vrijdag 3 mei 2013

Schetsen en Humor 023

logo
hoofdstuk 1- Marineschetsen na den 4en Engelschen oorlog en voor den Franschen tijd.
Het was evenwel de tijd niet om het hoofd te verliezen; daar moest gewerkt en niet gezucht worden en daar dit denkbeeld zich in al zijne kracht vertoonde, zag men ook welhaast de angstig biddende en bevend schreyenden met harde woorden en zelfs met eindjes touw tot werken dwingen. Ieder oogenblik was kostelijk, geen seconde kon men verliezen, en er bleef ons ook nog eene hoop, nog een middel, zoo al niet ter redding, ten minste tot verlenging van het Leven overig; dadelijk werd hetzelve in het werk gesteld, men kapte het plegtanker en na dat er twee touwen uitgeloopen waren, hield dit tegen verwachting.
Thans wond men het tuitouw in en staken het in het boeganker hetwelk men mede tot ondersteuning van het reeds in de grond leggende liet vallen. Intusschen ook werd de vlag geheschen en verscheidene schoten gedaan om onzen nood te kennen te geven, dan, ofschoon men daarop wel de Spaansche vlaggen van de kasteelen liet waaijen, kon echter niemand door het vliegend weer ons te hulp komen. Het werken en het stampen van het schip was vreeselijk en ongeloofelijk de menigte water, die wij door de kluisgaten als anderzins, binnen boord kregen, hetwelk er met veel moeite en onafgebroken pompen weder uit moest.
Het daags touw dat men thans inwond, was zoodanig door de afgewaaide zeilen en touwwerk omsponnen, dat wij het niet dan na veel arbeid en de zeilen aan stukken gekapt en gesneden te hebben, in en binnen boord kregen. Het roer sloeg vreeselijk; men stak een nog overgehouden stuk van de ijzeren en een stomp van de houten werper in, doch de hooge zee sloeg ze beide van een : zij braken als stroohalmen en wij moesten onze hulp weder in kooijen en randzels zoeken, waardoor de helfte van het volk hunne plunjes en kooigoed kwijt raakte.
Thans evenwel begon wind en weer iets af te nemen, naar mate de aanschietende zee bedaarder en minder werd, vermeerderde onze hoop. In den nacht maakte men twee werpankers klaar, die men op den afstand van tien vademen van elkander, vast maakte of katte, om ingevallen de zware ankers ons mochten begeven dezen te kunnen laten vallen. Doch gelukkig hier kwam het niet toe en met den morgen van den 5den was het weer veel bedaarder. Zoo dra rees de zon in dien morgen niet uit de kimmen of men hees van onze zijde opnieuw de vlag en men deed verscheidene schoten, om ware het mogelijk lieden van het land te troonen of er blinde klippen, banken of andere onbekende gevaren rondom of digt bij ons waren. De kasteelen heschen ook wederom de vlaggen en eindelijk zag men een bark van den wal steken, doch naauwelijks was hij ter halver weg gekomen of de hooge zee deed hem wederom te rug keeren.
Intusschen lagen tuig over de gebrokene voorsteng, sloegen eenige zeilen aan en deden al het mogelijke om de ellendige verwarring, door den storm en de geweldige bewegingen van den bodem veroorzaakt, wederom te redden en het schip in orde te brengen. Niets was op zijne plaats gebleven, alles was dooreen geslingerd en veel was er of gebroken of door het zoute water bedorven.
Tegen den middag kwamen er twee vaartuigen bij ons aan boord. De eilanders kruisten en zegenden zich en zeiden dat wij in het grootst gevaar waren en op een zeer slechte plaats en rotsige vuile grond lagen, zoo dat wanneer de wind weder doorkwam het touw aan stukken zou moeten vijlen en als dan 't schip tegen de klippen drijvende geen schepsel te redden zoude zijn, Dit alles onder een gestadig kruisen en zegenen uitgesproken was waarlijk een slechte troost.
Lieden, die in driemaal vierentwintig uren niet gerust, noch gekookte spijs gegeten hadden, door ongemakken afgemat en nog nauwelijks het doodsgevaar ontkomen waren, verdienden blijder tijding. Wij vroegen hun of er dan niets op was om ons te verzekeren en geruster te doen zijn ? Maar zij antwoordden : neen, doordien wij geen zeilen hadden. Wij beloofden, dezelve dadelijk aan te zullen slaan en verzochten hen om over te komen ? Doch zij zeiden zich niet aan een gevaar te willen blootstellen, hetwelk, ingevalle de wind niet veranderde, zeker was en vertrokken daarop, zich opnieuw kruisende en zegenende.
Uit de tweede bark sprak men even als uit de eerste en deze menschen zeiden volmondig dat wij weg waren, terwijl zij op eenen nog grooteren afstand van ons boord bleven liggen. Vele van ons volk, die deze samenspraken verstaan hadden, waren gansch ter neder geslagen en verhaalden het weder aan anderen, hetwelk eene nieuwe en algemeene verslagenheid veroorzaakte.
Intusschen was onze eenigste hoop en verlangen naar een land-wind om van deze gevaarlijke kust of en in zee te kunnen komen en in dit vertrouwen werd het werk binnen boord zooveel mogelijk verhaast: het aanzetten van het wand, het redderen van het tuig, het aanslaan der zeilen, alles werd met spoed voortgezet, en twee van de eerste onderofficieren, den tweeden schipper en den schieman, welke hierin hunne pligt niet deden en de strenge tucht, nu meer dan ooit noodzakelijk, wilden verbreken, sloot men in boeijen.

Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :