noodig, je bent zonder dat al onbruikbaar genoeg, ik krijg er niks dan klachten over. En wie z'n verjaardag moet er nu weer gevierd worden ? — Ik weet zeker, dat-ie van 't jaar al drie keer jarig is geweest ... en dat komt allemaal alleen van die weergasche nonsens van voorlongroom met wijntoko's ... ik heb grooten lust om voor die eeuwige verjaardagen van jullie een stokje te steken."
Maar omdat de overste, bij navraag, den laatsten tijd niet zoo heel erg ontevreden blijkt te zijn over „die adelborsten" — anders had hij hun verzoek niet zelf overgebracht — „mogen er vanavond voor twaalf jonkers vier flesschen wijn worden opengemaakt — en geen droppel meer, versta je! — en laat controleeren, overste, dat men zich aan mijn order houdt. . .
Wie is de jarige ?" Gelukkig is de gevraagde wijndrinkpermissie reeds toegestaan, want als de kolonel den naam van het ,,feestvarken" verneemt, klinkt het : ,,Wat ?... die ?... Dien ik daar net naar de zaling gestuurd heb, omdat-ie weer niet naar den wimpel gekeken had ! Nou ziet U 't zelf, overste, hij is z'n nieuwe levensjaar alweer begonnen met z'n dienst beroerd te doen! Laat hem twee uur boven blijven inplaats van een, zooals ik gezegd heb, meneer de officier van de wacht! Maar stuur 'm z'n jekker maar naar boven — omdat-ie jarig is !"
Zóó, of ongeveer zoo, was de marine van 1860. Werumeus Buning's schetsen waren dus van een latere periode. Hoewel ze nergens een tijdaanduiding bevatten, moeten ze gerangschikt worden in de periode rondom 1870. Zoo goed als alle gebeurtenissen spelen zich of aan boord van de ,,Tromp" of wet de schrijver heeft de -Tromp" als plaatsing in zijn fantasieen verwerkt en deze, de derde -Tromp" onzer marine, werd omstreeks 1875 van de sterkte afgevoerd en voor sloop verkocht.
In tegenstelling met de tot nog toe gebruikelijke weergave van bijzonderheden met tijd, weersgesteldheid, plaats e.d., zooals dit ook in de journaelen" tot uiting kwam, vermeldde Werumeus Buning in zijn schetsen als : ,,Stilte en doorkomende bries", „Een critiek oogenblik... ,,Man over boord", „Marine-requiem", ,,Onze kleine wereld aan boord", ,,Zaterdag aan boord", ,,Moordenaar of niet" en vele andere, geen enkele nadere bijzonderheid dan dat het verhaal zich aan boord van de -Tromp" zou hebben afgespeeld.
De meeste schetsen geven den indruk, dat het verhaal volkomen gefantaseerd is, zooals dit ook met de „Twee Jantjes" van Justus van Maurik het geval is. En daarom heb ik de grootste moeite gehad om voor mijzelf uit te maken, welke schets in het kader van mijn verzameling van marineschetsen het beste den tijd, waarin ze gepubliceerd werden, benadert. Den marinetijd, wel te verstaan.
Natuurlijk komt „De reis van bootsman Klabberdos" daarvoor in 't geheel niet in aanmerking. Ik vond dit verhaal ook in een leesboek voor de laagste klassen van de middelbare scholen, „Een bonte rij" genaamd, verzameld door Ida Heyermans in 1897, dat in 1911 een derden druk beleefde, met een 90-tal schetsen van andere vaderlandsche schrijvers uit de vorige eeuw.
Maar het lijkt mij wet het minst geschikt om den leerlingen van de middelbare scholen eenige indrukken van de marine of van den marineman te geven, omdat het, net als bij de „Twee Jantjes" van Justus van Maurik, evengoed twee ,,kolonialen", twee studenten of twee andere willekeurige vroolijke jongens hadden kunnen zijn.
Intusschen — zooals ik al zei — had ik de grootste moeite om voor mijzelf uit te maken welke schets ik hier citeeren zou. Ik kon aanvankelijk niet tot een besluit komen, niet omdat de schetsen als zoodanig niet te waardeeren zouden zijn, maar omdat de gegevens, die er in verwerkt worden, geen houvast geven.

Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :