Wetenswaard1

Wetenswaardig logo
Persberichten
1901
'Eendragt maakt magt' staat er te lezen onder een wapenschild met een Boerenwagen, een Boer, een leeuw en een anker. 'Boer' hoort in dit geval met een hoofdletter te worden geschreven; het wapenschild is van de Zuid-Afrikaanse Boerenrepubliek Transvaal. Het zijn details op een zilveren inktstel van behoorlijke afmetingen. Onder de wapenspreuk zijn op een schelpvormige schaal twee inktpotten aangebracht, erachter en erboven troont een zilveren model van het Nederlandse marineschip 'De Gelderland'. Zonder begeleidende tekst is het ondoenlijk te raden met wat voor voorwerp we hier van doen hebben. Het betreft een huwelijksgeschenk van de president van Transvaal, Paul Kruger, aan koningin Wilhelmina en prins Hendrik in 1901.
6 juni 1904
De pantserdekschepen Hr.Ms. 'Gelderland' en Hr.Ms. 'Utrecht' lopen schade op aan hun beider rompen als de schepen aan de grond lopen bij de Aroes Lampoejang (Zuid-Sumatra). De 'Gelderland' loopt als vlaggenschip, voorop varende, het eerst aan de grond, maar kan niet verhinderen dat de op 600 meter volgende 'Utrecht' ook aan de grond loopt.
De ondiepte was niet op de aanwezige kaarten aangeven. Beide schepen wijken vervolgens uit naar respectievelijk Soerabaja en Singapore voor de noodzakelijke reparaties.
22 sept 1905
Door Wijlen president Kruger werd bij het verlaten van Harer Majesteits pantserdekschip Gelderland aan den commandant den toenmaligen kapitein ter zee J H L J baron Sweerts de Landas Wyborgh thans schout-bij-nacht directeur en commandant der marine te Amsterdam de stoel door hem van Lorenco-Marques medegenomen en gedurende de reis van daar naar Marseille steeds gebruikt als een herinnering aangeboden.
De schout-bij-nacht die van meening was dat de stoel wegens de daaraan verbonden herinnering eerder voor eene plaats in eenige historische verzameling van het Rijk in aanmerking kwam dan te worden opgenomen in een particulieren inboedel heeft dezen ten geschenke schenke aangeboden aan het Nederlandsen Museum voor Geschiedenis en Kunst te Amsterdam.
Aan den schenker is hiervoor de bijzondere dank der regeering betuigd.
11 maart 1907
Van Hr. Ms. pantserdekschip Gelderland is gisterenavond bij het proefstoomen ter reede van Texel de matroos W. van den Koppel overboord geraakt en verdronken.
10 juli 1907
Brievenmaal naar West-Indie De directeur-generaal der posterijen en telegraphie maakt bekend dat elken Dinsdag en elken Vrijdag hetzij den trein van 6.39 van Amsterdam naar Antwerpen hetzij met den trein van 7.39 van Amsterdam naar Vlissingen een gesloten brievenmaal wordt gezonden zonden aan Hr. Ms. pantserdekschip Gelderland in West-Indie.
Deze brievenmalen worden verzonden naar het kantoor te New York en door dit kantoor vervolgens overeenkomstig telegraphische aanwijzing wijzing van den commandant der Gelderland naar de plaats waar deze bodem verblijf houdt.
In de bedoelde brievenmalen worden alleen opgenomen de brieven en andere stukken welke voldoende zijn gefrankeerd en van de daarvoor vastgestelde aanwijzing (twee elkander snijdende lijnen) zijn voorzien.
30 November 1908
President Principe Castro van Venezuela was er in 1908 in geslaagd de Curacaose handel op Venezuela lam te leggen, hetgeen escaleerde tot een diplomatieke breuk. Daarop volgde een Blokkade van de Venelozolaanse havens door Hr.Ms. pantserdekschepen Jacob van Heemskerck, De Ruyter, Friesland, Utrecht en Gelderland. De Jacob van Heemskerck, De Ruyter, Friesland, Utrecht en Gelderland patrouilleerden voor de Venezolaanse kust met de opdracht alle Venezolaanse overheids en oorlogsschepen te enteren en op te brengen naar Willemstad. Twee schepen werden ook daadwerkelijk opgebracht. Principe Castro was inmiddels voor een medische behandeling naar Europa gereisd. Vice president Juan Vincente Gomez, die zich tevens van Amerikaanse steun verzekerd wist, greep daarop de macht en herstelde de betrekkingen met Nederland
22 mei 1911
Ter gelegenheid van het bezoek van den president der Fransche republiek zullen te Amsterdam de volgende schepen onzer marine vertoeven : de pantserschepen Jacob van Heemskerck, Evertsen en Kortenaer het pantserdekschip Gelderland de twee torpedobooten Wolf en Fret en zes kleinere torpedobooten benevens de onderzeeboot no 1. De Fransche oorlogsbodems die daar komen tellen te zamen 1550 koppen. De Nederlandsche ongeveer 1000 zoodat er ruim 2500 jantjes in Amsterdam samenkomen.
17 juni 1911
ZKH prins Hendrik vaart aan boord van het pantserdekschip Hr.Ms. 'Gelderland' vanuit Rotterdam naar Sheerness om de inhuldiging van de Britse koning George en koningin Mary bij te wonen. Het laatste deel van de reis wordt de 'Gelderland' begeleid door vier Britse torpedoboten.
15 maart 1917
s'Gravenhage. Ongeluk aan de Gelderland -
Wij vernemen dat aan boord van het pantserdekschip Gelderland liggende in Zeeland vermoedelijk tengevolge van een keteldefect een ongeluk heeft plaats gehad, er zijn een doode, negen zwaargewonden en vijf lichtgewonden.
Naar wij vernemen is er van de 9 personen die bij het ongeval aan boord van de Gelderland zwaar zijn verwond èèn overleden. De slachtoffers van het ongeval behooren tot het machinekamerpersoneel beneden den rang van machinist.
De naaste familiebetrekkingen van de twee dooden en van de overige zwaar en licht gewonden zijn door het departement van Marine van het gebeurde op de hoogte gesteld.
15 augustus 1924
Onze oorlogsschepen -
Op 27 Augustus zullen in het openbaar op de Rijks werf te Willemsoord bij inschrijving worden den verkocht het uit de sterkte afgevoerde pantserschip De Ruyter en het eveneens afgevoerde pantserdekschip Zeeland.
Het pantserschip De Ruyter werd gebouwd in 1901. De waterverplaatsing is 5080 ton. Van de beide andere schepen van dit type werd de Koningin Regentes reeds eerder verkocht.
De andere t.w de Hertog Hendrik is reeds eenigen tijd gedeeltelijk ontwapend en zal wel spoedig eveneens eens in sloopershanden overgaan.
Van de pantserschepen blijven dan nog slechts over de Tromp, de Heemskerck en de Zeven Provincien.
Van de pantserdekschepen zijn de Zeeland en de Gelderland de laatst overgeblevenen. Met de Holland, Noordbrabant, Friesland en de Utrecht vormden zij een klasse.
Zij werden gebouwd bouwd in de jaren 1895 — 1898 en hadden gemiddeld een waterverplaatsing van 4000 ton.
De Gelderland is nog in dienst als schoolschip voor kannonniers doch is voor andere doeleinden niet meer geschikt. De Noordbrabant werd indertijd omgebouwd tot tuchtschip doch ligt in afwachting van nadere bestemming nog steeds op s'rijkswerf te Willemsoord.
9 okt 1936
EEN NIEUW SCHIP VOOR DE NEDERLANDSCHE MARINE.
Een artillerie-instruktie schip ter vervanging van Hr. Ms. Gelderland. Naar de NRC verneemt wordt op het departement van Defensie op het oogenblik ernstig overwogen over te gaan tot het doen bouwen van een artillerie-instructieschip ter vervanging van het als zoodanig dienst doende pantserdekschip Gelderland.
Hr. Ms. Gelderland dateert al uit 1899 en heeft uiteraard door haar zeer verouderde artillerie als instructievaartuig niet veel waarde meer. Haar geringe snelheid maakt haar waarde als drijvende batterij welke functie haar is toegedacht in oorlogstijd ook al zeer problematisch terwijl deze geringe capaciteit tevens van ongunstigen invloed is op de waarde van de tactische oefeningen waarbij het schip meestal als kruiser moet dienst doen tegenover het moderne materiaal.
Zooals men weet wordt aan de vloot weldra een nieuwe leader (een klein soort kruiser) toegevoegd welke als opleidingsschip hier te lande zal fungeeren. Deze leader de Tromp is thans te Amsterdam in aanbouw. Deze bodem zal Hr. Ms. Heemskerk het thans te Nieuwediep uit dienst gestelde pantserschip vervangen. Hr. Ms. Hertog Hendrik zal uit den dienst worden genomen zoodra de Tromp gereed is. Deze Tromp zal dan deelnemen aan de tactische oefeningen in groot verband.
Het nieuwe schip zal van een zeer moderne vuurleiding worden voorzien en het zal eveneens eens een behoorlijke vaart kunnen loopen. De grootte zal ongeveer 3000 ton bedragen. Het schip zal tevens dienstbaar worden gemaakt voor de defensie van de Nederlandsche kust.
11 maart 1937
DE GELDERLAND WEER IN ACTIEVEN DIENST !
Nu nog te Willemsoord opgelegd -
Bij Koninklijk besluit van 10 Maart j is bepaald dat Hr. Ms. pantserdekschip Gelderland thans in dienst opgelegd te Willemsoord op den 18 Maart voor den actieven dienst beschikbaar is gesteld, en is met ingang van genoemden datum het bevel over deze is opgedragen aan den kapitein-luitenant ter zee P. B. N. van Straelen.
Hr. Ms. van Kinsbergen
wapen van Kinsbergen

Hr. Ms. Van Kinsbergen (U 93, N 3, D 804, A 876) was een kanonneerboot gebouwd door de Rotterdamse scheepswerf RDM. Na de indienststelling in 1939 moest dit schip de oude pantserkruiser Hr. Ms. Gelderland als artillerie-instructieschip vervangen. Het schip is genoemd naar luitenant-admiraal Jan Hendrik van Kinsbergen en gedoopt door mevrouw A. van Dijk-Wierda, echtgenote van de toenmalige minister van Defensie Jannes van Dijk
klik voor groter klik voor groter
Kiellegging : 11 september 1937
Tewaterlating : 5 januari 1939
In dienst gesteld : 21 augustus 1939
Uit dienst gesteld : 29 mei 1959
Waterverplaatsing 1.760 ton
Afmetingen : 100,2 x 11,6 x 3,4 meter
Machinevermogen : 17.000 pk
Snelheid : 25,5 knopen
Bemanning : 220 koppen
Bewapening : 4 x 12 cm kanon
4 x 40 mm mitrailleur
4 x 12,7 mm mitrailleur
2 x dieptebomrek
vanaf 1941:
2 x 10,5 cm kanon
3 x 40 mm mitrailleur
2 x 20 mm mitrailleur
2 x dieptebomrek
4 x dieptebommortier
2 x mousetrap

De Van Kinsbergen vóór de Tweede Wereldoorlog
Door het uitbreken van de oorlog in West-Europa kon de Van Kinsbergen de rol als artillerie-instructieschip op de Noordzee niet uitoefenen. Hierop werd besloten de Van Kinsbergen naar West-Indië te sturen.
Tijdens de voorbereidingen op de tocht naar West-Indië bezocht Koningin Wilhelmina de Van Kinsbergen. Op 2 oktober begon de Van Kinsbergen aan de overtocht naar West-Indië.
klik voor groter Tijdens deze tocht begeleidde het schip de onderzeeboten O15 en O20. Vanwege de veiligheid ging de overtocht niet door het Kanaal maar voer men om de Britse eilanden heen naar de Azoren. Op 14 oktober liepen de schepen de haven van Ponta Delgada binnen. Op 18 oktober nadat een aantal reparaties hadden plaatsgevonden vertrok het drietal schepen naar Curaçao waar het konvooi na Puerto Rico te hebben aangedaan op 31 oktober arriveerde.
De Van Kinsbergen tijdens de Tweede Wereldoorlog
Tijdens de Duitse aanval op Nederland in 1940 bevond de Van Kinsbergen zich op Curaçao. Op dat moment waren op Curaçao ook zeven Duitse koopvaarders aanwezig die asiel hadden aangevraagd, maar ook de opdracht hadden gekregen de schepen te vernietigen dan wel te ontsnappen; als ze dit niet zouden doen zouden ze later vervolgd kunnen worden volgens de orders. De Van Kinsbergen had de opdracht gekregen te voorkomen dat de bemanning de schepen zou vernietigen. Naast de bemanning van de Van Kinsbergen werden ook mariniers ingezet bij deze actie.
De Duitse koopvaardijschepen lagen verspreid rond Curaçao: de Vancouver en Este lagen in de Caracasbaai, de Henry Horn, Karibia, Patricia, Frisia en Almania lagen in de Fuikbaai. Eerst werden de schepen liggend in de Caracasbaai geënterd, deze twee schepen werden zonder al te veel moeite in beslag genomen.
Van de vijf schepen in de Fuikbaai wist de Duitse bemanning op de Patricia, Frisia en Alemania brand te stichten. De branden konden geblust worden, waardoor ongeveer 25.700 ton aan vrachtschepen voor de Geallieerde vloot werden behouden.
In het begin van de oorlog bestond de taken uit het patrouilleren van de Franse eilanden in West-Indië. Tijdens deze patrouilles heeft ze een Duits koopvaardijschip in brand kunnen steken en twee Franse koopvaardijschepen intact kunnen veroveren. Na de aanval op Pearl Harbor in 1941 werd de Van Kinsbergen ingezet voor het begeleiden van konvooien in de Caribische Zee
De Van Kinsbergen na de Tweede Wereldoorlog
Na de Tweede Wereldoorlog arriveerde het schip op 31 augustus 1945 in Rotterdam waar het klaargemaakt werd om naar Nederlands-Indië te vertrekken. In maart 1946 ondersteunde het schip de landing op Lombok. Na de politionele acties keerde het schip in 1950 terug naar Nederland en werd het schip wederom opnieuw gekwalificeerd, ditmaal als fregat. Op 12 februari 1952 vertrok het schip vanuit Den Helder naar Nieuw-Guinea, waar het op 21 maart in Sorong aankwam. Het schip verbleef tot december 1954 in Nieuw-Guinea om op 5 februari 1955 terug te keren naar Nederland waar het per 1 november 1955 dienst deed als logementsschip in Vlissingen.
Op 20 maart 1952 arriveerde de Van Kinsbergen in Sorong. Dit fregat was in 1939 in Nederland oorspronkelijk gebouwd als artillerie-instructieschip. Ondanks zijn leeftijd bleek het goed geschikt voor de dienst in Nieuw-Guinea en verbleef het dan ook bijna drie jaar in Nieuw-Guinea. In die periode werd tweemaal een reis naar Australië ondernomen voor een dokbeurt.
De voornaamste taak was het uitvoeren van patrouillediensten tegen infiltratiepogingen over zee en het assisteren bij de uitschakeling van infiltranten, wanneer die waren gesignaleerd.
Het patrouillevaren werd meestal gecombineerd met bezoeken van kampongs aan de kust. Er werden allerlei gegevens verzameld en contact opgenomen met de bevolking en de lokale bestuursambtenaren.
In mei 1953 infiltreerde een aantal Indonesische militairen in de omgeving van FakFak. Alle infiltranten werden door het KL-garnizoen achterhaald. In verband hiermee werd een versterkt peloton mariniers tijdelijk in het nabij gelegen Kokas gestationneerd.
De Van Kinsbergen bewaakte het omliggend zeegebied, terwijl een Catalina voor verkenningen werd ingezet. Alhoewel de infiltratie uit militair oogpunt weinig te betekenen had, was dit toch een goede oefening voor de inzet van gecombineerde strijdkrachten aan Nederlandse zijde.
Op 20 december 1954 vertrok de Van Kinsbergen weer naar Nederland, om een jaar later opgelegd te worden.
Na dat het schip op 29 mei 1959 uit dienst is gesteld werd het als oefenobject gebruikt. Op 19 februari werd het schip voor de sloop verkocht aan het bedrijf van Heyghen in Gent.
Geschiedenis Hr. Ms. Pantserdekschip Gelderland
Type schip : Pantserdekschip
Op stapel : 1 november 1897, Maatschappij Fijenoord te Rotterdam
Te water gelaten : 1898
Afmetingen : 94,70 x 14,82 x 5,40 meter
Waterverplaatsing : 4033 ton
Machinevermogen : 9867 PK
Bepantsering : commandotoren 100 millimeter, dek 50 millimeter.
Constructie :
Het schip was de laatste van de tweede serie en herkenbaar aan haar afwijkende luchthappers tussen de schoorstenen die meer prominent aanwezig waren dan bij haar zusterschepen.
De kosten van het schip bij de eerste uitrusting bedroegen : 3.048.000 gulden. (€1.383.122,-)
Aandrijving :
12 Yarrow waterpijpketels en twee zuigermachines geleverd door de Maatschappij Fijenoord te Rotterdam
Vermogen : 9867 pk.
Kolenberging : 850 ton.
Aandrijving : Twee schroeven.
Maximum snelheid : 20,05 mijl.
Bewapening :
2 kanons van 15 centimeter No.3.
6 kanons van 12 centimeter No.2.
4 kanons van 7,5 centimeter No.2.
8 kanons van 3,7 centimeter
4 revolverkanons van 3,7 centimeter.
2 kanons van 7,5 centimeter A.
2 mortieren van 7,5 cm
2 torpedolanceer­buizen en 2 torpedokanons.
In 1906 werd het aantal kanons van 3,7 centimeter teruggebracht van 8 naar 4 stuks,
verder is er toen 1 kanon van 7,5 centimeter A, en 1 mortier van 7,5 centimeter verwijderd.
In 1912 werd het aantal kanons van 12 centimeter teruggebracht van 6 naar 4 stuks.
In 1915 werden er twee luchtdoelartillerie-kanonnen aan de bewapening toegevoegd.
Omdat het schip in 1920 zou dienen als artillerie-instructieschip wijzigde de bewapening zodanig dat deze vanaf toen bestond uit : 4 kanons van 15 centimeter, 8 kanons van 7,5 centimeter.
De bewapening wijzigde nogmaals in 1922 en bestond toen uit :
10 kanons van 12 centimeter.
2 kanons van 7,5 centimeter.
4 kanons, van 3,7 centimeter.
1 mortier van 7,5 cm.
2 mitrailleurs.
Bemanning : 325 bij indienststelling.
Naamgeving : Gelderland naar de grootste provincie van Nederland.
Historie : Indienststelling te Den Helder op 15 juli 1900 van het pantserdekschip Hr.Ms. 'Gelderland' door de kapitein-ter-zee J.H.L.J. baron Sweerts de Landas Wyborgh als eerste commandant van het schip.
klik voor groter De 'Gelderland' werd gebouwd op de werf van de Maatschappij Fijenoord te Rotterdam, als laatste uit de tweede en tevens laatste serie van in totaal drie pantserdekschepen, behorende tot de 'Holland'-klasse (Hr.Ms. 'Utrecht' en Hr.Ms. 'Noordbrabant').
Het schip vertrok op 22 augustus 1900 voor haar eerste grote reis vanuit Vlissingen met bestemming Oost Indie.
Wanneer het schip te Perim (Jemen) is krijgt ze op 17 September 1900 opdracht om koers te wijzigen en op te stomen naar Lourenco Marques (het huidige Maputo, Mozambique), om daar de president van de Zuid-Afrikaanse Republiek, S.J.P. Paul Kruger, aan boord te nemen en naar Europa te brengen.
De annexatie van Transvaal en Oranje Vrijstaat door Groot Brittannie in 1877 leidde tot een aantal vrijheidsoorlogen. Aan het begin van de tweede Boerenoorlog (1899 - 1902) werd de president van de Zuid Afrikaanse Republiek, Paul Kruger, gedwongen om te vluchten. Op dat moment verbleef hij op Portugees koloniaal grondgebied.
De Britse autoriteiten in Perim gedroegen zich afstandelijk tegenover het Nederlandse schip. Zeekaarten waren niet verkrijgbaar en kolen konden pas worden verstrekt wanneer een nieuwe scheepslading arriveerde. Er werd niet gewacht, het schip zette koers naar Aden. Daar slaagde de consul erin om enkele oude zeekaarten te bemachtigen en deze per sloep aan boord te brengen. Daarna werd er koers gezet naar Mozambique.
Als het schip haar bestemming nadert blijkt dat de oude zeekaarten geen goede informatie verschaffen. De vaargeul is onvindbaar. Later blijkt dat de haven een nieuwe, meer zuidelijk gelegen vaargeul heeft gekregen. Noodgedwongen voer de Gelderland langzaam de oude onbetonde vaargeul door, terwijl er lodingen werden gedaan. Wanneer het schip op 12 oktober Lourenzo Marques binnen loopt liggen daar al drie Britse marineschepen. Toch houden die zich afzijdig.
Om niet te provoceren, komt de president een week later in de ochtend aan boord. Het voormalige hoofd van de Republiek Transvaal is zichtbaar geroerd en overgelukkig dat hij aan boord wordt ontvangen. De belangstelling voor het schip dat 'Oom Paul' naar Frankrijk zal brengen is bijzonder groot. Het is dan 19 oktober, de dag waarop de verloving bekend wordt gemaakt van H.M. Koningin Wilhelmina met Z.K.H. de hertog Hendrik van Mecklenburg-Schwerin.
Op 20 oktober verlaat het schip de haven en vaart via Dar es Salaam en Djibouti naar Marseille waar ze op 22 november arriveert. (Het gebeuren bracht Zuid-Afrika er in 1954 toe om een aangekocht Britse Seaward defence boat van de Ford-klasse, Gelderland te noemen.) In Nederland was de publieke opine sterk op de hand van de Oud-Nederlandse kolonisten in Zuid Afrika. De president zou zijn land niet weerzien. Voor hij terug kon keren was de oorlog verloren en in ballingschap overleed hij in 1904 te Clarens in Zwitserland.
klik voor groter Wanneer Paul Kruger het schip verlaten heeft, vertrekt de Gelderland nog dezelfde dag om via Algiers haar reis naar Oost Indie voort te zetten. De bolder op de campagne, waar naast Paul Kruger gedurende de overtocht vaak zat, werd als herinnering jarenlang daarna oranje geschilderd.
Wanneer het schip door het Suezkanaal vaart, wordt ze aan bakboordzijde, achter de commandobrug, aangevaren door het lege Britse kolenschip Peterston. Er ontstaat een enorme schade zowel aan de brug, als aan de scheepshuid.
Ook de fundatie van het voorste 12 centimeter kanon is ontzet. Men probeert de schade te Suez, in het droogdok, zoveel mogelijk te herstellen waarna de reis weer wordt voortgezet. De Raad van Scheepvaart te Port Said verklaart na onderzoek dat de koopvaarder de aanvaring had veroorzaakt.
Pantserdekschip Gelderland arriveert op 29 januari 1901 te Tandjong Prink waar ze de Holland aflost. In de periode van 12 november 1904 tot 24 februari 1905 zou de Gelderland het vlaggeschip in Nederlands Indie zijn. Met de zusterschepen Utrecht en Noordbrabant werd het schip verenigd in de Java Divisie.
6 juni 1904
De pantserdekschepen Hr.Ms. 'Gelderland' en Hr.Ms. 'Utrecht' lopen schade op aan hun beider rompen als de schepen aan de grond lopen bij de Aroes Lampoejang (Zuid-Sumatra). De 'Gelderland' loopt als vlaggenschip, voorop varende, het eerst aan de grond, maar kan niet verhinderen dat de op 600 meter volgende 'Utrecht' ook aan de grond loopt. De ondiepte was niet op de aanwezige kaarten aangeven. Beide schepen wijken vervolgens uit naar respectievelijk Soerabaja en Singapore voor de noodzakelijke reparaties.
17 juni 1905
Vertrek vanuit Tandjong Priok van de pantserdekschepen Hr.Ms. 'Utrecht', Hr.Ms. 'Noordbrabant' en Hr.Ms. 'Gelderland', verenigd in het Nederlands Eskader in Oost-Indië (vroegere Java-divisie), voor de terugreis naar Nederland via Mahe, Perim, Port Saïd, Algiers en Tanger. De schepen zullen op 30 augustus 1905 weer in Den Helder terugkeren.
12 september 1905
wordt het schip uit dienst gesteld. Gedurende 1906-1907 zou het schip onderhoud krijgen bij de Maatschappij Fijenoord te Rotterdam. Daarbij werd ze uitgerust met nieuwe ketels.
25 februari 1907
wordt het schip te Den Helder weer in dienst gesteld. Ze vertrekt dan op 20 maart naar Curacao, via Tanger, Las Palmas en Fort de France. Vanwege het Amerikaanse nationals herdenkingsfeest vertrekt het schip op 23 mei uit Curacao. Ze zet vervolgens koers naar Hampton Roads, waar op de rede wordt geankerd. Later, van 13 -17 juni wordt er te Newport News gedokt.
20 juni 1907
De reis gaat verder naar New York. Wanneer het schip op 3 juli weer zee kiest om naar Curacao te gaan blijken er 35 schepelingen te zijn gedeserteerd.
Het schip arriveert op 10 juli te Curacao om vervolgens op 6 augustus weer te vertrekken voor een reis naar Paramaribo. Vandaar gaat het schip naar Barbados, Grenada, Venezuela en terug naar Curacao. Op 22 januari 1908 van Curacao naar Colombia, Panama, Centraal-Amerika en Mexico, om daarna te New-Orleans te dokken. Via Havanna gaat de reis terug naar Curacao waar ze 14 april 1908 arriveert.
De maand erop wordt er een reis gemaakt van Curacao via Trinidad naar Suriname en terug naar Curacao. In december 1908 neemt de Gelderland deel aan de actie tegen Venezuela, waarbij het Venezolaanse patrouillevaartuig, Alix naar Curacao wordt opgebracht. Op 24 april 1909 keert het schip terug naar Nederland.
Ze arriveert op 14 mei te Den Helder, waarna ze op 5 juni bij de Rijkswerf in dienst wordt opgelegd met een minimale bemanning. Te Den Helder wordt het schip op 1 februari 1911 weer in dienst gesteld. Het schip heeft dan een aantal wijzigen ondergaan. Zo heeft ze langere masten gekregen.
Op 7 april 1911 maakt het schip een oefen­reis met adelborsten en jonge schepelingen. Ze vertrekt naar zee en bezoekt Cadiz, Las Palmas, Gibraltar en enkele malen Tanger.
Op 8 juni meert men weer of te Den Helder. Wanneer het schip op 18 juni 1911 te Rotterdam is, komt Z.K.H. Prins Hendrik aan boord. Hij reist met het schip naar Sheerness om de kroningsfeesten van het Britse koningspaar bij te wonen. Het schip is op 29 juni weer terug.
Tussen 21 oktober en 21 december wordt er vanuit Den Helder een oefenreis gemaakt met adelborsten naar de Middellandse Zee.
Van 29 april 1912 tot 30 mei wordt een oefenreis gemaakt op de Noordzee, Noord-Atlantische Oceaan en de Deense wateren. En een reis van 4 juni 1912 tot 29 juni in de Noorse wateren, waarbij een aantal fjorden wordt aangedaan.
Op 16 oktober 1912 vertrekt het schip van Den Helder wederom voor een oefenreis naar de Middellandse Zee. Het schip verblijft dan langere tijd in Smyrna (Izmir) in verband met de Eerste Balkanoorlog (1912 - 1913) tussen Bulgarije en Turkije. De oorlogsituatie in Turkije geeft een onverwachte wending aan de bootjesreis met adelborsten in de Middellandse Zee.
Op 11 november 1912 vertrekt ze naar Constantinopel om, wanneer nodig, de Nederlandse belangen te beschermen. In de haven van Constantinopel (Istanboel) is het druk. Ook andere Europese landen hebben marinevaartuigen gezonden om hun gezantschappen, die voornamelijk, in de wijk Pera liggen te beschermen. Wanneer het front op gehoorafstand de stad nadert, wordt op 18 november 1912 om 05.00 uur een landingsdetachement van 100 man ontscheept.
Pantserdekschip Gelderland verlaat, een half jaar later, op 29 mei 1913, het gebied om op 19 juni weer Den Helder binnen te lopen.
Van 16 oktober 1913 tot 18 december wordt een oefenreis gemaakt naar de Middellandse Zee.
Op 26 mei 1914 vertrekt het schip vanuit IJmuiden voor een oefenreis op de Noordzee en Noord-Atlantische Oceaan waarbij Christiana, Bergen en Trontheim worden bezocht. Ze keert op 26 juni terug in Den Helder.
Gedurende de periode van mobilisatie (1914-1918) wordt er nauwelijks gevaren. Wel worden er allerlei diensten verricht. Gedurende 1915 verandert haar bewapening ; er komen twee anti-luchtvaartkanons aan boord.
Tijdens een patrouille voor de Nederlandse kust vindt op 14 maart 1917 een ketelontploffing plaats. Er vallen een dode en negen zwaar gewonden.
Eenmaal terug in de haven wordt het schip kort daarop uit dienst gesteld en in onderhoud genomen. Omdat het schip een nieuwe taak krijgt als Artillerie-Instructieschip wordt er opnieuw een wijziging in haar bewapening doorgevoerd. Uiterlijk verandert ze verder doordat de hoeden van de schoorstenen worden verwijderd.
Ze wordt opnieuw in dienst gesteld op 27 april 1920, nu als Artillerie-instructieschip. Ruim zeven jaar later in november 1927 werd ze weer nit dienst gesteld, zodat het nodige onderhoudswerk kon worden uitgevoerd.
Op 2 mei 1930 wordt ze weer in dienst gesteld. Vanuit Den Helder vertrekt ze op 22 juni 1931 voor een reis naar de Noordzee en het Kattegat. Er wordt een bezoek gebracht aan Aarhus. Als het schip dan terug is in Den Helder, wordt ze op 21 juli uit dienst gesteld. Opnieuw werden onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd.
Ze wordt op 18 maart 1935 weer in dienst gesteld. Van 4 november 1935 tot 22 december wordt een reis gemaakt naar de West-Afrikaanse kust.
Op 9 september 1937 gaat het schip, met aan boord Prinses Juliana en Prins Bernhard, naar Harwich in verband met de kroningsfeesten van het Britse koningspaar. Het schip wordt daarbij geoscorteerd door de torpedoboot Z5.
Om te voorkomen dat de opleidingen gedurende de winter gestaakt moeten worden, maakt de Gelderland van 28 oktober 1937 tot 18 maart 1938 een reis naar Curacao, mede voor het houden van schietoefeningen.
De Koninklijke Marine verwacht materiaaluitbreiding en heeft dus een dringende behoefte aan kanonniers en konstabels. Vlak voor het vertrek wordt de 40 jarige loopbaan van het schip door de commandant herdacht.
Tijdens de terugreis verricht het schip in de Straat van Gibraltar voor korte tijd konvooidiensten, dit vanwege de Spaanse burgeroorlog.
Van 17 oktober 1938 tot 7 februari 1939 maakt het schip eenzelfde reis naar Curacao. En ook nu verricht het schip weer een aantal weken konvooidiensten in de Straat van Gibraltar.
Haar taak als Artillerie-instructieschip zou in 1939 worden overgenomen door de Van Kinsbergen, waarna het schip werd opgelegd en in mei 1940 op de Rijkswerf te Den Helder ontwapend.
Toen de mobilisatie van kracht werd bleef ze opgelegd totdat de Duitse bezetter het schip in 1941 in beslag nam. Het schip werd daarna aanvankelijk door de scheepswerf C. van der Giesen en Zn te Krimpen aan de IJssel en later bij Elbing, verbouwd tot drijvende luchtdoelbatterij Niobe.
Vervolgens stelde de Duitse marine het schip op 1 maart 1944 in dienst voor dienst in de Oostzee.
Op 16 juli 1944 werd het schip in de Finse Golf nabij de haven van Kotka, Finland door een Russische luchtaanval tot zinken gebracht op 60.28 N.B. en 26.37 O.L.
Het wrak werd later, in 1947, door de Finnen gelicht, en in 1953 definitief gesloopt.
De machinekamer - Aandrijving van het schip
triple machine
triple machine triple machine klik voor groter

klik voor groter klik voor groter klik voor groter klik voor groter klik voor groter
Steam Engine
Bekijk de film !

Matrozen en Zeemiliciens
Het matrozenbestaan was eind 19e eeuw hard en vol ontbering. Maar ook een bestaan vol afwisseling en avontuur. lets dat een gewone arbeidersjongen niet kende, maar wel van droomde. Het deed veel jongens van dertien, veertien jaar kiezen voor een dienstverband tot hun 28ste jaar bij de Nederlandse Zeemacht. Officieel tekende een matroos voor twaalf jaar dienst. Kwam iemand met een leeftijd van veertien in dienst, dan werden de eerste twee jaar niet als dienstjaren aangemerkt.
Eenmaal in dienst werden ze al snel geconfronteerd met het harde bestaan van een matroos. Hard werken, armzalig eten, lage lonen en pensioenen en vaak zware straffen voor kleine overtredingen. Weliswaar werden de lijfstraffen op 14 november 1879 middels de wet afgeschaft, maar straffen als detentie en degradatie waren in de zeemacht aan de orde van de dag. Er was een strikte militaire tucht.
Voorstellen tot verbetering van het leven aan boord en in kazernes werden vaak gezien als een inbreuk op de militaire gezagsverhoudingen. Het zou allemaal leiden tot de oprichting van de Algemene Bond voor Nederlandsche Matrozen. in 1897. Een bond die vooral in haar beginjaren veel tegenstand zou ondervinden.
Maar er verandert meer. Binnen enkele jaren komen er meer vakbonden voor de marineman. In 1910 krijgt de vloot haar eerste vlootpredikant, dominee C.J. Wanders. Enkele jaren later komt er ook een kapelaan, H.J.J.M. Alink. Deze houden zich dan vooral bezig met het godsdienstelijk en zedelijk welzijn. In 1918 wordt H.J.J.M. Alink tot vlootaalmoezenier benoemd.
Dienstplichtig
klik voor groter Eind 19e eeuw werden de schepen voor een belangrijk deel bemand door de zeemilitie (zeemiliciens). Dit waren dienstplichtigen die gedurende een periode van, in principe, acht maanden in dienst waren waarin deze hun drie maanden durende opleiding kregen en oefenden. Het waren vooral de schepen die bestemd waren voor kustverdediging die werden bemand door de militairen van de zeemilitie.
Wanneer een zeemilicien aan een gestelde norm voldeed, kon deze weer uit de actieve dienst gaan. Maar wanneer deze norm niet werd gehaald werd de actieve dienst verlengt, tot maximaal een jaar. Eenmaal uit actieve dienst bleef men voor vijf jaar dienstplichtig. Uiteraard viel de zeemilicien onder de krijgstucht. Deze duurde voort tot een jaar en zes weken na zijn ontslag uit dienst.
In 1908 golden onder andere de volgende zaken : Iedere zondagmorgen is er kerkdienst. Deze was verplicht voor minderjarigen. Tijdens de dienst las een van de officieren voor uit de bijbel. Wanneer de schepeling jonger is dan achtien jaar moest deze, wanneer hij ging passagieren, om 22.00 uur weer aan boord zijn. Hierop kon een uitzondering gemaakt worden wanneer hij naar het theater ging, maar dat moest dan wel schriftelijk aangevraagd worden.
Op 1 april 1909 werd een verandering doorgevoerd in de betaling van de schepelingen. Men zag het als een grote verbetering dat het soldij nu eenmaal per week werd uitbetaald in plaats van om de acht dagen. Het scheelde weer een dag. Maar ook omdat de vaste lasten voor gezinnen, zoals de huur, ook wekelijks betaald moesten worden.
Het soldij voor schepelingen in 1909 bedroeg :
Matroos 3e klasse 0.47 gulden (0.21 Euro) per dag
Matroos 2e klasse 0.60 gulden (0.27 Euro) per dag
Matroos le klasse 0.75 gulden (0.34 Euro) per dag
Korporaal 1.00 gulden (0.45 Euro) per dag
Het lage salaris bracht menig gehuwde marineman er toe om een bijbaantje te zoeken. lets dat in steden als Amsterdam zeer goed mogelijk was.
centen klinkende munt Wanneer men een speciaal brevet had kreeg men een toeslag, evenals wanneer men beschikte over het 'certificaat voor Goed Gedrag', van 0.07 gulden (0.03 Euro) per dag.
Dit certificaat werd toegekend na twee jaar met alleen lichte straffen. Voor iedere vijf jaar dat men dit certificaat in bezit had werd eveneens een vergoeding betaald 0.05 gulden (0.02 Euro) per dag.
Dagelijkse routine
Aan boord was de gehele bemanning in twee gelijke delen verdeeld. Het stuurboordskwartier en het Bakboordskwartier. Wanneer men was ingedeeld in het Stuurboordskwartier droeg men op de rechterschouder een rode kwartierstreep, in het Bakboordskwartier was deze groen en werd op de linkerschouder gedragen. Verder was de equipage in bakken verdeeld, gewoonlijk veertien tot zestien man, die per bak onder bevel stonden van een baksmeester.
De schepelingen, die tot een zelfde bak behoorden aten vaak aan dezelfde tafel en deden dezelfde werkzaamheden. Iedere bak werd aangeduid met een nummer, bak I, bak II enz., maar vaak ook als: roeiersbak, busschietersbak, enz..
Enkele bakken bij elkaar vormde een divisie waarover een officier de leiding had. Iedere schepeling moest altijd zijn uniform dragen, ook wanneer hij met verlof was.
Aan boord werd het etmaal in zes wachten verdeeld. ledere wacht duurde dus vier uren.
00.00- 04.00 uur : Hondewacht
04.00- 08.00 uur : Dagwacht
08.00- 12.00 uur : Voormiddag
12.00- 16.00 uur : Namiddag
16.00- 20.00 uur : Platvoet
20.00- 00.00 uur : Eerste wacht
leder half uur werd er op de klok geslagen, het zogenaamde glazen staan. Het eerste halve uur na het begin van iedere wacht werd aangegeven met èèn slag op de klok ; èèn glas. Het tweede halve uur twee slagen ; twee glazen, enz.. Wanneer er acht glazen werden geslagen was de wacht dus om. De daaropvolgende wacht begon een half uur later weer met één slag op de klok.
Vroeg in de morgen werd er 'reveille' geslagen of geblazen en 'overal' gefloten. Daarna werd het een drukte van belang, want iedereen ging z'n kooi uit. Vervolgens werd deze gesjord en naar de verschansing gebracht, waar ze werden aangenomen door de kooienstuwer. Het was beslist verboden dat er spullen in de kooi achterbleven, of de kooi op het dek te leggen. De kooi moest worden overhandigd aan de kooienstuwer.
Een fluitsignaal gaf aan dat het 'wassen en kammen' was, waarna ieder zijn 'waschblikje' pakte en zich gereed maakte voor de dag. Na een zindelijkheidsinspectie werden de handdoeken aan een lijn opgehangen. Het was niet toegestaan om de handdoek bij zich te houden.
klik voor groter Werd de klok geluid om te schaften, dan ging ieder naar zijn bak.
Het zeuntje (hulpje van de baksmeester) haalde dan het eten uit het kombuis, en gaf aan de kok door hoeveel ketelaars (mensen van de bak die later moesten eten, ook wel naschafters) er waren.
Gedurende het schaften moest er een behoorlijke stilte in acht worden genomen en was het niet toegestaan om zonder toestemming, van de baksmeester de bak te verlaten.
Wanneer het schip werd schoongemaakt gebruikte men zwabbers en putsen (emmers). Het was het uit den boze om de putsen over het dek te schuiven. Het kon het dek beschadigen of splinters veroorzaken. Het zwabberen diende langsscheeps te gebeuren.
In iedere bak werd beurtelings één persoon aangewezen als zeuntje en één als bijzeuntje. Het zeuntje was verantwoordelijk voor het eten en bestek. Maar ook voor de kooi van de baksmeester.
Het achterdek, de campagne, was verboden gebied voor de schepeling. Alleen wanneer een bevel daar toe was gekregen mocht hij daar komen.
De wacht
Aan boord van de grotere schepen waren er om de beurt twee officieren, een Luitenant ter Zee le klasse en een Luitenant ter Zee 2e klasse, verantwoordelijk voor de zeewacht. Bijgestaan door een bootsman als chef onderofficier van de wacht, een kwartiermeester en een korporaal konstabel.
Er waren verschillende wachtposten aan boord. Iedere diensttak zorgde voor een eigen wacht. Op de brug, werd deze wacht gedurende de dag uitgevoerd door de seinbrigade. Een groep van vier man die onder toezicht van een kwartiermeester belast was met het seinen, behandelen van lodingen en uitkijk. Ook zorgde deze ervoor dat in de avond op tijd de scheepsverlichting ontstoken werd en deze in de ochtend weer gedoofd werd.
Maar ook in het schip waren wachtposten. Zo was er, nabij de machinekamer ventilators op het kuildek, vanaf 06.00 uur tot 22.00 uur een schildwacht aanwezig. Wanneer om 22.00 uur de seinbrigade haar post op de brug verliet, dan nam deze schildwacht de post tot 06.00 uur over. De wacht was daarbij gekleed in tuniek of werkpak en bewapend met bajonet.
Gedurende de dag moest deze wacht er op toezien dat opvarenden beneden de rang van sergeant zich niet naar andere werkplekken begaven dan hun eigen. Een stoker mocht bijvoorbeeld absoluut niet in de machinekamer komen, tenzij hij een vergunning had gekregen.
Wanneer het schip onder stoom was, dan mocht alleen de olieman van de wacht zich naar het achterschip begeven voor noodzakelijk onderhoud. Ook moest de wacht er op toezien dat er geen kledingstukken in de machinekamer te drogen werden gehangen.
Wanneer het schip in een vreemde haven was stond er meestal een, met geweer bewapende, schildwacht op post op de bovenbrug. Was men op zee, of in het eskader met andere schepen, dan was dit alleen gedurende de nacht. Dan werd deze post bemand door de wacht van het kuildek. Op de bovenbrug was het vooral de taak om als uitkijk te fungeren. Wanneer een vaartuig in zicht kwam, of een sein werd afgegeven, dan maakte deze wacht daar melding van aan een meerdere.
Een andere post aan boord was de schildwacht bij arrestanten, op het tussendek. Hij beschikte over de sleutels van de boeien die alleen werden afgegeven aan de provoost. Wanneer een arrestant buiten zijn cel was moest de wacht er op toezien dat de arrestant geen contact had met andere schepelingen. Verder mocht de arrestant niet praten en kreeg hij een ratsoen van water en brood. (Voor niet-Europese schepelingen werd het brood vervangen voor rijst.)
Ook was het een taak van deze schildwacht om er op toe te zien dat er niets werd gekocht uit langszij komende prauwen (door de torpedopoort) Ofwel dat er niets binnen-of buitenboord werd gebracht zonder dat de adelborst van de week hiervan op de hoogte was. Tevens werd er op toegezien dat er niet op het tussendek gerookt werd gedurende werkzaamheden of wanneer de munitiebergplaats open was.
Straf
Wanneer men gearresteerd was vanwege een vergrijp dan werd men verbannen naar een cel op het tussendek, voor in het schip. Een ruimte waar men dan de komende tijd zou verblijven. Weliswaar mocht de arrestant gedurende de dag zo nu en dan uit de cel, maar men moest in de kleine ruimte (meestal voor schot 21) voor in het schip blijven. Vroeg in de avond werd de cel afgesloten. Men was dan tijdens detentie gekleed in een zeildoekspak zonder ondergoed. Alleen gedurende de nacht was men gekleed in hemd en onderbroek.
Praten was ook strikt verboden voor een gestrafte. Daarbij kon het gebeuren dat men in een strafklas werd geplaatst om werkzaamheden te verrichten. Dan kon het gebeuren dat de gestraften hun kleine ruimte tijdelijk konden verlaten. Het werk bestond dan voornamelijk uit het vegen, poetsen of schoonmaken van het schip.
brief uit 1901 van Korporaal Johannes Hollestelle
schrijven
Als korporaal ziekenverpleger maakte Johannes in 1900 deel uit van de bemanning van Hr. Ms. Gelderland die na interventie van Koningin Wilhelmina president Paul Kruger uit Zuid-Afrika naar Marseille. Johannes schreef daar een verslag (brief) over dat bewaard is gebleven en nu te vinden is in het Nationaal Archief in Den Haag.
Hij was later tewerkgesteld in het marinehospitaal Willemsoord als ziekenverpleger, en ging op 1 januari 1924 met ontslag in de rang van opper-ziekenverpleger. Zijn stamboeknummer was 27249.
“Op 22 Augustus 1900 vertrok Hr. Ms. "Gelderland" uit de haven van Nieuwediep om de reis naar Ned. Indië te aanvaarden. Doch vooraf zouden we enkele dagen in Vlissingen blijven om eventuele fouten van het kompas te controleren.
Op 25 Augustus verlieten we de haven van Vlissingen met bestemming Algiers, waar we acht dagen later arriveerden. In Algiers bleven we 6 dagen liggen om kolen te laden en tevens de bemanning gelegenheid tot passagieren te geven.
Van Algiers werd de reis voortgezet naar Port Said, waar we zes dagen later aankwamen.
Natuurlijk ook weer kolen laden en na de electrische installatie aan boord te hebben genomen om bij nacht het Suez-kanaal te kunnen doorvaren, verlieten we Port Said, om 36 uur later in Suez te arriveren.
Verder ging de reis door de Rode Zee naar Perim ; ook daar weer bunkeren natuurlijk.
Hoewel er in Prim voor de bemanning niet veel "te beleven" was, bleven we daar toch ongewoon lang liggen, zodat allerlei geruchten de ronde deden over dit ongewoon lang verblijf in Perim. Ook in de kombuis (gewoonlijk hèt Nieuwsbureau aan boord) werden allerlei nieuwtjes gebrouwen, die echter niet steekhoudend bleken te zijn.
Doch eindelijk werd op het aanplakbord bekend gemaakt, dat de Gelderland met geheime orders moest opstomen naar de Delagoabaai (Lorenzo Marquez) Portugees Oost-Afrika dus.
Onmiddellijk werd het anker gelicht en vervolgde de Gelderland haar reis weer terug door het Suezkanaal om vervolgens de reis voort te zetten naar de Delagoabaai.
Bij het binnenvaren van deze baai zagen we 4 grote Engelse oorlogsschepen, waarbij onze Gelderland maar een povere indruk maakte.
Op een goede morgen kwam President Kruger heel vroeg in een klein onooglijk scheepje aan boord van de Gelderland met als gevolg dr. Hijmans, zijn zoon Eloff en zijn getrouwe hofmeester Happé. Zodra de president aan boord was, werd onmiddellijk het anker gelicht en vervolgde de Gelderland haar reis naar Marseille waar we de President aan land zouden brengen.
Bij aankomst in de haven van Marseille waren zeer talrijke kleine bootjes met muziekinstrumenten om de komst van de Gelderland met vreugde te begroeten, kennelijk met de bedoeling om de "fiere daad" van de jonge koningin Wilhelmina in hoge mate te prijzen, en de vele "vive les Hollandais" waren dan ook niet van de lucht.
Gedurende de reis van Lorenzo Marques was de president in een grote stoel gezeten bij het kanon van 15 cm op het achterdek (bij gunstig weer natuurlijk), doch zodra er een Engels schip in zicht kwam, werd hij weer naar beneden gebracht. In gedachten zie ik hem daar nog zitten, gestoken in een zwart laken pak, waarbij een punt van een grote rode zakdoek uit een der broekzakken duidelijk zichtbaar was. In zijn vest prijkte een grote gouden ketting met ongelooflijk grote schalmen, iets om jaloers op te worden, dit dan bij wijze van spreken ! Toen we President te Marseille aan land hadden gebracht dankte hij minzaam door zijn "Hoge Zijden" naar een kant even op te lichten ; ik zie dat hele tafereel nog voor mij als de dag van gisteren.
Onmiddellijk hierna vertrokken we, door een duizendkoppige menigte nogmaals luide toegejuicht, naar de overzijde (Algiers) om aldaar enige tijd te Algiers te liggen om de bemanning wat rust te geven en natuurlijk weer kolen bij te laden.
Na een zestal dagen in Algiers te zijn gebleven werd de reis voortgezet naar Port Said. Maar voor we in Port Said zouden aankomen (er liep een vrij hoge zee) werden we in 't gezicht van de haven aangevaren door een grote Engelse kolenboot "Peterston" genaamd, boze tongen beweerden dat een en ander opzettelijk zou zijn gebeurd, uit wraak dat we Paul Kruger uit Lorenzo Marquez naar Marseille hadden gebracht.
Doch hoe dit zij de Gelderland had door deze aanvaring zware slagzijde gekregen en opname in het "dok" te Cairo was noodzakelijk om de noodzakelijk geworden reparatie te verrichten. Toen de repararties beëindigd waren, kon de Gelderland de reis weer voortzetten en we gingen via Aden en Colombo naar Batavia, waar we 29 januari 1901 aankwamen.
Samenvattend : een vermoeiende reis met veel wederwaardigheden, een reis, die in de Annalen der geschiedenis geboekstaafd zou blijven.
De stemming aan boord liet meermalen te wensen over !
Het bevel over Hr. Ms. Gelderland was opgedragen aan de Kapitein ter zee Baron Sweerts de Landas Wijborgh, de Luitenant ter zee der 1e kl. J.W.H. Kuijl, Eerste Officier, Chef d'Equipage: opperschipper C.J. v.d. Pol.
Dat dit sobere en beknopte verslagje nog van enig nut zal kunnen zijn hoopt de schrijver, J.Hollestelle korporaal ziekenverpleger aan boord van Hr. Ms Gelderland.
Zeeroof !
zeerovers De Java-Bode meldt :
Den 11e October werd ons uit het Soerabaya Handelsblad geseind dat het pantserdekschip Gelderland eerst naar Batavia zou opkomen om daarna samen met het flottieljevaartuig Mataram naar de Zuidkust van Flores te stoomen tot het ondernemen van een tuchtigings-expeditie met als voornaamste doel het bestrijden van Zeeroof.
Wij begrepen al niet zegt de Java-Bode, wat eerstgenoemd genoemd schip vooraf te Batavia zou te maken hebben ,dit bericht is ons dan ook onjuist gebleken
Uit Soerabaya werd echter aan de Java-Bode schreven dat beide schepen werkelijk zijn aangewezen om de weerbarstige kampongs vanwaaruit zeeroof plaatsvindt, aan de Endehbaai te gaan tuchtigen.
De Mataram zou eenige dagen eerder vertrekken om voor Labooan Hadji ter Oostkust van Lombok vlag en machtsvertoon te maken. De Haro landings-divisie sterk 30 man onder den luitenant ter zee 2e klasse N. Maats moet zich daar even aan den wal vertoonen.
Daarna moet de commandant van dit schip de luitenant ter zee le klasse J J Rainbonnot zich stellen onder de bevelen van den commandant der Gelderland den kapitein ter zee jhr J. F Coertzen de Koek om samen naar Endeh te stoomen ten einde in overleg met den resident Timor en onderhoorigheden de orde te herstellen.
De landingsdivisie van dit schip is 120 man sterk onder bevel van den luitenant ter zee Ie klasse K J Castendijk. Het commando over de beide landingsdivisien samen wordt gevoerd door den commandant der Mataram.
Men verwacht dat de tocht naar de baai van Endeh niet meer dan 8 a 10 dagen zal vorderen.
Eerstvolgens daarna zou de Gelderland naar Tandjong Priok opkomen om kolen te laden en van die gelegenheid gebruik worden gemaakt om gevechtsschietoeteningen te houden in de Duizendeilanden
Uit Soerabaya werd Vrijdag den 14en October aan het Batavia Handelsblad geseind : De Mataram is gisteravond naar Laboean Hadji vertrokken. De landingsdivisie zal daar tochten maken voor machtsvertoon. De Gelderland gaat vermoedelijk Maandag derwaarts en vandaar samen met de Mataram naar Endeh. Den commandant van de Mataram zal dan het commando over de gecombineerde landingsdivisies worden opgedragen.
Toelichting:
klik voor groter Zeeroof vormde in de Indonesische archipel in de negentiende eeuw een hinderlijk en hardnekkig probleem. Het gouvernement zette kostbare bestuurlijke en maritieme middelen in voor de bestrijding. De inspanningen wierpen op den duur vruchten af, zodat aan het eind van de eeuw de zeeroof nagenoeg was uitgeschakeld.
Zeeroof werd grotendeels beoefend in twee vormen. De eerste bestond in aanvallen vanaf korte afstand op passerende vervoerstromen, vooral in drukbevaren zeestraten, zoals Straat Malakka en Straat Makasser.
De tweede werd uitgeoefend door uitgestrekte strooptochten, vaak over zeer lange afstanden. De rooftochten strekken zich vooral uit naar dichterbevolkte gebieden zoals Java.
De koloniale macht was gevestigd in een reeks bestuursposten temidden van de inlandse bevolking. De zeeroof kon zijn doelen kiezen en de koloniale overheid moest afwachten. Terwijl zeerovers vrijelijk konden bewegen waren bestrijders gebonden aan de verdediging van gevestigde posten en woonplaatsen.
Perahu penjajap Zeerovers en bestrijders maakten gebruik van heel verschillende maritieme middelen.
De belangrijkste roversvaartuigen waren de perahu penjajap en de perahu kakap.
De perahu kakap was het kleinste type. De lengte bedroeg slechts 20 tot 25 voet en de diepgang was gering. Het had een enkele mast met een vierkant zeil, gewoonlijk gemaakt van gevlochten kadjang.
De mast kon gemakkelijk worden neergelaten en het losse roer evenzo vlot opgehaald. Dit alles maakte het geschikt om tussen riffen te manoeuvreren, landingen uit te voeren en op het strand, tussen mangrove of in kreken te worden verborgen.
De bemanning telde acht tot tien koppen, flink bewapend met geweren, slagen steekwapens.
Perahu kabab
De koloniale zeemacht kampte in het begin van de negentiende eeuw met veel problemen van technische aanpassing. Voor de maritieme verdediging beschikte de koloniale overheid over grote schepen met zware bewapening. In de zeeroofbestrijding werden die voordelen ongedaan gemaakt in de ondiepe en gevaarlijke vaarwateren langs de kust, waar de inheemse vaartuigen van de zeerovers sneller, beter wendbaar en bijna ongrijpbaar bleken.
De koloniale overheid probeerde tegenspel te krijgen door aanpassing aan de inheemse omstandigheden. Ten eerste ging zij over tot het in dienst nemen van inheemse vloten, zoals die van de voormalige zeerover Radja Akil. Elders leunde de koloniale macht zwaar op ondersteuning door vloten van inheemse vorsten, zoals de kakap vloot van de sultan van Ternate.
Er werd opdracht gegeven tot het bouwen van kruisvaartuigen naar inheems model. Daarmee werd evenmin een afdoende antwoord gevonden op het probleem van de zeeroof.
Mede daarom werd al vroeg gepleit voor het inzetten van stoomschepen bij zeeroofbestrijding. Hun grootste voordeel was het kunnen varen en manoeuvreren onafhankelijk van weer en wind. Daardoor konden regelmatige kruistochten worden gehouden.
Duizend eilanden - Ondiepten Riffen en Zeerovers Maar de beperkingen waren niet gering. Steenkolen waren duur en het verbruik enorm. De diepgang van de stoomschepen belemmerde het opereren langs kusten omzoomd met ondiepten en riffen.
Voor de marine was voorts zichtbaarheid een groot probleem, doordat stoomschepen met hun grote rookwolken hun positie van verre verrieden.
Duizend eilanden - Ondiepten Riffen en Zeerovers
Het ontslag van den kapt. ter zee van Asbeck
17 maart 1918
Het bericht dat de kapt. ter zee Baron van Asbeck directeur van het Marine-Instituut met 1 Aug den zeedienst zal verlaten heeft aanleiding gegeven tot enkele opmerkingen, Land en Volk was begonnen met het bericht te lanceeren dat het ontslag een gevolg zou zijn van een conflict met den minister van Marine, daarop volgde een officieele verklaring van het Haagsche correspondentiebureau dat het ontslag niet berustte rustte op een geschil met den minister maar verband band hield met gezondheidsredenen
Aan het Vaderland wordt nu aangaande gaande deze zaak het volgende gemeld : De gezondheidstoestand van den genoemden hoofdofficier is in de laatste jaren zeer goed zoodat dat niets hem zou beletten buitengaats in volle zee te varen. Hij werd ongeveer drie jaren geleden tot commandant van het Kon Instituut benoemd niet omdat gezondheidsredenen hem beletten verder het commando over Hr Ms pantserdekschip Gelderland destijds in West-Indie te voeren maar omdat men in hem een zeer geschikt opvolger van den kapitein ter zee G F Tydeman zag.
Maar zelfs indien werkelijk zijn gezondheidstoestand varen in volle zee niet toeliet dan zou dat nog geen reden behoeven te zijn hem niet voor bevordering tot schout-bij-Nacht voor te dragen zooals in het bedoelde bericht werd te kennen gegeven.
Alle vlagofficieren bij de Kon Nederlandse Marine toch, hebben een plaatsing aan den wal en drie van de vier en de commandant van de zeemacht in Nederland en de commandant van de stelling van den Helder en de commandant van de stelling van de monden van den Maas en het Haringvliet moeten ook in oorlogstijd aan den wal blijven. De in het bericht aangevoerde redenen voor dit ontslag hetwelk in de Marinekringen de gemoederen zeer in beweging heeft gebracht kunnen dus niet de juiste zijn.
Op grond van verschillende ontvangen ingezonden stukken meent ook het Handelsblad de conclusie te mogen trekken dat de officieele verklaring van het ontslag door het Haagsche correspondentie-bureau verspreid onjuist is. Onwaar is het dat gezondheidsredenen voor kolonel van Asbeck een plaatsing aan den wal noodzakelijk maakten en hoogst waarschijnlijk is niet het feit alleen dat deze kapitein-ter-zee na langdurig verblijf aan den wal gedurende de eerste dagen aan boord last van zeeziekte heeft reden is tot ontslag.
De minister van Marine heeft allicht uitnemende redenen om den kapitein-ter-zee van Asbeck niet te bevorderen. Een hooge reputatie kan onverdiend verdiend zijn en bij bevordering bij keuze is slechts de minister verantwoordelijk. Maar het heeft er bijzonder veel van alsof de minister die goede reden wenscht achter te houden en de reden van zeeziekte die den oppervlakkig oordeelende plausibel en afdoende moet lijken slechts de o f f i c i e e l e reden is.
Ook al lijkt een ontslag onbillijk men moet een moedige beslissing van een minister om zelfs populaire hoofdofficieren te passeeren indien hij de verantwoordelijkheid van bevordering niet dragen wil eerbiedigen. Wat hier echter hinderen zal is de klaarblijkelijke onwaarheid van de officieele verklaring. Ook meenen wij den betrokken kapitein-ter-zee gegeven een verklaring die doet denken aan onderstroomingen en intriges.
21 Januari 1914 - De tweedekamer
Aan de orde was de Marinebegrooting
De tweede kamer in 1914
Het debat werd geopend door den heer DUYMAER VAN TWIST
(die de bespreking over des ministers plannen voor den naaste toekomst in verband met het rapport der Staatscommissie uitstelde de totdat des ministers voorstellen zullen behandeld worden.)
De mededeeling van den minister dat hij wil nastreven eenerzijds de logementschepen geleidelijk door kazerneering te vervangen en anderzijds zooveel mogelijk actief oorlogsmaterieel in dienst te hebben juichte spreker toe omdat daaruit blijkt de continuiteit van het beleid van minister Colijn.
Over den toestand waarin het materieel onzer vloot verkeert was spreker niet gerust. Ook want het bemannings vraagstuk aangaat zijn de cijfers van het verloop verre van gunstig. Voor een marine-militie gevoelde spreker niet veel. Hij onderschreef niet de stelling van den minister dat het sluiten van een lang dienstverband verband uit den tijd is.
Gezorgd dient echter te worden den dat de vloot voor het g e h e e l e volk openstaat. Om dit te bereiken moet men de omgeving waarin de schepelingen verkeeren zoo maken dat jongelieden van christelijken huize niet afschrikken dienst op de vloot te nemen. De minister moet dus zorgen dat er een betere geest onder de marine komt en tevens moet de materieele positie der schepelingen verbeterd worden.
Gezorgd moet worden :
1- dat de schepelingen op gevestigden leeftijd een behoorlijke jaarwedde genieten.
2- dat er voldoende bevorderingskans kans is.
3- dat het pensioen in overeenstemming is met het genoten traktement.
Spreker raadde den minister aan alle mogelijke maatregelen te treffen om de uitbreiding van het inlandsch personeel op de vloot in Indie te bevorderen.
Verder drong hij aan op de instelling eener vlootcommissie commissie in den zin van de lezercommissie en ten slotte betoogde spreker dat hem ter oore was gekomen dat jonge schepelingen van de Gelderland te Algiers in strijd met het voorschrift zonder geleide hebben gepassagierd met treurige gevolgen van dronkenschap en ziekte !
Spreker vroeg te dezer zake inlichtingen.
De heer HUGENHOLTZ :
Betoogde dat onze vloot een beeld vertoont van verouderde voor de defensie waardelooze schepen met een onvoltallige bemanning en te veel officieren. En ondanks dezen toestand stijgt de marinebegrooting maar steeds. Dat uitgaven voor de improductieve doeleinden stijgen en die voor het nuttige rendement steeds geringer worden.
Spreker was voor opruiming van allen ouden rommel en meende dat slechts aangehouden moesten worden niet meer schepen dan voor de opleiding van het personeel strikt noodig zijn. Door niet allerlei ouden rommel aan te houden en door zuinigheid te betrachten zal er tevens meer geld beschikbaar komen voor het personeel. Spreker ging voorts na de oorzaken van de ontevredenheid van het voltallig personeel.
Allereerst de slechte salarissen want de nieuwe salarisregeling voldoet niet aangezien alleen oudere schepelingen er iets aan hebben. Het kwam spreker voor dat het den minister geheel en al ontbreekt aan sociaal inzicht. Nog steeds blijft de salarisverbetering voor het jongere personeel uit. Een proefneming om door salarisverbetering het verloop tegen te gaan behoeft niet zooveel te kosten, vergeleken bij het totaalcijfer onzer marinebegrooting. Zoolang een dergelijke proefneming niet is ondernomen zal spreker zich zoo krachtig mogelijk verzetten tegen het denkbeeld eener marine-militie.
Spreker drong voorts aan op een wettelijke regeling van de arbeidsvoorwaarden. In plaats van op kleingeestige wijze de organisatie van het marinepersoneel te belemmeren zou men veel beter doen door de critiek in goede banen te leiden. Verkeerd is het dat de minister de commandanten die verkeerd tegen de schepelingen optreden de hand boven het hoofd. houd, in dit verband critiseerde spreker scherp dat kolonel van der Worm die de jeugd misleidde eervol uit den dienst is ontheven met een pensioen van f 3250.
De heer NIERSTRASZ :
Juichte de reorganisatie van de afdeeling materieel toe. Spreker oordeelde de dat de oorzaak der ontevredenheid op de vloot ligt in het bestaan der militaire bonden van welke niet ontkend kan worden dat zij een anti-militaire propaganda voeren. Niet de schepelingen maar die bonden behooren verwijderd te worden. Een einde moet er komen aan het prikkelen tot verzet het stelselmatig ondermijnen der krijgstucht en het aankweeken van een anti-militairen geest zooals van dergelijke bonden uitgaat. Een weermacht zonder krijgstucht leidt tot verwarring en nederlaag. Dit geldt vooral voor een zeemacht. De enige weg om ons volksbestaan te doen behouden is dat het volk er van doordrongen wordt dat er gediend moet worden zoolang men onder dienst is. Naast strenge tucht behooren goede levensvoorwaarden waarden te staan.
De heer DE MEESTER :
(U oordeelde dat wij met onze marine in een overgangstijdperk verkeeren)
In dit licht beschouwd zou spreker zich niet verzetten tegen het alsnog oplappen van het pantserdekschip Holland. Spreker wachtte overigens des ministers vlootplan-norm af. Hij hoopte dat de ministers plannen ten aanzien van het personeel zouden getuigen van een milden geest zeker wat betreft de materieele dienstvoorwaarden als ten aanzien van de tuchthandhaving.
Spreker deelde des ministers niet-vijandig standpunt jegens de militaire bonden indien zij zich niet uiten in den vorm van een strijdvereeniging.
Het verbieden en niet toestaan zou niet werken. Het ontstaan van Geheime Bonden zouden door dergelijke maatregelen het gevolg zijn. Aan de eigenschappen waaraan aan de bonden moeten voldoen voldoet niet de bond van mindere marine-personeel, aangezien deze zich stelt op het standpunt vau den klassestrijd.
Spreker bepleitte voorts de positieverbetering voor de verschillende categorieen van minder personeel. Over 't algemeen dient ook het pensioen verhoogd.
De heer JANSEN :
Juichte toe dat geen uitvoering is gegeven aan het besluit tot samensmelting der departementen van oorlog en marine. Hij hoopt dat de ingrijpende plannen welke de minister denkt te nemen niet zullen getuigen van zenuwachtigheid en overijling hetgeen wel het geval is met de reorganisatie der afdeeling materieel aan het departement.
Spreker verzocht voorts verschillende inlichtingen aan den minister omtrent de vlootplannen voor Indie. Spreker meende dat indien de officieren het scheepsvolk meer weten te leiden en kleine bezwaren weg nemen de geest aan boord reeds veel zal verbeteren. Hij critiseerde de schending van het briefgeheim en het achterhouden van brieven.
De heer ROODHUYZEN :
(U sluit zich aan bij des heeren de Meesters standpunt ten aanzien van de militaire bonden.)
De heer VAN DER VOORT VAN ZIJP :
(vroeg verschillende inlichtingen met betrekking tot het materieel.)
Kolen bunkeren
klik voor groter klik voor groter klik voor groter
klik voor groter Dat er met regelmaat brandstof geladen moest worden spreekt voor zich. De pantserschepen die twee dekken hoog waren en een geringe snelheid hadden moesten vaak na ruim een dag alweer voorzien worden van kolen. De pantserdekschepen zoals de Gelderland consumeerden nogal wat kolen. Deze schepen waren snel en dat kostte extra brandstof. Gevolg daarvan was dat er met grote regelmaat, zo'n 700 ton kolen moesten worden geladen. (klik voor grotere afbeeldingen)
klik voor groter Bijna altijd gebeurde dit in de haven, nabij een kolenloods. Maar voordat men daadwerkelijk kon gaan beginnen met kolen laden was het al een enorme drukte aan boord. De bemanning moest eerst het schip op de komende werkzaamheden voorbereiden. Dit deed men door alle zwemvesten, grote kurken gevaarten, uit hun rekken te nemen en deze in de sloepen te laden waarna deze met tentzeil werden afgedekt. Daarna werden de dekhuizen, luikhoofden en
koekoeks in zogenaamde stuifkleden verpakt. Verder werden de voor- en achterloopplank vlak gemaakt door enkele extra planken over de kippetreden (dwarslatten) te leggen.
klik voor groter Het kolen laden zelf gebeurde door eigen bemanning.
Met kruiwagens werden manden van 50 kilo aan boord gebracht.
Twintig manden waren dus een ton. Zodat men dus ongeveer 14.000 manden ! had te verslepen. Soms werden er dan extra mensen ingezet om te helpen de kruiwagens de loopplank op te trekken. Het laden van kolen moest gebeuren. Ook bij slecht weer zoals regen waardoor het een nog zwaardere taak werd. Soms geschiedde het dat men, op kosten van de scheepstoko, een draaiorgel liet komen die dan op de steiger de gehele dag voor muziek zorgde.
klik voor groter Elke 10de mand die uit de loods kwam, werd door een 'kolen-mandoer' gewogen. Voor menig schepeling was het daarbij een hele klus om de kruiwagen in balans te houden.
Daarbij was de 50 kilo vracht moeilijk onder controle te houden wanneer een kruiwagen overstag ging. Gebeurde dit op de loopplank, dan laden de werkzaamheden stil.
Als het hoog water werd, en de loopplank een stuk steiler, dan werd het zware arbeid.
klik voor groter Om de kolenvoorraad van een pantserschip of pantserdekschip weer aan te vullen was men een aantal dagen bezig. Na een dag kolen laden was het schip al vrijwel onbewoonbaar. Het kolengruis wist werkelijk overal door te dringen en het deed haast vermoeden dat het inpakken met stuifkleden zinloos was. Veel van dit gruis kwam ook binnen in het schip doordat de bemanning steeds in en uit liep. Na het kolen laden was het interieur van het schip bijna net zo vuil als boven aan dek. Alles zat onder het zwarte gruis. Zelfs achter de stuifkleden bleek meestal alles zwart te zijn.
klik voor groter Met veel water en zeep werd alles in een dag weer gereinigd. Daarna was de bemanning aan de beurt. Wanneer mogelijk werd er dan een badhuis bezocht. De kleding moest zelf gewassen worden, waarna iedere bak (groep) een waslijn kreeg toebedeeld. De schepeling moest de was dan in een vaste volgorde ophangen 'om het aanzien van het schip niet te ontsieren'.