zaterdag 18 mei 2013

Schetsen en Humor 047

logo
hoofdstuk 3- Marineschetsen van 1860 tot 1900.
Wanneer we deze afmetingen een beetje in ons hebben opgenomen, loopen we de loopplank over en stappen door den valreep binnen boord. De kolonel, die zich aan dek bevindt om de na de vlaggeparade nit te brengen rapporten in ontvangst te nemen, heeft zich na het vlaghijschen naar het voorschip gewend, kijkt het tuig in of de opgebrachte raas naar zijn zin hangen, — en bemerkt plotseling, dat de vele meters lange wimpel van de grootbramsteng waaiende, zich in een of ander tuigdeel verward heeft en dus niet vrij en frank uitwaait !
Dit is eene doodzonde, die naar traditie gewroken dient te worden op den sedert eeuwen speciaal met vlag en wimpel en derzelver kuren ! — belasten adelborst van de wacht. Als dus de op den kolonel toetredende overste, eerste-officier op de ,,Holland", juist zijn gebruikelijk rapport wil beginnen uit te brengen, valt deze hem in de rede met de vraag : ,,of het dan totaal onmogelijk is om te zorgen, dat tenminste met parade die wimpel klaar waait, hier vlak onder de oogen van den admiraal ? !
Ik wou, dat de heeren officieren van de wacht zich ten minste de moeite wilden geven om de adelborsten bij hun dienst te houden! Wie van die jongens heeft de wacht ?”...
De schuldige wachtsjonker treedt voor, en klimt even later naar de grootbramzaling om te gaan kijken of de wimpel klaar waait of niet, wat hij hier van dek of niet schijnt te kunnen uitmaken. ,,Ik wou dat ze jullie ten minste leerden kijken alvorens je op een schip los te laten.... Ik heb niks aan die koekenbakkers in de voorlongroom, ga naar de zaling en blijf daar net zoo lang tot je zeker weer of de wimpel klaar is of niet !
Meneer de officier van de wacht, hij blijft een uur boven .... Is er iets voor parade, overste ?" De overste brengt salueerend zijn rapport uit : er zijn vier menschen voor parade, twee verzoekers, en „o ja, kolonel, de oudste jonker in de voorlongroom heeft U te spreken gevraagd !.
„'t Is goed, dank U, overste, en laat dien jonker maar even komen als alles afgeloopen is . . .- Als de eerste officier salueerend terugtreedt, stapt de dokter naar voren en biedt den scheepsbevelhebber het ziekenrapport ter inzage aan. Het ligt voor de hand, dat er op een sterkte van 400 man, elken dag wel een paar zieken of gewonden zijn, aan wie het dienstpresteeren geheel of ten deele dient te worden verboden in het belang van hun herstel, terwijl de scheepsmedicus bovendien voor ernstige gevallen het hospitaal achter de hand heeft.
Evenzeer is het te begrijpen, dat commandant en eersteofficier steeds neiging hebben, die zieken voor het meerendeel als niets dan luiaards en bootafhouders te beschouwen, die den dokter maar wat wijs maken om zich aan den dienst te onttrekken.
En dan kan de kolonel — als hij een goede bui heeft ! — dikwijls niet nalaten den dokter daarop te wijzen, en hem bovendien afvragen, „wat ter wereld hij, dokter, er aan heeft om bij voorkeur onmisbare menschen als onderofficieren en gasten, vrij van dienst te maken, terwijl die adelborsten en andere koekebakkers, die nergens toe deugen, nooit iets mankeeren.... schrijf voor mijn part die heele voorlongroom, met je derden dokter er bij, op je briefje, maar blijf met je vingers van mijn gasten af, asieblieft. . ."
Maar door dien onklaren wimpel van daarnet, is de kolonel vanmorgen niet in een goede bui en krijgt de scheepsmedicus niet één woord over zijn zieken te hooren — twee vingers aan de pet en een kort „Dank u, dokter", dat is alles wat hij vandaag waard is. Zwijgend treedt hij terug.
Alle aanwezigen, maar vooral de boosdoeners, die nu voor hun rechter zullen moeten verschijnen, hebben met groote oplettendheid toegekeken hoe het ziekenrapport door den kolonel werd in ontvangst genomen. Geschiedt dit, als vandaag, zonder dat er een woord gesproken wordt, dan staat de barometer van het humeur in de kajuit bepaald onheilspellend laag en ziet het er voor de schuldigen niet best uit !
't Zal een wonder zijn als dat vandaag zonder optuigen van het rooster (lijfstraf) afloopt .... De overste reikt aan den kolonel een cahier uit het stuurmansdetail over, dat als rapportenboek dienst doet. Terwijl deze daarin een oog slaat, geeft de officier van de wacht een week en wordt nummer één der delinquenten door provoost en sergeant der mariniers naar voren gebracht en op vier of vijf passen afstand tegenover den captain opgesteld. ;Het is een nog in het blauw gekleed, verfomfaaid matroos le klas, de handen geboeid, in houding en wezen den indruk gevende, korten tijd geleden buitengewoon dronken te zijn geweest, ofschoon hij op dit oogenblik kalm genoeg is. Hij ziet er zelfs schaapachtig en zeer zeker buitengewoon 'katterig uit, heelemaal niet als de baarlijke duivel, die hij gisterenavond aan den wal was !

Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :