donderdag 2 mei 2013

Schetsen en Humor 021

logo
hoofdstuk 1- Marineschetsen na den 4en Engelschen oorlog en voor den Franschen tijd.
De een sloeg de handen hemelwaarts, terwijl de andere zijnen God om genade smeekte; hier riep men schreijende om vrouwen en kinderen en ginds zag men de menschen, als door schrik verstijfd, ons lot en einde bevende verwachten. Geen oogenblik waren de bedrukte oogen van de ijselijke rotsen, reeds gereed om ons te verbrijzelen, of te houden. De branding was allervreeselijkst en sloeg over den hoogen steilen berg, die den Oosthoek van het eiland uitmaakt, De Luitenant van Borcharen en ik, namen op de bak, toen er niets dan vergaan voor oogen was, 'n eeuwig afscheid van elkander en verwachtten, God sterkte ons, ik schrijf het niet aan kracht van denken toe, vrij bedaard den dood.
De Kapitein omringt van hoopelooze schepelingen, sloeg, toen hij ons einde zag naderen, mede de handen in elkander en hemelwaarts, roepende : Wij zijn verlooren ! De Kadet Brouwer naauwelijks elf jaren oud en aan zijne bijzondere zorge aanbevolen, verzocht en verkreeg om aan hem het laatst vaarwel te mogen zeggen; dit afscheid was zeer aandoenlijk en kostte aan wederzijden tranen. Er ligt een eilandje of groote klip even binnen den Oosthoek van Minorka, met blinde rotsen omzoomd, waarop de zee allergruwelijkst kookte en brandde; hier dachten wij allen het leven te laten en schreven elkander geen drie minuten meer toe; een ieder bereidde zich : de eene voet stond in het graf, terwijl de andere reeds geligt, nog even op den rand rustte.
In deze oogenblikken valt het tuianker hetwelk de Kapitein Van Halm, ik en nog een matroos van den boeg kapten; het schip tornde of draaide er even voor op, maar toen ook brak het touw, evenwel, door deze optorning waren wij min of meer op de zee gedraait, dat is : wij hadden daar door de golven meer van0 voren gekregen en raakten aan het deinsen, welke gelukkige werking door het brassen der groote ra vermeerderd werd en wij dreven deze vreeselijke klip, op een zeer korten afstand, mis en voorbij.
Toen begon er zich een flaauwe schemering van hoop op te doem, men kapte het daagsanker, doch dit in de vleet van het voorstengen wand en zeilen, door het breken der voorsteng op hetzelve nedergevallen, en hetwelk wij nog niet hadden kunnen redden, verward zittende, hield lang op voor het viel en wij dreven intusschen al nader en nader naar de kust; eindelijk vat het grond en het houdt, nadat de gantsche beug was uitgeloopen. Te vergeefs waren alle onze pogingen geweest om het te stoppen, kooigoed, plunjes van het volk, alles werd er op het uitvliegend touw geworpen, doch ook alles was ijdel, alles vloog de kluis uit en ik kreeg door een zwakke hals, een snoot van stopper, die ik om het touw wilde slaan, 'n slag in de lendenen, daar ik nog gevoel van heb, terwijl intusschen 't uitvliegend touw de slip van mijn rok, welke tusschen hetzelve en de zwakke hals was ingeraakt, met geweld afscheurde en mede de kluis uitvoerde.
Alle kracht, alle pogingen schoten hier te kort, de geweldige drift was niet te stuiten en veroorzaakte door deszelfs wrijving op kluis en beting een rook en damp, die alle oogenblikken voor het uitbersten der vlam deden vreezen; eindelijk de beug uitgeloopen en de zware stopper onder in het kabelgat, onder den naam van duiveljager bekend, gebroken zijnde, rukt het touw eenige bogten onder de plegtbeug uit; deze bogten maken kringen; en het geen door geen menschelijk vermogen te stoppen was geweest, stopt nu zich zelve.
Intusschen hadden wij het plegt en laatste anker willen kappen en daar zulks onzes inziens niet spoedig genoeg kon geschieden, was zelfs reeds het boord aan stukken gekapt- om het plaats te maken; maar tot ons geluk kon het niet vallen voor dat het was afgezet en toen hield het daags reeds. Bij het houden van dit anker en toen het schip er voor optornde en liggen bleef, was de snelle de eensklapsche overgang van angst tot blijdschap boven alle beschrijving; verheugd, verblijd van ons voor anker te zien, verlichtte thans een nieuwe straal van hoop de benaauwde zielen en ofschoon de vreeselijke hooge zee het schip allergeweldigst deed werken en stampen, waardoor de bak of het voorschip somwijlen geheel onder water was, wenschten wij echter elkander geluk en dachten nu gered te zijn.
Maar ook deze vreugde duurde niet lang; het touw op eene vuile rotsige grond leggende, was welhaast aan stukken gevijld; het breekt en het nu weder opnieuw drijvend schip ijlt met de vorige snelheid na de klippen, die onze vernieling dreigden. Te rug gestort in de somberste, in de treurigste duisternis, te rug in onzen vorigen doodsangst, zweefden thans schipbreuk en sneuvelen, dood en graf op nieuw rondom ons en terwijl een ieder hunner, zich weder in al zijne vernielende akeligheid vertoonde, hoorde men op onderscheidene plaatsen de vreeselijke woorden : Het is gedaan ! Wij zijn weg ! Wij zijn verloren ! met vreeselijke, met bevende en veege stemmen uitroepen.

Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :