donderdag 11 juli 2013

Schetsen en Humor 137

hoofdstuk 5 - BESLUIT.
„Heb je zelf wel eens marineschetsen geschreven ?" vroeg ik den matroos le klas Vandersteng, nadat ik hem bedankt had voor de vele en uitvoerige inlichtingen die ik van hem over dit onderwerp had ontvangen. ,,Neen", zei hij. Ik kijk wel uit ! Bovendien is dit een taak van schrijvers en niet van mij.
Misschien, later, als ik gepensionneerd ben... Maar daarvoor heb ik nog den tijd. Ik ben nog jong, althans te jong om al marine-herinneringen te schrijven. Trouwens er is zoo weinig te maken van je belevenissen bij de marine. Van den zeeman in het algemeen en van zijn schepen in het bijzonder zijn prachtige gruwelschetsen of zoutwaterverhalen te maken, waarover een schrijven met een beetje fantasie boekdeelen vullen kan.
Ter koopvaardij schijnt men meer te beleven dan bij de marine. Ik heb eens twee vrienden gehad. Een voer ter koopvaardij, de ander was bij de marine. Ze hadden allebei een langen staat van dienst, liepen tegen de veertig en hadden bijna 30 jaren gevaren. De een was als afhouder op een logger naar zee gegaan, nauwelijks dertien jaren oud en de ander was op ongeveer dienzelfden leeftijd bij de marine gekomen, eerst als scheepsjongen naar de ,Kweekschool voor de Zeevaart" te Leiden, daarna als lichtmatroos te Hellevoetsluis, waar zijn marineloopbaan feitelijk begon, zeilexercities op de ,,Castor” en praktijk halen op de kotters ,,Boelen" en „Van Goens".
De afhouder wend reepschieter, kon toen monsteren op een sleepboot, stapte vandaar over op een deftige lijn, hield het er — vanwege z'n onrustigen geest — maar enkele jaren uit, trok toen over alle zeeën met vrachtschepen op de wilde vaart, tolde in een kleine kring van havens maandenlang achtereen rond, soms geen dag reizen van de thuishaven, zonder er binnen te loopen en zwalkte dan weer jaren achtereen op de wereldzeeën.
Hij leed twee keer schipbreuk; het kan ook wel drie of vier keer geweest zijn, als je de kleine op-de-klippen-loopertjes er bij telt, zat één keer acht dagen met tien man in een losgeslagen sloep honderden mijlen uit den wal, zonder eten en drinken, zoodat ze elkaar wel hadden kunnen opvreten — eten doe je alleen aan een goed gedekte tafel — en hij zou beslist ook nog een keer op een onbewoond eiland terecht gekomen zijn, als er toevallig maar een in de buurt gelegen had.
Viermaal had hij een ,,pokkeschip" gehad, waarop het eten slecht en het werk afbeulen was; tweemaal had hij een prachtschip gekregen met een ouwe, waarvoor je door het vuur zou gaan als 't moest — maar 't was geen een keer noodig — en zijn laatste reis was toch wel zóó avontuurlijk geweest, dat je bijna niet zou gelooven, dat zooiets in dezen tijd — modernen tijd, zei hij — kon gebeuren.
Met zeilschepen had hij ook nog gevaren. Ongelooflijk wat een fijne schepen dat waren. Daar aan boord werd je zeeman, dáár zong het tuig en beleefde je de echte onvervalschte romantiek, dáár leerde je precies aanvoelen hoe 't onze voorvaderen vergaan was op hun maandenlange reizen tusschen lucht en water.
Ik had beide vrienden eens bij me thuis genoodigd onder een heerlijke kouwe pijp, omdat ik ze aan boord niet hebben kon vanwege den vroegen tijd van kooien-af. De heele eerste wacht en een goed deel van de hondewacht, hebben we zitten praten. Dat wil zeggen : heeft de koopvaardijman zitten praten. En ik moet zeggen dat ie 't kon !
Daar ben ik, al zeg ik 't zelf, niks bij. M'n andere vriend, die ook bij de marine is en toch ook wel weet wat varen is, luisterde. Ik luisterde ook. We luisterden beiden met dezelfde hardnekkigheid als waarmede mijn koopvaardij-vriend vertelde.
Toen het dik half twee op de hondewacht en het bier op was en wij klarigheid maakten om onze kooien op te zoeken — ik zou dien nacht wegens gebrek aan beter maar zoolang een divan nemen, want ik ben klein behuisd — zei m'n maat van de marine, die meer dienstjaren heeft, dan hij oud is : ,Wil je wel gelooven, dat ik echt zin krijg om ook een beetje te gaan varen ?"
Ik lachte ongeloovig en niet al te stuntelig naar ik hoop. ,,Soenggoeh", beweerde Vandersteng, ,en het aardige is, dat mijn koopvaardij-vriend honderd-en-één...
,,Duizend-en-één", verbeterde ik, doch Vandersteng keek me vernietigend aan: je moet nooit overdrijven", meende hij, zweeg een moment alsof hij den draad van z'n verhaal kwijt was, doch zei toen met nadruk z'n zin voltooiende: ...honderd-en-een namen kent van schepen, die je op de Lloydslijst met moeite vindt.
Wordt vervolgd..

Geen opmerkingen :