Handboek

gelderland logo
HANDBOEK VOOR ZEEMILICIENS
handboek handboek blz 2
Indien dit handboek door schuld of nalatigheid van den gebruiker verloren raakt, gedurende den tijd dat deze dienstplichtig is, zal hem op eigen kosten een nieuw exemplaar worden uitgereikt.
blz 5 - 6
vervolg van blz 4
In vierde jaar (voor zooveel de kustwachters betreft evenwel in het vijfde jaar), volgende op dat, waarin de eerste oefening een aanvang nam, worden de zeemiliciens opgeroepen voor een herhalingsoefening, welke ten hoogste 40 dagen duurt. Het doel dezer oefening is het vroeger geleerde nog eens te herhalen en de zeemiliciens zoodoende op de hoogte te doen blijven van hun werk.
Na afloop van den eersten oefeningstijd en de herhalingsoefening worden zij met groot verlof gezonden. De verlofganger heeft na zijn vertrek nog aan eenige verplichtingen te voldoen. Deze verplichtingen zijn duidelijk omschreven in het zakboekje, dat hij bij zijn vertrek medeneemt. Ernstig wordt de verlofganger er op gewezen, deze bepalingen aandachtig na te lezen en stipt op te volgen; voorts wordt hij er aan herinnerd, dat niet opvolgen van deze voorschriften, oproeping in werkelijken dienst ten gevolge kan hebben.
De vervoerbewijzen, die hij bij oproeping in werkelijken dienst noodig heeft, zijn eveneens achter in het zakboekje gehecht. Ook vindt hij daarin een lastgeving en eenige bons, welke hij noodig heeft, indien de dienstplichtigen tot opkomst in werkelijken dienst met spoed worden opgeroepen.
Hoe deze oproeping geschiedt en hoe de zeemilicien dan te handelen heeft, staat wederom uitvoerig in het zakboekje beschreven. Hier wordt er slechts op gewezen, dat oproeping in werkelijken dienst met spoed alleen in zeer ernstige tijden zal plaatsvinden, dat de zeemilicien dus ernstig te kort zou schieten in zijn plicht tegenover Vaderland en Vorst, indien hij niet met den meesten spoed, volgens den hem aangewezen weg en met inachtneming van de grootste orde aan deze oproeping gevolg zou geven. Iedereen bedenke, dat van een vlugge, ordelijke mobilisatie wellicht de veiligheid van land en volk afhangt.
Niet eerder dan bij ontvangst van het bewijs van ontslag uit den dienst is de verlofganger gerechtigd zich van zijn plunje en kooigoederen te ontdoen. Hij is verplicht deze goederen steeds zoodanig bij elkaar te bewaren, dat zij bij een oproeping tot opkomst met spoed, onmiddellijk kunnen worden medegenomen.
De bij terugkomst in werkelijken dienst ontbrekende goederen worden weder op zijn rekening verstrekt; bovendien is hij krijgstuchtelijk strafbaar wegens overtreding van het voorschrift om bij opkomst in werkelijken dienst in uniform gekleed te zijn en voorzien te zijn van de tot zijn verlofuitrusting behoorende goederen.
Bij vestiging buiten Nederland verder dan 15 km van de grens kunnnen desgewenscht de uitrustingsgoederen worden ingcleverd tegen taxatieprijs. De vergunning tot die inlevering wordt verleend na inzending aan den Minister van Defensie van een bewijsstuk, waaruit blijkt, dat de zeemilicien zich metterdaad buitenslands gaat vestigen. Indien het zakboekje zoek raakt, moet de verlofganger hiervan kennis geven aan den burgemeester zijner woonplaats. Hij vraagt dan een bewijs, dat hij die mededeeling heeft gedaan, en ,verzoekt aan den commandant der marine te Willemsoord een nieuw zakboekje aan te vragen.
INDEELING EN OPLEIDING.
De bij de zeemilitie ingelijfde dienstplichtigen worden aanvankelijk ingedeeld in: matrozen, kustwachters, zeemiliciens bij de marinetroepen (zeem. M.Tr.) hulptelegrafisten, seiners, stokers, olieman, chauffeurs, vliegtuigmakers, ziekenverplegers, schrijvers, hofmeesters, bedienden, koks en barbiers. Zij ontvangen hun eerste militaire opleiding in de marinekazerne te Willemsoord en worden na 2 maanden (de zeemiliciens M.Tr. evenwel na 1 maand) ter verdere opleiding naar de daarvoor aangewezen schepen of inrichtingen der zeemacht overgeplaatst.
Ofschoon het oppervlakkig beschouwd moeilijk schijnt alles te leeren, wat van een geschikten zeemilicien kan worden vereischt, zoo is het voor iemand met een gewoon verstand en goeden wil, gemakkelijk te doen; ieder zeemilicien moot bovendien wel bedenken, dat het hem later voor alle betrekkingen steeds tot aanbeveling wanneer hij zich gedurende zijn diensttijd bij de zeemacht goed heeft gedragen en getoond heeft bekwaam en geschikt te zijn.
SOORTEN VAN SCHEPEN.
De taak der oorlogsschepen is den vijand te water te bestrijden. De omstandigheden waaronder, de plaats waar dit zal geschieden en de wijze waarop wij den vijand afbreuk willen doen, kunnen zeer verschillend zijn en het spreekt dus wel vanzelf, dat niet alle oorlogsschepen gelijk zijn, dat er dus verschillende soorten (typen) van oorlogsschepen moeten zijn. Zoo bijvoorbeeld zullen er schepen zijn, die in volle zee den strijd met den vijand moeten aanbinden, terwijl andere tot taak hebben op te treden in de nauwe en vaak ondiepe vaarwaters tusschen de eilanden van onze kust.
vervolg op bladzijde 7
blz 9 - 10
vervolg van blz 9
De kanonnen rusten in schuifaffuiten of wiegaffuiten. De middellijn der ziel over de velden wordt het kaliber van den vuurmond genoemd, de lengte der middellijn wordt uitgedrukt in centimeters; de kanonnen worden naar dit kaliber genoemd. Zoo spreekt men van een kanon van 12 cm, dit is dus een kanon, waarbij de middellijn der ziel 12 centimeters bedraagt.
Kanonnen van eenzelfde kaliber worden nog onderling in nummers onderscheiden, de hoogste nummers geven de nieuwste modellen Eindelijk treft men nog aan : kanonnen oefening snellaad en oefeningskanonnen. Kanonnen oefening snellaad dienen om de bedieningsmanschappen te oefenen in het vlug laden, openen en sluiten van het sluitstuk; zij zijn uitsluitend bestemd voor het houden van exercitien. Oefeningskanonnen zijn bestemd voor het houden van schietoefeningen en worden daartoe geplaatst in kanonnen van groot kaliber.
Opstelling van het geschut.
Om den vijand te treffen, moeten de kanonnen in de gewenschte richting kunnen worden gesteld. Het doen bewegen van het kanon in het horizontale vlak wordt ,baksen" genoemd, in het verticale vlak elevatie geven". Het elevatie geven wordt onderscheiden in zoogenaamd ,vluchten" en ,dompen", al naarmate men het kanon met de monding naar hoven dan wel met de monding naar beneden beweegt.
Aangezien bij het afvuren van het kanon de spankracht der buskruitgassen zich zoowel aan het projectiel mededeelt, als zich ten opzichte van het kanon doet gevoelen, behoort het kanon naar achteren te kunnen inspringen (reculeeren), om onmiddellijk daarna wederom zijn vorigen stand te hernemen (te boord loopen).
In verband met bovenstaande vereischten onderscheidt men bij de opstelling van het geschut vier onderdeelen, n.l. kanon, affuit, slede en pivot. De meest voorkomende opstelling is de z.g. wiegaffuit-opstelling, waarbij het kanon als het ware in een wieg rust (de affuit), doch niettemin ten opzichte daarvan kan reculeeren. De elevatie wordt hierbij tegelijkertijd zoowel aan kanon als aan affuit medegedeeld. Het geheel rust op een draagvlak, slede geheeten, hetwelk draaibaar is opgesteld om een aan het schip vastgebouwde pivot.
Bij enkele oudere kanonnen komt nog de z.g. schuifaffuit-opstelling voor, waarbij, zooals de benaming aangeeft, de affuit tijdens het recuul schuift over de slede en het kanon niet in de asrichting van de ziel reculeert, zooals dit wel het geval is bij de wiegaffuit-opstelling. Bij de kleinere kanonnen, n.l. die van 3.7 cm en de mitrailleurs behoeft geen rekening te worden gehouden met reculeeren, in verband met de daarbij behoorende kleinere lading. Zij worden dientengevolge geplaatst in z.g. ,,potten" en ,mikken".
Het zwaarst bij de marine voorkomende geschut is dat van 28 cm, het kleinste is het kanon van 3.7 cm.
Richtmiddelen.
Ten einde het doel te kunnen treffen, behoort het kanon door middel van baksen en eleveeren in den daartoe vereischten stand te worden gebracht, waarbij gebruik wordt gemaakt van daartoe tevoren ingestelde richtmiddelen. De bedieningsmanschappen, Belast met het richten van het kanon, vormen de z.g. richtgroep. Tegenwoordig wordt bijna uitsluitend gebruik, gemaakt van kijker-richtmiddelen, welke zoodanig zijn ingericht, dat zij ook bij nacht kunnen worden gebruikt. Het kanon heet gericht 'te zijn, wanneer het doel wordt gezien in het snijpunt van 2 binnen den kijker aan gebrachte draden.
Projectielen.
De projectielen, voorkomende bij het marinegeschut, worden in het algemeen onderscheiden in granaten en granaatkartetsen. Ze zijn in hoofdzaak bestemd om door mijn- en scherfwerking schade aan te richten. Daartoe zijn zij inwendig voorzien van een springladingholte. De daarin aangebrachte lading kan op een gewenscht oogenblik tot ontploffing worden gebracht door middel van een op het projectiel geschroefde ontstekingsinrichting, buis geheeten.
Onderscheiden worden de volgende soorten :
A: Pantsergranaten, bestemd om te springen na eerst het vijandelijk pantser te hebben doorboord. Ze moeten dus zeer sterk zijn en hebben een betrekkelijk kleine springladingholte.
B: Half pantsergranaten, bestemd om lichtere pantsers te doorboren en daarna te springen. Ze zijn dus voorzien van eene grootere springladingholte, aangezien zij minder sterk behoeven te zijn.
C: Springgranaten, bestemd om bij eerste aanraking met het vijandelijk doel te springen. Zij behoeven dus slechts zoo sterk te zijn, dat zij geen kans hebben binnen den vuurmond te springen en hebben bijgevolg eene groote springladingholte terwijl zoowel mijn- als scherfwerking groot zijn.
D: Granaatkartetsen, zijn projectielen, welke ten deele gevuld zijn met een springlading, ten deele met kleine ronde kogels. Door middel van een z.g. tijdschokbuis kan de lading op elk gewild punt van de baan van het projectiel worden ontstoken. Bij de uitwerking van de ontploffing staat scherfwerking op den voorgrond.
vervolg op bladzijde 11
blz 13 - 14 - 15
vervolg van blz 13
Overtuig u dat de nummers, voorkomende op deze kisten,het nummer dat achter op elk kanon staat, overeenkomen met het z.g. marinenummer van het kanon. Zijt gij lader van het stuk, vergeet niet als gij het kanon geladen hebt, uw linkerhand omhoog te steken, ten teeken dat het kanon is geladen. Denk er aan met gesloten vuist te laden. Zijt gij ingedeeld als munitiehaler, informeer waar gij de patronen moet halen en welke munitielift bij uw stuk behoort. Zijt gij hulzenvanger, voorziet u direct bij exercitien van de tot opvangen der warme hulzen bestemde handschoenen; deze zijn opgeborgen in de gereedschapskisten. Praat niet, dit belemmert de vlugge werking. Zijt indachtig bij de behandeling van patronen, om den slagdop zooveel mogelijk te beschermen ter voorkoming van ongelukken. Munitiehalers, die munitie hebben afgegeven, gaan onmiddellijk andere munitie halen.
Signalen voor batterij-exercitie en het gevecht.
Deze signalen worden gegeven met hoorn, claxon of electrische schellen. De signalen, welke tevens in den scheepsdienst gebruikt worden, zijn gemerkt *. Geldt een signaal alleen voor een bepaalde batterij- of wachtdivisie, dan wordt dit aangegeven door een, met het nummer dier divisie overeenkomend, aantal stooten voor en achter dit signaal te doen geven.
Alarm : Hoorn. Iedereen begeeft zich ten spoedigste naar zijn post volgens de alarmrol. Batterij gereedmaken voor gevecht. Luchtalarm. Hoorn. Attentiesein : Verwacht luchtaanval.
Gasalarm : Hoorn. Attentiesein: Gasgevaar; gasmaskers opzetten.
Salvoschel :
een korte bel : Kanon gereedmaken voor onmiddellijk vuur.
drie korte bellen : Snelvuur.
een lange bel : Salvovuur.
vele bellen : Vastvuren.
Zoeklichtclaxon :
een korte stoot: Zoeklicht ontsteken en gereed voor onmiddellijk gebruik.
een lange stoot: Zoeklicht open.
vele korte stooten: Zoeklicht dicht.
Taptoe (*) : Hoorn. De vijand zal aan S.B. passeeren. (eerste 5 maten).
Reveille (*) : Hoorn. De vijand zal aan B.B. passeeren. (eerste 4 maten).
Parademarsch : Hoorn. De vijand zal aan beide zijden passeeren.
Vuren : Hoorn. Vuur openers. Bij salueeren geeft dit sein het begin van het saluut aan.
Ophouden met vuren : Hoorn. Alle kanonnen het vuur staken. Stil ( *). Hoorn. Iedereen oogenblikkelijk stil en onbewegelijk blijven.
Officiersappel: Hoorn. De divisiecommandanten bij den bat­terijcommandant komen.
Cavalerie (*) : Hoorn. Iedereen ingedeeld bij S.B./B.B.'s door taptoe oorlogswacht begeeft zich ten spoedigste naar (eerste 5 maten) zijn post volgens de oorlogswachtrol. of reveille (eerste 4 maten).
Oranje : Hoorn. Het personeel, volgens de alarmrol in de batterij geplaatst, op post komen tot het houden van batterijexercitie.
Doorgaan (*) : Hoorn. Begin der exercitie; stukken los. Wordt dit sein gedaan na ,Stil", dan gaat iedereen door met zijn werk.
Aftrap : (*): Hoorn. Einde der exercitie. Wordt dit sein geblazen wanneer de stukken nog niet vast zijn, dan worden ze hierop vastgemaakt. Do divisiecommandanten laten na gereedheid hunner divisie de manschappen inrukken dan wel helpers bij andere division.
Karretje langs den zandweg : Hoorn. Het personeel, volgens de alarmrol ingedeeld bij den munitie-aanvoer, op post komen tot, het houden van munitie-aanvoeroefeninqen.
Zie ginds komt de stoomboot uit Spanje weer aan : Hoorn. Het personeel, volgens de alarmrol ingedeeld bij de meetafdeeling (afstandmeters, doorzeilin g meters, koersmeters, meetresultaatvinder), op post komen tot het houden van oefeningen.
Aanroepen voor cavalerie : Hoorn. Het personeel, volgens de alarmrol ingedeeld bij de vuurleidingsinstrumenten, benevens de richtgroepen der kanonnen en de telefonisten, op post komen voor het houden van oefeningen.
Ga je mee naar boven : gevolgd door : taptoe/reveille Hoorn. Het personeel, volgens de S.B./B.B. oorlogswachtrol ingedeeld bij de zoeklichten en het daarbij betrokken gedeelte der vuurleidinginstallatie, op post komen voor het houden van oefeningen.
Op schepen waar geen oorlogswachtrol bestaat, wordt het signaal zonder toevoeging van taptoe of reveille geblazen en geld dan voor het bij de zoeklichten en het daarbij behoorende gedeelte der vuurleidinginstallatie ingedeelde personeel.
TORPEDO'S.
Bij de Koninklijke Marine zijn in gebruik torpedo's met een middellijn van 45 en van 53 cm. De torpedo heeft den vorm van een sigaar, draagt voor de ladingkamer en is achter voorzien van 2 voortstuwers (schroeven). Na uit een buis of een kanon te zijn geschoten (gelanceerd) zal zij zich zelf onder water voortbewegen in een van tevoren bepaalde richting en op een van tevoren ingestelde diepte. Voor de voortbeweging dient een machine (de drijfmachine), welke met samengeperste lucht werkt. De lucht is afkomstig uit de luchtkamer; naar gelang van het type, waartoe de torpedo behoort, is de spanning van de lucht in die kamer 90 tot 200 kg/cm2. Bij de meeste torpedo's wordt de lucht verwarmd; hiervoor wordt petroleum gebruikt en zoet water ingespoten, waardoor stoom wordt gevormd. De voortstuwers zijn 2 vier- of tweebladige schroeven, welke in tegengestelde richting draaien.
vervolg op bladzijde 16
blz 18 - 19
Somtijds worden de mijnen, wanneer zij in een rij gelanceerd worden, op, afstand gehouden door den seriekabel. Dit is een kabel waarin om de 10 m een looden knoop is gesplitst. Wordt een versperring gelegd, dan wordt eerst een voorloop van den seriekabel verankerd. Daarna wordt de seriekabel in de seriekabelklem, welke vastzit aan het anker, gelegd en de klem ge­sloten. De knoop kan dan door het oog van de klem passeeren.
Ligt de mijn eenigen tijd te water, dan springt een pal van de klem in, waardoor het oog tot de helft verkleind wordt. De knoop kan dan niet meer passeeren en de mijn ligt tusschen 2 knoopen vast. De seriekabel is ook van nut bij het lichten der mijnen.
DIEPTEBOMMEN EN DIEPTE BOMMENWERPERS.
De dieptebom is een cylindrisch lichaam, gedeeltelijk gevuld met trotyl en voorzien van een afvuur-inrichting, welke, nadat de bom te water geworpen is, deze op een van tevoren bepaalde diepte tot ontploffing brengt. Het gewicht compleet bedraagt ongeveer 195 kg, dat van de lading ongeveer 135 kg. Deze bom is in het bijzonder bedoeld als wapen tegen onderzee­booten. Zij wordt te water geworpen door middel van den diepte­bommenwerper of langs een goof. De dieptebommenwerper is een snort mortier, welke vast aan dek is opgesteld.
VOORTSTUWINGSWERKTUIGEN EN KETELS.
Daar bij de Koninklijke Marine verschillende typen van oorlogs­schepen voorkomen, spreekt het wel van zelf, dat ook de inrichting van de machinekamer aan boord verschilt naar gelang van het type van het schip.
Wat betreft de voortstuwingswerktuigen, bij onze pantserschepen, mijnenleggers en bij het meerendeel onzer torpedobooten worden zuigermachines toegepast. Enkele van onze nieuwste torpedobooten benevens onze kruisers en jagers zijn voorzien van turbines, terwijl op onze pantserbooten en onderzeebooten verbrandingsmotoren als voortstuwingswerktuigen worden aangetroffen met dien verstande, dat de voortstuwing aan boord van onze onderzeebooten langs electrischen weg geschiedt, wanneer de booten in ondergedompelden toestand zijn.
Wat de ketels betreft, heeft bij de marine de waterpijpketel de cylindrische ketel bijna geheel verdrongen, waardoor vooral in tijd van actie het groote voordeel is verkregen, dat de ketels zeer vlug kunnen worden opgestookt.
Onder de brandstoffen begint de olie een steeds belangrijker plaats in te nemen. Zoo worden o.a. de ketels der nieuwe kruisers uit­sluitend met gebruikmaking van olie.
De communicatie tusschen de verschillende waterdichte compar­timenten, waarin het machinekamercomplex verdeeld is, geschied: door waterdichte deuren, welke, evenals dit het geval is met de meeste kleppen en schuiven van de zg. lensleiding, alle in geval van nood boven het pantserdek te bewegen zijn.
Op de nieuwere schepen zijn in de schotten geen waterdichte deuren aangebracht en is elk compartiment slechts van bovenaf te bereiken.
Volgens de gegevens van de proeftochten werden bij de verschillende typen onzer oorlogsschepen de volgende snelheden bereikt :
Nieuwe kruisers („Java" en ,Sumatra") ± 30 mijl
Pantserschepen („de Zeven Provincien, Jacob van Heemskerck"), ruim 16 mijl.
Pantserbooten (,,Brinio”, ,Friso", ,Gruno") ± 14 mijl.
Mijnenleggers (type „Van Meerlant", ,Douwe Aukes-) ± 13 mijl.
Torpedobootjagers (type ,Kortenaer") ± 33 mijl.
Torpedobooten (G-booten) ± 26 mijl.
(Z-booten) ± 27 mijl.
(O-booten) ± 12 tot 15 mijl boven water.
± 8 mijl onder water.
­Onderzeebooten ± 8 mijl onder water.
(K-booten) ± 13 tot 18 mijl boven water.
± 8 mijl onder water.
MARINE-LUCHTVAARTDIENST.
Thans bezit de Koninklijke Marine in Nederland 3 vliegkampen voor watervliegtuigen en 1 voor landvliegtuigen en wel :
Voor watervliegtuigen : De Mok (Texel), Schellingwoude (Amsterdam) en Veere;
Voor landvliegtuigen : De Kooy (Den Helder).
In Ned.-Indie zijn vliegkampen aanwezig te Soerabaja en Tanjong Prink (watervliegtuigen).
De kruisers ,Java" en ,Sumatra", benevens de torpedobootjagers, de mijnenleggers type ,Serdang" en de flottieljevaartuigen „Flores en ,Soemba" zijn ingericht voor medevoeren van vliegtuigen.
vervolg op bladzijde 20
blz 22 - 23
het aftappen van samengeperste lucht uit de accumulatoren en uit de luchtkamers der torpedo's ;
het gebruik van de toestellen tot het werken in zwaren rook. Bij zeewacht treedt op het door den commandant te bepalen tijdstip op het daarvoor bepaalde signaal de brandweer der wachtdivisie aan en wordt het tot de brandweer behoorende personeel zoo noodig aangevuld.
Bij zeewacht zal op bovenbedoeld tijdstip en signaal de brandweer voor de divisien, welke niet de wacht hebben, aantreden een ieder die waarneemt of vermoedt, dat er aan boord brand is ontstaan, behoort, indien hij den brand niet dadelijk zelf kan blusschen. daarvan onmiddellijk den officier of onderofficier van de wacht te waarschuwen of te doen waarschuwen. Het signaal van brand is "klok luiden", in het tempo van "kok schaft op" en het hoornsignaal "brand". Het signaal wordt op bevel van den commandant geslagen en geblazen.
ALGEMEENE MAATREGELEN EN VEILIGHEIDS -
VOORSCHRIFTEN MET HET OOG OP GEVALLEN VAN AVERIJ (LEKKEN).
Als grondbeginsel geldt dat onder het pantserdek of onder de lastlijn alles steeds gesloten moet zijn, tenzij werkzaamheden of toezicht houden hiervoor een beletsel zijn.
In geval van navigatie in drukke vaarwaters of in geval van mist of slecht zicht, in het algemeen wanneer gevaar voor aanvaring of aan den grond raken bestaat, bovendien bij gereedmaken tot gevecht en bij alarm behoort aan eene zijde steeds alles, dus ook boven het pantserdek, gesloten te zijn.
Indien onmiddellijk gevaar voor averij dreigt, wordt op het signaal "aanhoudend glazen slaan", ook aan de andere zijde alles gesloten en wordt de z.g. sluitrol uitgevoerd.
In de sluitrol zijn voor elke wachtdivisie enkele personen aangewezen, belast met het sluiten van alle waterdichte deuren en sluitingen, voorts eenige personen, die alles gereedmaken om de lensmiddelen te werk te kunnen stellen.
In tijd van gevecht zijn met het sluiten der waterdichte deuren en sluitingen belast de schepelingen, die in de alarmrol daarvoor zijn aangewezen.
Op elk schip moet ten minste op een plaats, doch zoo mogelijk op twee plaatsen, namelijk voor en achter, op gemakkelijk te bereiken plaats, een teekening van het uitgeslagen schip worden opgehangen, gevende eene duidelijke schematische voorstelling van de waterdichte indeeling van het schip, de lensmiddelen en de brandbluschmiddelen.
Bij deze teekening(en) moet worden opgehangen een lijst, bevattende de voornaamste gegevens, benoodigd ter beoordeeling van de gevolgen van een groot lek en aangevende de plaats, waar de voornaamste hulpmiddelen als reddingmatten, houten stoppen, stutten, enz, zijn te vinden.
Voor en achter in elk der hoofdcompartimenten, moet worden opgehangen een lijst, bevattende opgave der belangrijkste verrichttingen, welke in dit compartiment moeten geschieden bij het vol loopen van het naastbijgelegen compartiment.
Wordt het signaal "aanhoudend glazen slaan" voor de 2e maal gegeven dan worden de sloepen gereed gemaakt, om het schip te verlaten. Zoodra de sloepen gereed zijn, worden de zwemvesten aangedaan.
Op het signaal "gongslaan" doen de sloepscommandanten hunne sloepen zoo spoedig mogelijk te water laten en afsteken.
Voor het geval het schip onmiddellijk verlaten moet worden zonder dat er tijd is voor het sluiten en voor het gereed maken der sloepen, wordt het signaal "gong slaan" gegeven zonder voorafgaand signaal "aanhoudend glazen slaan".
Op eerstgenoemd signaal komt een ieder zonder uitzondering onmiddellijk langs den kortsten weg aan dek en worden de zwemvesten aangedaan. De sloepscommandanten doen hun sloepen zoo spoedig mogelijk te water laten en afsteken.
vervolg op blz 24
blz 26 - 27
Vermeent een schepeling onrechtvaardig of te zwaar door zijn commandant te zijn gestraft, zoo kan hij een klacht indienen bij de hoogere militaire autoriteit, terwijl nog beroep open staat bij het Hoog Militair Gerechtshof.
Wordt de klacht gegrond bevonden, dan zal de straf worden vernietigd. Wordt de klacht gedeeltelijk gegrond bevonden, dan zal de strafreden of strafmaat dan wel beide gewijzigd worden. Wordt de klacht ongegrond bevonden, dan is klager strafbaar, indien het klagen lichtvaardig geschiedde of van oneerbiedigheid getuigt.
Vermeent een schepeling onbillijk te zijn behandeld, dan kan hij op gepaste wijze daarover een klacht inbrengen. Is de vermeende onbillijke behandeling gelegen in een ontvangen order, dan behoort deze evenwel eerst uitgevoerd te worden.
In strijd met de krijgstucht is, dat een militair zich aansluit bij een vereeniging, die ten doel heeft de orde te verstoren of de krijgstucht te ondermijnen. Het deelnemen aan vergaderingen of betoogingen van zulke vereenigingen, het aansporen in geschriften of mondeling tot handelingen, die een verzet beteekenen tegen bevelen of maatregelen van de militaire autoriteiten, vormen dus een zeer ernstig vergrijp tegen de krijgstucht.
Bij het ontvangen van met elkaar strijdige orders van verschillende meerderen, moet degene, die de orders ontvangt, den laatsten lastgever bekend maken, met de reeds ontvangen bevelen en daama nieuwe bevelen, of herhaling derzelven afwachten.
Met het oog op ieders plicht om met al zijn krachten bij te dragen, tot de veiligheid van het schip, worden de schepelingen gewezen op de ernstige gevolgen, die kunnen voortvloeien uit overtreding der voorschriften op het rooken en op het gebruik van lucifers en licht, uit het veranderen van den stand van electrische werktuigdeelen en van waterdichte deuren en sluitingen.
Het naderen met open licht van kolenruimen en van cellen, die lang gesloten waren, is gevaarlijk.
leder is verplicht mede te werken tot het zindelijk houden van een schip. De schepeling bedenke van hoe groot belang het voor de gezondheid van hem en zijne kameraden is de verblijven zindelijk en frisch te houden. Om dezelfde reden moet een ieder zijn lichaam en plunje goed reinigen.
leder schepeling heeft het recht zijne belangen voor te dragen aan den commandant, den eerste officier en zijn divisiechef. De schepelingen behooren vertrouwen te stellen in hun divisiechef, wiens taak en streven is de belangen zijner ondergeschikten te behartigen.
Vooral degenen, die slechts kort in dienst zijn, zullen in deze nieuwe omgeving wel eens voor moeilijkheden staan. Laten zij deze voorleggen aan hun divisiechefs, die hun zeker gaarne raad en inlichtingen zullen geven.
Het bovenstaande kan de zeemilicien voor een groot deel vinden in de Algemeene Baksorder ; dit is een omschrijving van de plichten en rechten van de aan den bak geplaatste schepelingen.
In ieder volksverblijf is een exemplaar van de Baksorder opgehangen aanbevolen wordt deze veelvuldig en aandachtig door te lezen. De aandacht wordt er op gevestigd, dat een militair die :
1e : opzettelijk een meerdere beleedigt of met eenig kwaad bedreigt, hem uitscheldt, beschimpt of in zijn tegenwoordigheid bespot ;
2e. weigert of opzettelijk nalaat te gehoorzamen aan eenig dienstbevel of die zoodanig bevel eigendunkelijk overschrijdt, zich schuldig maakt aan een ernstig militair misdrijf tegen de ondergeschiktheid en deswege met langdurige gevangenisstraf kan worden gestraft.
Ook wordt er nog op gewezen, dat een militair, die ongeoorloofd afwezig is, zich schuldig maakt aan het militaire misdrijf ongeoorloofde afwezigheid of desertie, al naar gelang van duur dier ongeoorloofde afwezigheid en de omstandigheden, waaronder ze plaats heeft. Reeds ongeoorloofde afwezigheid van ten minste een dag doet hem onder de strafwet vallen ; zware straffen kunnen ter zake worden opgelegd.
In het belang van de verdediging moet alles wat betrekking heeft op het artillerie- en vuurleidingmaterieel, op het torpedo- en mijnenmaterieel, op de onderzeebooten, op de inrichtingen tot opruimen van mijnen en op het seinwezen als d i e n s t g e h e im worden beschouwd.
Het is ten strengste verboden over bovengenoemde onderwerpen iets te schrijven in tijdschriften, dagbladen, enz. of er mededelingen over te doen aan andere personen dan die, welke tot 1e Koninkiijke Marine behoorende, uit hoofde van hun dienstbetrekking er mede bekend moeten zijn.
Ook na het verlaten van den dienst moet het dienstgeheim bewaard blijven.
DE SCHEEPSDIENST.
De bemanning, uitgezonderd het machinekamerpersoneel, is verdeeld in 3 divisien, genummerd I, II en III ; het machinekamerpersoneel vormt divisie IV ; het detachement mariniers vormt divisie V, wanneer een officier der mariniers als detachementscommandant aan boord is geplaatst.
Voor het doen van ree- en zeewacht is de bemanning verdeeld in drie wachtdivisien, aangeduid door de letters A, B en C. De divisien zijn onderverdeeld in bakken, aan het hoofd waarvan een baksmeester is geplaatst. Een tweede schepeling is aangewezen ter vervanging van den baksmeester en wordt vice-baksmeester genoemd. Bij elken bak worden om beurten één van het baksvolk als zeuntje benoemd.
vervolg op bladzijde 28
blz 30 - 31
Het middagappel wordt om 1 uur gehouden, daarna vangen de werkzaamheden (verplegingsdiensten) en exercitien aan, die tot 4 uur duren. De chef der equipage fluit dan "handen schoon", een half uur later wordt theewater gedronken waarbij ook weer gelegenheid wordt gegeven tot gebed.
Degenen, die niet tot de wachtdivisie behooren of om andere redenen daarvan verstoken zijn, kunnen gaan passagieren tot den voor hen vastgestelden tijd. Voordat zij van boord qaan, laten zij zich door den onderofficier van de wacht aanteekenen.
Bij terugkomst aan boord moeten zij zich bij den onderofficier Van de wacht melden. De korporaal van de wacht is verplicht alle pakjes die van boord gaan of aan boord komen te inspecteeren.
Tot het houden van avondappel wordt een een kwartier voor 8 uur het signaal ongewapend appel geblazen. De equipage treedt weder baksgewijs aan. De chef der equipage fluit nu achtereenvolgens : "gasten bij de verschansing" "alle hens op" en nadat iedereen zijn eigen kooi in handen heeft "a f g a a n".
Om 8 uur vangen de nachtwachten aan. Het wachtsvolk van de E. W. treedt aan en wordt ingedeeld voor posten, enz. Hetzelfde geschiedt te middernacht voor het volk van de H.W. en 's ochtends om 4 uur voor degenen, die de D.W. krijgen.
Nadat om 9 uur taptoe geblazen is, wordt de avondronde gedaan. Na taptoe neemt een ieder de noodige stilte in acht.
De verzoeken, die de schepelingen bij zindelijkheidsinspectie indienden, worden op een verzoekenbriefje geschreven. In den regel treden de verzoekers en degenen, die op het rapport moeten komen te 11 uur aan. De chefs der divisien onderzoeken de rapporten en de verzoeken.
Voor zoover noodig brengt de divisiechef de verzoeken over aan den eerste-officier en deze weer aan den commandant. De rapporten worden in tegenwoordigheid van den overtreder aan den commandant overgebracht.
Wenscht de schepeling een gezegeld verzoekschrift aan den Minister van Defensie te zenden, dan wordt een spoedige afdoening bevorderd door het verzoekschrift aan den commandant aan te bieden. De dienst ter reede word uitvoerig behandeld, waarom wij over den dienst in zee kort kunnen zijn. In zee doen doen wachtdivisien om beurten gedurende 4 uren de zeewacht.
De namen der wachten worden reeds vermeld. De platvoet wordt in twee gedeelten, eerste en tweede platvoet genaamd, geplitst, om zoodoende de verschillende wachten niet steeds door dezelfde divisie te laten betrekken. In zee wordt steeds om half zeven overal gemaakt; de divisie, die de D.W. heeft, moet dan gereed zijn met wasschen en kammen.
Na het schaften komt de divisie van de voormiddagwacht op. De vlaggenparade vindt steeds om 9 uur plaats. De werkzaamheden en exercitien op den A. M. vangen om twee uur aan en duren tot 4 uur.
Om 5 uur wordt theewater gedronken. Om vijf minuten voor 8 wordt "kooien af" gefloten voor de divisien, die de H.W en de D.W. krijgen en voor het geheele machinekamer-personeel. Vijftien minuten voor "acht glazen" wordt, "kwart" geslagen en het volk dat de wacht krijgt, gewekt. Deze bergen hun kooien op, lossen af, waarna op order van den officier van de wacht, kooien af wordt gehouden.
Bij het rollezen wordt aan de uitkijken het wachtwoord medegedeeld. Bij het slaan van de glazen en wanneer zij aangeroepen worden, roepen zij het wachtwoord.
De uitkijken, die des nachts benedendeks zijn geplaatst, moeten van alle onordelijkheden en bijzonderheden kennis geven aan den onderofficier der wacht en de personen kunnen aanwijzen, die zich aan eenige overtreding schuldig maakten.
Zij letten op het goed branden van de lantaarns. Het wachtsvolk houdt zich op daartoe aangewezen plaatsen, zonder toestemming van den onderofficier van de wacht mogen zij zich niet naar beneden begeven.
De avondronde wordt te half negen gedaan. Enkele algemeene opmerkingen worden hier nog aan toegevoegd. Over de zindelijkheid is in een vorig hoofdstuk reeds gesproken. In verband hiermede is het streng verboden, door poorten in spuigaten of op dek te spuwen, dit geschiedt alleen in de daarvoor bestemde spuwbalies.
Gewaakt moet worden tegen het maken van vetvlekken op dek door het morsen van vet, olie, enz.
Touwwerk moet steeds voorzichtig op dek worden neergelegd, en niet worden neergesmeten.
Bij alle exercitien en inspectien moet de meeste stilte in acht worden genomen en alles was wanorde zou kunnen veroorzaken, worden vermeden.
Het pruimen is dan niet geoorloofd. Niemand mag op het achterdek of op de kampagne komen. zonder dat dit hem is bevolen en zelfs dan zal hij zoo mogelijk niet aan die zijde loopen, waar commandant of officieren zich bevinden.
Aan dek of buitenboord vertoont hij zich niet dan gekleed in de voorgeschreven tenue.
Schepelingen behooren zich, ook gedurende verlof, te gedragen naar de bestaande tenuevoorschriften. Het is aan zeemiliciens in werkelijken dienst, dit dus zoowel gedurende eerste oefening als gedurende de herhalingsoefeningen, nimmer vergund om burgerkleeding te dragen.
vervolg op blz 32
blz 34 - 35
blz29
SIGNALEN BETREFFENDE DEN SCHEEPSDIENST
blz30
vervolg op blz 36
blz 38 - 39 - 40
DE SCHILDWACHTEN DIENST.
Deze staat volledig beschreven in het aan iedere militair verstrekte "Voorschrift gewapende wachten enz"
Een ieder zij doordrongen van het gewicht van deze diensten. In't bijzonder wordt de aandacht gevestigd op de z.g "algemeende consignes" art. 27 t/m 35 van genoemd voorschrift.
EERBEWIJZEN.
Voor officieren en onderofficieren van het Nederlandsche en Nederlandsch-lndische leger, van weerbaarheidskorpsen en van vreemde natiën worden dezelfde eerbewijzen gedaan als voor de officieren en onderofficieren van de zeemacht van overeenkomstig rang.
leder militair is verplicht zijnen in uniform, dan wel in 't burger gekleeden meerdere den militairen groet te brengen.
De militaire groet bestaat in het met een korte beweging brengen van de rechterhand loodrecht tegen den rechteronderkant van het hoofddeksel, even achter het rechteroog, de vingers uitgestrekt en aaneengesloten, de palm der hand naar voren, de elleboog ongedwongen omlaag, de linkerarm wordt gestrekt en blijft ter zijde van het linkerbeen, terwijl degene, wien de groet geldt, met opgeheven hoofd wordt aangezien.
De groet wordt aangevangen, wanneer de meerdere tot op 3 a 4 passen genaderd is en eindigt, wanneer de meerdere 2 passen voor. bij is. Op en neer gaande, wordt de groet voor denzelfden meerdere slechts eenmaal gebracht.
Indien men rookt, wordt voor het brengen van den groet de sigaar, sigarette of pijp in de linkerhand genomen. Indien men eenig voorwerp draagt, wordt dit tijdig in de linkerhand genomen; laat de omvang of het aantal der voorwerpen niet toe de rechterhand vrij te maken, dan wordt volstaan met het aannemen van de houding en het aanzien van den meerdere met opgeheven hoofd.
Stilstaande, wordt voor het brengen van den groet front gemaakt en de houding aangenomen. Is men blootshoofds, dan wordt volstaan met het aannemen van de houding en het aanzien van dengene, wien de groet geldt.
Is men gezeten, dan wordt opgestaan en gehandeld als bovenbeschreven.
In een voertuig of op een rijwiel gezeten wordt de groet rechtop zittende gebracht.
Aan ridders der Militaire Willemsorde met den stand van matroos, die het modelkruis zichtbaar dragen, wordt de militaire groet gebracht door hunne met met die orde gedecoreerde standgenooten.
Ieder militair, die bij een meerdere is geroepen of zich tot dezen wendt, neemt in de houding voor den meerdere plaats op een afstand van 2 passen en brengt den groet. Na afloop van het onderhoud brengt hij weder den groet, maakt rechtsomkeert en verwijdert zich.
Militairen gewapend met opgestoken sabel of bajonet groeten op dezelfde wijze als een ongewapende. Zij houden het wapen met de linkerhand vast, zodanig dat de punt naar beneden wijst.
Zijn zij met geweer gewapend, dan bestaat de groet in het aanzien van den meerdere, de rechterhand blijft de geweerriem vasthouden, de linkerhand is gestrekt langs het been.
Voor H. M. de Koningin of eenig Lid van het Koninklijk Huis, voor ontplooide (d.i. niet met een foudraal omhulde) vaandels en standaarden en militaire begrafenissen maakt ieder miltair op 5 á 6 passen afstand halt en front, brengt den militairen groet en blijft in de houding staan totdat de hierbedoelde persoon, het vaandel, de standaard of het lijk ten minste vier passen voorbij is. Zij zullen in de bedoelde gevallen, indien zij met het geweer gewapend zijn, dit presenteeren.
Indien men iets draagt, en de omvang of het aantal der voorwerpen niet toelaten de rechterhand vrij te maken, dan worden deze zoo mogelijk voor den groet nedergezet.
In een voertuig gezeten, doet men dit aan den kant van den weg stil houden, staat op, en brengt den militairen groet. Op een rijwiel gezeten, stijgt men af, maakt front en houdt gedurende het brengen van den groet, het rijwiel met de linkerhand vast.
Het is verboden om de Vorstelijke personen op den weg in te halen en voorbij te loopen. (1)
Het inhalen en voorbijgaan van een troep met vaandel of standaard en van een militaire begrafenisstoet behoort zooveel mogelijk te worden vermeden; is zulks bepaald onvermijdelijk, dan wordt gedurende het voorbijgaan de militaire groet gebracht, vanaf het oogenblik, dat men het vaandel, den standaard of de lijkwagen tot op 4 passen genaderd is, tot het oogenblik, dat men 4 passen voorbij is.
De mindere gaat voor den meerdere behoorlijk uit den weg en mag hem niet rakelings passeeren. Verontschuldigingen, dat men den meerdere niet zag en daardoor den groet verzuimde, worden niet aangenomen; de militair behoort altijd oplettend langs den weg te loopen.
Alle rapporten moeten op eerbiedige wijze worden overhandigd
(1) Een hofrijtuig, waarin H.M. de Koningin, of eenig Lid van het Koninklijk Huis is gezeten, heeft op de lantaarns koningskronen, terwijl de koetsiers en palfreniers nestels dragen; een ledig hofrijtuig, genoemde kenteekenen dragend, rijdt immer stapvoets.
Een hofauto, waarin H.M. de Koningin, of een Lid van het Koninklijk Huis is gezeten, draagt voor op de motorkap de voor H. D. vastgestelde onderscheidingsvlag.
vervolg op blz 41
blz 42 - 43
Een ieder, die over de valreep binnenboord, of van het benedenschip aan dek komt, brengt den militairen groet voor de vlag.
Wanneer militairen onder geleide staan, wordt alleen door den geleider of bij een troep, door den troepen-commandant gegroet.
Wanneer troepen elkander ontmoeten, wijken zij zoo noodig rechts uit.
Ontmoet de troep een anderen met vaandel of standaard of een militaire begrafenisstoet, dan wordt op commando het hoofd links gedraaid.
Hetzelfde eerbewijs wordt gedaan bij het ontmoeten van een vlagofficier of van den commandant van het schip, waartoe troep behoort.
De commandant van een stilstaanden troep doet bij nadering van een meerdere met den rang van officier de houding geeft acht" met het geweer aan den schouder aannemen en groet.
Heeft de meerdere den rang van sergeant of hooger, dan wordt de houding, "geeft acht" aangenomen. Is de troep ongewapend, dan wordt op overeenkomstige wijze gehandeld.
Indien een troep uiteen is gegaan om to rusten, bezig is met werkzaamheden, enz, wordt alleen door den commandant gegroet.
Gedurende het spelen van het "Wien Neerlandsch Bloed" of het "Wilhelmus" bij officieele gelegenheden, ook bij vlaggeparade, nemen alle niet in eenig militair verband aanwezige militairen de houding aan en maken front naar de muziek.
Binnenshuis wordt het hoofd ontbloot, terwijl in de open lucht het hoofd gedekt wordt gehouden en de militaire groet wordt gebracht tot het lied ten einde is.
Op overdekte plaatsen buitenshuis wordt als regel het hoofd gedekt gehouden en de militaire groet gebracht, ontbloot echter de hoogste of de oudste in rang het hoofd, dan wordt dit voorbeeld door alle aanwezige militairen gevolgd.
vervolg op bladzijde 44
blz 44 - 45
RANGEN EN ONDERSCHEIDINGSTEEKENEN.
Onderscheidingsteekenen officieren
blz 44 blz 45
blz 46 - 47
blz 46-47
blz 48
OPMERKINGEN :
Op de petklep der vlagofficieren bevinden zich twee rijen, op die der hoofdofficieren bevindt zich één rij gouden (zilveren) borduursel van eikenloof.
In groot uniform dragen de officieren een steek in plaats van de pet en op de jas een staanden met goud (zilver) geborduurden kraag, epaulettes en broek met gouden (zilveren) galon.
De officieren der mariniers dragen in groot uniform een helm, een schoudersnoer met kwasten en een oranje sjerp.
Vlagofficieren worden aangesproken met admiraal en schout-bij-nacht.
Officieren met den rang van kapitein ter zee met kolonel.
Officieren met den rang van kapitein-luitenant ter zee met overste.
Officieren met den rang van luitenant ter zee der le, 2e en 3e kl. met mijnheer, behalve de kapiteins en luitenants der mariniers, die met kapitein en luitenant en de officieren van gezondheid, die met dokter worden aangesproken.
Een luitenant ter zee, commandant zijnde, wordt aangesproken met commandant.
De vlootaalmoezeniers en de vlootpredikanten zijn in rang gelijkgesteld met kapitein-luitenant ter zee en dragen de rangonderscheidingsteekenen van een kapitein-luitenant ter zee, met dien verstande, dat het bovenste mouwgalon is van zilver en zonder krul en dat de tusschenruimte tusschen het bovenste en middelste galon 15 m.m bedraagt, op de mouwen der overjas en op de hoeken van den kraag van den mantel (cape) en van de regenjas drie hoekvormige koordjes, waarvan het bovenste is van zilver, terwijl de tusschenruimte tusschen het bovenste en middelste koordje 7.5 m.m bedraagt.
Voor den vlootpredikant zijn de galons gescheiden door zwart fluweel, voor den vlootaalmoezenier door donkerblauw fluweel.
De vlootaalmoezeniers dragen een collard.

blz 49-50
blz 49 blz 50
Vervolg op bladzijde 51
blz 53 - 54
ONDEROFFICIEREN
blz 53 blz 54
vervolg op bladzijde 55
blz- 57 - 58 - 59
Kanonnier der le klasse : .... 2 gekruiste kanonnen, waartusschen twee zespuntige sterren, een boven en een onder het kruis der kanonnen, waarboven de Kroon (alles van roode wol), (fig. 48.)
Kanonnier der 2e klasse : ... 2 gekruiste kanonnen, waarboven een Kroon (alles van roode wol). (fig. 49.)
Artillerist : ............. 2 gekruiste kanonnen (roode wol), fig. 32.
Scherpschutter geweer : ... vijfpuntige ster (roode wol), fig. 51.
Seiner : .................. 2 gekruiste seinvlaggen roode wol), fig. 35.
Afstanddwaarnerner : .......... afstandmeter (roode wol), fig. 53.
Duiker der 2e klasse : .............. duikerhelm (roode wol), fig. 54.
Duiker der le klasse : ............... duikerhelm in ring (roode wol).
Seinmeester (al dan niet duiker der 2e klasse) duikerhelm waaronder telefoon (roode wol) fig. 55
Seinmeester, tevens duiker der le klasse duikerhelm in ring waaronder telefoon (roode wol)
Vliegtuigmitrailleurschutter : .... borduursel van roode wol, overeenkomstig fig. 56.
Torpedist-onderzeedienst : ........ borduursel van roode wol, overeenkomstig fig 57.
Torpedist-torpedobootjager : ..... borduursel van roode wol, overeenkomstig fig. 57, doch zonder ring.
Mijnenlegger : ............................. borduursel van roode wol, overeenkomstig fig. 58.
Manschappen dragen op de pijjekker dezelfde borduursels als op het baadje, het baaien en het witte hemd , op de regenjas (die niet verplicht is) worden door hen geen onderscheidingsteekens gedragen.
Korporaals en Manschappen
blz 59
vervolg op bladzijde 60
blz 60 - 61 - 62 - 63
KONINKLIJKE LANDMACHT.
blz 60 blz 61
blz 62-63
Vervolg op bladzijde 64
blz 64 - 65
blz 64 blz 65
blz - 66 - 67
blz 66 - 67
Vervolg op bladzijde 68
blz 70 - 71
vervolg van blz 69
Afnemen van den ontlaadstok.
Het geweer rechtstandig plaatsen, de ontlaadstok losdraaien en uitnemen.
Afnemen van den grendel.
Het geweer met de kolf ender den rechterarm plaatsen, daarbij de tromp steunende op een zacht voorwerp, met den duim der linkerhand op den knop van de stuitnok drukken en daardoor die nok uit de gleuf van het staartstuk doen treden; den grendel met de rechterhand verwijderen door den geleiderknop van de rechter- naar de linkerzijde en achteruit te brengen. De slagveer wordt daarna ontspannen door den tand van den haan uit de rust in de insnijding van den geleider te brengen, waartoe de haan naar links gedraaid meet worden.
Uiteennemen van den grendel.
Den afsluiter met daaraan bevestigden uitwerper en patroontrekker uit den geleider trekken en daarna zoo noodig den uitwerper van den afsluiter scheiden; het overige gedeelte van den grendel vervolgens in de volle linkerhand nemen met den geleiderknop tusschen den laatsten winger en pink en den duim op den vleugel van den haanpal, en daarna, terwijl de slagpin met de punt op een hard houten voorwerp, in loodrechte richting wordt gesteund en met den duim der linkerhand op den palvleugel wordt gedrukt, met de rechterhand de slagpinmoer snel afschroeven, de slagveer zich langzaam laten ontspannen, haan, haanpal en haanpalveer afnemen, en ten slotte de slagpin en slagveer uit den geleider nemen.
Ineenzetten van den grendel.
De slagpin, met daarom geschoven slagveer in den geleider schuiven, met de afplatting der slagpin aan de tegenovergestelde zijde van den knop, daarna den geleider in de linkerhand nemende, zooals bij het uiteennemen van den grendel de slagpin op een hard houten voorwerp steunende, den knop zoover omlaag drukken, dat de afplatting der slagpin boven den geleider uitsteekt; 1) met de rechterhand den haan om de slagpin brengen met den tand geheel in de insnijding van den geleider, den haanpal met daarom geschoven veer in den haan plaatsen met den vleugel aan de tegenovergestelde zijde van den geleiderknop, met den duim der linker-hand vervolgens zoo krachtig op den palvleugel drukken, dat met de rechterhand de slagpinmoer snel op de slagpin kan worden geschroefd.
Bij het aanschroeven der moer moet men zorgen. dat de merkstreep op haar achtervlak boven en in het verlengde van die op de slagpin komt, dat het achtervlak van deze laatste een weinig buiten de moer uitsteekt, en dat, als men bij den laatsten slag van aandraaien der moer den palvleugel met den duim een weinig vrij laat, de haanpal hoorbaar in de uitfreezing van de slagpin springt. Hoort men dit niet, dan is vergeten de, haanpalveer in te zetten.
Ten slotte zoo noodig den uitwerper aan den afsluiter bevestigen, en laatstgenoemde met de nok aan de tegenovergestelde zijde van den geleiderknop, op den geleider schuiven.
Inbrengen van den grendel.
De slagveer spannen door de spanvlakken tegen elkaar te doen oploopen, totdat de tand van den haan in de rust van den geleider staat, vervolgens met de rechterhand den grendel voorzichtig in het staartstuk schuiven, waarbij het verboden is, om op den knop van de stuitnok te drukken.
Heeft de man vergeten den afsluiter te plaatsen, dan zal hat haakvormige vooreinde van de linkersteunnok oploopen tegen den haak van de stuitnok, waardoor vender inbrengen onmogelijk is.
Afnemen van het magazijn.
De magazijn en de kruisschroef losdraaien en uittrekken. Het magazijn kan dan afgenomen worden.
Klemt de magazijnschroef in de lade, dan moet zij, door een der armen van den schroevendraaier onder den kop te plaatsen, voorzichtig uitgelicht worden.
Afnemen van den magazijnbodem met aanbrenger en aanbrengerveer.
De bodemschroef losdraaien en uittrekken, waarna, door op den aanbrenger te drukken, de bodem uit het magazijn wordt geduwd.
Afnemen van den geweerriem, bovenband, onderband en handbeschermer.
De geweerriem wordt slechts afgenomen wanneer zulks tot het schoonmaken der kordonbeugels noodzakelijk is.
1) De afplatting van de slagpin heeft ten doel het blad van de slagpin en het naar voren loopende gedeelte van de gleuf veer de nok van den afsluiter, dien stand ten opzichte van elkaar te doen innemen, waarbij het mogelijk is den afsluiter op den geleider te schuiven.
Vervolg op bladzijde 72
blz 74 - 75
vervolg van blz 73
Bij schietoefeningen moet de loop dadelijk na het laatste schot ingevet worden, welk invetten bij terugkomst aan boord of in de kazerne wordt herhaald.
Bij gezamenlijke schietoefeningen met scherpe of losse patronen moet dit invetten zoo spoedig mogelijk na beeindiging der oefening on het terrein geschieden.
Er moet op gelet worden, dat de borstel T/geweerloop niet te zeer afgesleten is, omdat daardoor het inwendige van den loop onvoldoende zoude worden ingevet.
Uitsluitend te velde, wanneer het medenemen van pompstok en invetstok niet mogelijk is, wordt voor het onderhoud van den geweerloop per geweerdragende een pompkoord verstrekt, hetwelk wordt geborgen in de vetdoos, waarin ook vaseline geborgen is.
Het onderhoud van het inwendige van den loop bestaat dan in het invetten met behulp van dit koord, hetwelk men met het messingen uiteinde door den loop van het geweer, waarvan de grendel is uitgenomen, laat zakken.
De borstel wordt van was vaseline voorzien en daarna door den loop gehaald door aan het mg. uiteinde van het pompkoord te trekken.
Deze bewerking wordt, zonder den borstel opnieuw van vaseline te voorzien, nog eenmaal herhaald, waarna de borstel wordt afgeveegd.
Bij ontstentenis van pompkoorden kan te velde voor het onderhoud van den geweerloop worden gebruik gemaakt van twee aan elkaar geschroefde ontlaadstokken, waarop een borstel T/geweerloop is geschroefd. Het heeft dan plaats op de wijze als voor het pompkoord aangegeven.
Munitie.
De munitie voor het geweer bestaat uit scherpe, losse, exercitie en wachtpatronen.
De scherpe patroon heeft een kogel van hard lood met vernikkeld stalen mantel.
De losse patroon heeft een hollen houten kogel, welke ter onderscheiding van de scherpe patroon rood gekleurd is. Binnen den afstand van 10 pas levert deze kogel gevaar voor verwonding op.
Bij de oefening in de lading wordt gebruik gemaakt van exercitie-patronen, waarvan de houten kogel zwart is gekleurd.
Er moet vooral op gelet worden, dat de kogel zwart is, om verwisseling met andere patronen tegen te gaan (zijn de kogels niet meer voldoende zwart, dan behoort hierin te worden voorzien).
Gedeukte exercitie-patronen mogen niet worden gebruikt. De patroonhouders bij de exercitie te gebruiken, moeten steeds roeszvrij en niet verslapt of ingedeukt zijn; zoo noodig moeten zij met andere, van de schietoefeningen afkomstig, verwisseld worden.
In sommige omstandigheden worden verstrekt scherpe patronen met verminderde lading, voor wachten en voor gebruik bij militairen bijstand in tijd van vrede, (wachtpatronen).
Bij het gebruik dezer patronen moet steeds met standvizier worden gevuurd, zoodat wanneer op grooteren afstand dan 100 m moet worden gevuurd, het mikpunt dienovereenkomstig hooger moet gekozen worden. Deze patronen komen in uitwendige gedaante overeen met de scherpe patronen, het vooreinde der huls is echter vernikkeld.
Verpakking der patronen.
De patronen worden per 5 stuks verpakt in patroonhouders. Bij deze verpakking dient men er op te letten, dat de middelste drie patronen goed met hun bodem achter de achterste groeven tegen den rug van den houder aansluiten en de beide buitenste met hun bodemrand voor den bodemrand der binnen liggende patronen komen te liggen.
De gevulde patroonhouders worden per twee stuks, gescheiden door een kartonnen tusschenschot, verpakt in doozen, kartonnen tot patronen.
De kleur van de etiketten der doozen heeft betrekking op soort van patroon welke in die doozen verpakt is, en wel :
Etiket kleur van de doos : patronen, scherpe,
geel : patronen, wacht-,
rood : patronen, losse-,
zwart: patronen, exercitie-.
DE SABEL.
Bestaat uit de stalen kling en het zwart geschilderde ijzeren gevest met esschenhouten greep.
Bij het poetsen van de kling moet deze steeds plat op een bank of iets dergelijks gelegd worden.
DE KLEWANG.
Deze is van het model als in gebruik bij de marechaussee's v.h N.I. Leger.
vervolg op bladzijde 76
blz 78 - 79
Staan ze voor het voorste, of achter het achterste takel en breekt het achter of het voortakel, dan komen zij beknepen tusschen takel en sloep. Zijn de sloepen geheschen, dan maakt men het propgat open en let er op, dat het met door vuil verstopt geraakt, de prop moet aan een einde zijn vastgemaakt. Het roer wordt ingelegd en om de sloepen worden de broekmatten genomen.
Bij het strijken van de sloep worden eerst de broekmatten afgenomen, daarna wordt het roer ingehoekt, het propgat gesloten en de vanglijn evenals bij het hijschen binnen boord gegeven, wat vooral noodig is als er stroom is.
Bij het inpikken van de takels moeten ze klaar genomen worden, en bij het uithoeken zorge men, dat zij nergens in de sloep pakken en vrij buiten de sloepen worden gegooid.
De sloepen worden wanneer ze in de takels hangen, voor zee dikwijls gesjord met de loopers van de takels, of met uitsluitend daartoe bestemde einden, krabbers genoemd.
Aan boord der oorlogsschepen heeft iedere sloep haar eigen nummer, de seinvlag, die dit nummer aangeeft, staat met dat nummer gewoonlijk geschilderd op het zettebord.
Wordt de nummervlag van eene der sloepen met den Nederlandschen breeden wimpel (Kerkwimpel), daarboven, geheschen aan boord van het schip waartoe de sloep behoort, dan geldt dit sein als eene mondelinge order en beteekent, dat de sloep aan boord terug moet komen.
Wanneer men in de sloep een sein ziet, dat van boord gedaan wordt aan die sleep, dan steekt men als contrasein een Hem of pagaai op, waardoor men aan boord weet, dat het sein gezien is.
Dikwijls is ook nog op het zettebord geschilderd eene roode, eene witte en eene blauwe vlag, waaronder ,B.B." ,recht" en ,S.B.". Dit beteekent, dat wanneer aan boord de roode vlag op gaat, de sloep bakboord niet moet roeien, dat men dus den kop naar B.B. moet brengen.
De onderofficier der sloep laat zoolang naar B.B. houden, totdat de roode vlag neergaat en stuurt dan recht door.
De witte vlag beteekent recht door sturen en de blauwe vlag naar stuurboord roeien. (Men denke hierbij aan de kleur der lichten van schepen: rood B.B., wit recht vooruit en groen S.B.).
In het sloepsseinboekje vindt men nog verscheidene andere seinen, die van boord der schepen gedaan kunnen worden, of die men uit de eene sloep met zwart en wit geschilderde zeildoeksche seinramen aan de andere kan doen.
Sloepen worden ook gebruikt om water, behoeften of victualie te halen, trossen of werpen uit te brengen, enz. De trossen worden bij het uitbrengen geheel of gedeeltelijk achter in de sloep opgeschoten, of wel van boord uitgestoken naarmate de sloep voortroeit, het einde van de tros moet altijd voor in de sloep klaar liggen.
De werpen worden achteraan gehangen, ofwel met den stok over den spiegel, en de handen op eene plank, die dwars op het boord rust, gelegd. Aan het werp bevestigt men eene boei met boeireep, waaraan het werp wordt gelicht. Als het roer in dergelijke gevallen niet gebruikt kan worden, dan stuurt men met een riem.
In zee is steeds een der sloepen aangewezen als reddingsloep. Deze sloep moet zooveel mogelijk voor oogenblikkelijk gebruik gereed zijn.
De vanglijn moet buiten alles om binnenboord vaststaan, de takels moeten opgeschoten aan dek liggen, de stoppers opgezet zijn; de prop is ingezet; onder de doften is voor iedere roeier een zwemvest vastgemaakt.
Verder bevinden zich in de sloep: een reddinggordel, een kompas met lampje, een lantaarn met Lucifers. een sloepsseinboekje.
Bij de reddingbooten vindt men, om de sloepen te sjorren, steeds poolstroppen aan de davits.
UITKIJK. --- MAN OVER BOORD.
Ten einde onmiddellijk in kennis gesteld te worden met alles wat in zee zijnde, in 't zicht komt, of op eene reede liggende, andere oorlogsschepen of aan den wal plaats vindt, worden één of meer schepelingen op uitkijk geplaatst, wier plicht het is terstond te waarschuwen van alle bijzonderheden, die zij opmerken, bijv. in zee: het ontdekken van vaartuigen, tonnen of boeien, branding, riffen, land, enz.., op eene reede: van het aan boord komen van sloepen, het opgaan van seinen op andere schepen, vooral op het wachtschip, enz...
Wanneer een sloep in de nabijheid van het schip komt, praait de uitkijk die, als het donker is, bijtijds aan, door te roepen : ,,sloep ho"; komt de sloep aan boord, dan roept hij tot waarschuwing „sloep aan boord"; ziet hij een sein opgaan, dan praait hij „sein op", enz.
De uitkijk moet steeds bijzonder oplettend zijn; het is beter tienmaal te veel, dan eenmaal te weinig te waarschuwen.
Wanneer aan boord van eenig schip een vlag onderste boven wordt geheschen, beteekent dit, dat er een man over boord gevallen is. Dit wordt ook aangewezen door het hijschen van de seinvlag T, d.i. een rood, wit, blauwe vlag van verticale banen.
De eerste de beste, die iemand over boord ziet vallen, roept terstond zoo hard mogelijk „man over boord" en loopt, na de reddingsboei over boord gegooid te hebben, dadelijk daarheen waar hij het beste kan helpen.
Vervolg op bladzijde 80
blz 82 - 83
vervolg van bladzijde 81
In omgekeerde orde doen zich die standen voor, wanneer men tegen de zee inloopt. Dit kan gezegd worden de veiligste wijze te zijn om voor branding weg te loopen.
Maar wanneer eene sloep door eene hooge zee wordt ingehaald en geen genoegzame traagheid bezit om haar te laten voorbijgaan, dan doet zich de eerste der drie aangegeven standen alleen voor, de spiegel wordt zeer hoog opgelicht en de golf voert het vaartuig op haar voorste en gevaarlijkste zijde, somtijds met schrikbarende snelheid, mede de boeg ligt voortdurend diep in de holte der zee, waar het water betrekkelijk stilstaat en weerstand biedt, terwijl de kruin der zee, die in zich de beweging heeft, welke haar tot overkrullen noopt, den spiegel of het achtereinde van het vaartuig voortdrijft.
Bij zorgvuldige besturing met een riem kan eene sloep in dien stand somtijds een belangrijken afstand afleggen, totdat de golf gebroken is en zich opgelost heeft.
Maar het zal dikwijls gebeuren, dat bij een lagen boeg het voorschip schept en daarvan dus de vaart verloren gaat, terwijl het achterschip door de zee voortgedrukt wordt en de sloep zooals men zegt over den kop gaat.
Is echter de boeg hoog of, evenals bij sommige reddingbooten, voorzien van een luchtkast, zoodat het voorschip niet scheppen kan, dan zal meestal de weerstand aan den eenen kant van den boeg sterker zijn dan aan den anderen kant en den steven doen uitgieren, waardoor de kracht der zee op de tegenovergestelde zijde van het achterschip komt te werken en de sloep in een oogenblik dwarszee's en op de zijde gegooid wordt of geheel omver gaat.
Op deze wijze slaan de meeste sloepen in de branding om, vooral op vlakke stranden, en verdrinken ieder jaar vole zeelieden der koopvaart, die den wal trachten te bereiken, nadat zij hun schip moesten verlaten.
Hieruit volgt, dat de wijze van besturing eener sloep, door hooge branding naar het land gaande, zooveel mogelijk overeenkomstig is met die, welke men volgt om tegen de zee in naar buiten te komen, althans in zooverre, dat men de vaart landwaarts vertraagt op het oogenblik, dat men door een hooge zee beloopen wordt en deze daardoor gelegenheid geeft voorbij te gaan. Er zijn verschillende wegen om tot dat doel te geraken :
1. Door den steven naar zee te keeren voor men in de branding komt, en dan, met het achterschip zoo naar land gekeerd, te strijken, bij het naderen van elke zee eenige r iemslagen vooruit doende om daarna weder te strijken. Staat de zee werkelijk hol en heeft men een kleine sloep, dan zal dit meestal de zekerste wijze van handelen zijn, want men heeft een vaartuig meer in bedwang wanneer men de volle kracht der riemen tegen de zee gebruiken kan, dan alleen door te strijken.
2 Door, met den spiegel zeewaarts gekeerd, naar land te roeien bij het naderen van eene hooge zee met alle riemen te strijken en weder vooruit te roeien als de zee bij den boeg der sloep gekomen is, dus op den rug der golf voort te roeien, of zooals in sommige reddingbooten gedaan wordt, de achterste roeiers met het gezicht naar voren te plaatsen en hen, bij het naderen van elke zee, terug te laten roeien. 3 Door met den steven naar het land te roeien en eenig geschikt voorwerp achteraan te laten sleepen, b.v. een ballastschuitje, zwaren steen, grooten mand of zeildoekschen zak, dragge of sleper geheeten en bepaaldelijk daarvoor ingericht, daardoor achterschip zal het teruggehouden worden en de sloep belet worden uit haar roer te loopen en dwarszee's te komen.
De bovenbedoelde slepers worden veel gebruikt door de bootslieden der kust van Norfolk. Het zijn kegelvormige zakken, de verhouding van lengte tot breedte als bij een domper, de middellijn bij opening ongeveer 2 Engelse voeten (0.61 meter), op 4 1/2 vt. (1.37 m.) lengte. Zij worden met de opening naar voren op een sterk eind touw gesleept en een dunne lijn als kaaier wordt op den top of punt gestoken.
Op die wijze gesleept zal de zak met water gevuld worden en een rijken weerstand bieden, waardoor het achterschip der sloep wordt vastgehouden. Viert men het dikke eind en houdt men de lijn aan, dan wordt de stand omgekeerd, het zeildoek plooit te zamen en de zak kan gemakkelijk in de sloep gehaald worden.
De sleepers worden hoofdzakelijk bij zeilvaartuigen gebezigd. Zij dienen dan zoowel om de vaart te stuiten als om het achterschip voor de zee te houden, aan roeivaartuigen bieden zij groote veiligheid, en alle roeibooten der Redding Maatschappij zijn er tegenwoordig van voorzien.
Een aangeslagen loshangend sloepzeil met een hanepoot op de ra zal, meegesleept, eenigermate als bovenbeschreven sleepers werken en zeer dienstig zijn om de kracht der zee op den spiegel der sloep te breken. Men moet geen zware gewichten op de uiteinden plaatsen, maar voor een hooge zee wegloopende, is het goed, dat een sloep achter dieper gaat dan voor, dus stuurlast heeft, waardoor het achterschip minder door de zee omgegooid zal worden.
Vervolg op bladzijde 84
blz 87 - 88 - 89
Zoo mogelijk pakt ge tevens zijn neus tusschen duim en vingers en knijpt deze dicht. Om nu zijn mond te kunnen openen zal hij nog verder met zijn hoofd naar achteren en dus zijne handen loslaten.
Grijpt hij u om lichaam en armen vast, haal dan diep adem, buig u over hem heen en plaats uw rechterhand op zijn kin, mond en neus zooals hiervoren aangegeven. Leg uw linkerhand op zijn schouder en breng tegelijkertijd uw rechterknie tegen het ondergedeelte van zijn borst of het bovenste gedeelte van zijn buik. Druk dan plotseling met een flinken ruk uw rechterarm en been voorwaarts en zet u met het volle gewicht van uw lichaam achterover.
De drenkeling zal u oogenblikkelijk moeten loslaten.
VERLEENEN VAN EERSTE HULP AAN DRENKELINGEN.
Tallooze malen is het voorgekomen, dat een drenkeling, die met moed en zelfopoffering uit het water werd gehaald, toch gestorven is, omdat hij aan den wal gebracht, niet op de goede manier werd behandeld.
Een ieder is daarom zedelijk verplicht te weten hoe hij een drenkeling moet behandelen en deze behandeling terstond toe te passen. Ondertusschen zal men door een ander zoo geneeskundige hulp doen halen.
Voorschriften omtrent de behandeling
1. Leg den drenkeling onmiddellijk op zijn buik met een opgevouwen kleedingstuk onder zijn borst of maag; leg een zijner armen onder zijn voorhoofd. Leg uw beide handen op zijn rug en druk zonder geweld naar beneden.
Het binnengekomen water wordt aldus naar buiten gedrukt en kan door mond en neus, die vrij liggen, wegvloeien.
2.Leg den drenkeling daarna op zijn rug en verwijder met een zakdoek over uw wijs- en middelvinger gespannen, het vuil en slijm uit keel en mond en reinig zijn neus.
Dit is van groot belang omdat anders bij de hierna te beschrijven kunstmatige ademhaling vuil en slijm in de luchtpijp en de longen gezogen wordt, wat hem bijna zeker later een longontsteking zal bezorgen.
3. Maak de kleeren voor op de borst los en evenzoo broeks of roksbanden en corset. Trek bij een man zoo mogelijk zijn jas uit en ontbloot het bovenste gedeelte van den buik (maagkuil).
Het eerste is noodig opdat de borstkas zich vrij kan uitzetten. Het ontbloten van den buik is gewenscht om later het op- en neergaan van de maagkuil waar te nemen, als de ademhaling weer begint.
Reeds dadelijk alle natte kleeren uit te trekken is niet gewenscht ; het houdt te veel op.
4. (Methode Labarde). Neem den tong tusschen duim en wijs vinger waar overheen uw zakdoek is gespannen en trek den tong krachtig doch bedaard met regelmatige slagen naar buiten. Doe dit vijf keer, het vuil afvegende en let op of er eenig teeken van leven komt. Is dit het geval dan doorgaan, anders overgaan tot :
5. Methode Sylvester). De tong flink over de onderste tanden heenhalen en met een doek om nek en kin vastbinden. Doet men dit niet dan zakt de tong naar binnen en sluit de keel af.
6. Methode Sylvester- Overgaan tot de kunstmatige ademhaling.
Al het voorgaande moet vlug hoewel niet overhaast geschieden om spoedig te komen tot de kunstmatige ademhaling.
De drenkeling ligt op zijn rug ; kniel achter zijn hoofd, buig u voorover, pak zijn armen bij de ellebogen en druk ze zacht tegen de voor-zij-vlakte van zijn borstkas. Blijf eenige tellen in deze houding en laat een helper den mond schoon maken.
Trek de armen krachtig zijwaarts naar achteren en naar boven, de ellebogen dicht langs den grand tot ze zijdelings langs zijn hoofd komen. Blijf een paar tellen in deze houding. Ga gelijkmatig op deze wijze door in het tempo, waarin ge zelf ademhaalt, want de eerste, beweging (drukken op de voor-zij-vlakte van de borst) geeft uitademen, de tweede beweging (het naar achteren brengen van de armen) geeft inademen.
Een helper houdt ondertusschen de enkels vast, anders zoudt ge het geheele lichaam van den drenkeling omhoog trekken.
lemand, die bedreven is in deze bewegingen, voert ze het best alleen uit. Het is echter zeer vermoeiend. Is er nog iemand anders, die methode ook kan toepassen, dan zal men elkaar aflossen. Is alleen onbedreven hulp aanwezig, dan kan men ieder een arm behandelen.
Den moed niet verliezen, ook al duurt het langer dan een uur eer ge levensteekens bemerkt. Let vooral op het zelfstandig bewegen van de maagkuil, trekkingen in het gezicht of rood worden van het gelaat.
Houdt eerst op als ge ziet, dat de ademhaling uit zich zelf krachtig en regelmatig voortgaat. Begin dadelijk opnieuw als de ademhaling weer dreigt op te houden.
7.(Methode van Hasselt). Zijn een of beide armen gebroken en kan Sylvester's methode niet worden toegepast, ontbloot dan de borst en de bovenste buikhelft. Hef de ribben met kracht naar voren en naar boven door uwe vingertoppen om de onderranden der ribben te slaan. Bij het loslaten gaan ze van zelf terug. Tempo als bij uw eigen ademhaling.
Begint de patient te braken, dan dadelijk zijn hoofd op zij leggen, opdat het braaksel niet in de luchtpijp kan komen. Mond en keel daarna reinigen.
Men bedenke steeds, dat vooral het verwijderen van het water uit de longen en de maag dadelijk moet geschieden. Ook de kunstmatige ademhaling dient zoo vlug mogelijk te geschieden, doch soms is het beter (b.v. bij felle koude) den patient eerst ergens binnen te brengen.
Is de ademhaling hersteld, dan den patient zoo mogelijk ergens binnen brengen en trachten hem warm te maken en het bloed weer te doen stroomen.8. Het bevorderen van den bloedsomloop, dat zoo mogelijk reeds door een ander wordt begonnen, terwijl gij de kunstmatige ademhaling toepast, geschiedt als volgt :
Den patient geheel ontkleeden, goed afdrogen, het geheele lichaam, vooral armen en beenen, met wollige warme doeken wrijven in de richting naar het hart toe.
De voetzolen schuren met borstel of borstelige lap; een sterk riekend vocht (b.v. eau de cologne of geest van salmiak) onder den neus houden.
Is aldus het bewustzijn teruggekeerd en de hart- en polsslag weer krachtiger, dan den patient zoo mogelijk leggen in verwarmde dekens tusschen warme, omwikkelde kruiken en warme koffie, thee, cognac of brandewijn laten drinken. Dit laatste alleen als de patient bij kennis is ; een bewustelooze slikt niet ; het vocht zou dus in de luchtpijp stroomen.
Den patient niet te vroeg naar zijn woning vervoeren. Hij is zwak en het vervoer kan hem schaden.
Acht u van uw zorgen eerst ontslagen als de drenkeling in zijne woning is aangekomen en een geneesheer aanwezig is.
De voorschriften 3 t/m 6 moeten ook worden toegepast bij schijndood door verstikking (tengevolge van een vreemd voorwerp, in de keel) of door ophanging, vergiftiging (b.v. door kolendamp, of andere vergiftige gassen) door bevriezing, zonnesteek of een electrischen stroom.
vervolg op bladzijde 90
blz 92 - 93
Op het commando : Klaar wenden, worden de schooten gereed gehouden om losgegooid te worden en over den anderen boeg weer aangehaald te worden. Om de sloep gemakkelijk in den wind te laten opdraaien, worden de schooten bijgevierd op het commando : ,,ree". Wil de sloep, die op den wind is gedraaid, niet doordraaien, dan kan men dat bevorderen door de voorschoot uit te houden. Is de sloep door den wind dan worden de schooten over den nieuwen boeg uitgehaald. Kan men om een of andere reden niet wenden, dan kan men over den anderen boeg komen door voor den wind om te gaan, hetgeen ook wel halzen wordt genoemd. Met deze manoeuvre verliest men echter veel loef. terwijl het over­slaan van de zeilen voor den wind (geipen) soms gevaarlijk is. Wil men de sloep onder zeil ongeveer op dezelfde plaats houden, dan moet men bijdraaien. Men houdt de sloep dan aan den wind met de voorzeilen tegen en de achterzeilen vol. Hierbij verlijert men echter steeds. Een zeilsloep moet geballast zijn. Liefst met gevulde watervaatjes. De bemanning moet zooveel mogelijk blijven zitten en niet op de doften gaan staan. De schooten mogen niet belegen zijn, doch moeten in handen worden gehouden om ze zoo noodig dadelijk te kunnen vieren of los te kunnen gooien.
KOMPAS.
Het kompas wijst ons de richting der 32 hemelstreken, waarin de horizon verdeeld is.
kompas
Men onderscheidt deze in hoofd-, hoofdtusschen-, tusschen- en bijstreken.
Er zijn 4 hoofdstreken : Noord (N.), Oost (O.), Zuid (Z.) en West (W.).
Midden tusschen een paar hoofdstreken ligt een hoofdtusschenstreek, bijv. : tussschen N. en O. ligt Noord-Oost. Er zijn dus 4 hoofdtusschenstreken : NO., ZO., ZW., NW.
kompasstreken
Weer in het midden tusschen een hoofd- en een hoofdtusschen streek ligt een tusschenstreek, die dan naar beiden genoemd wordt, dus bijv. tusschen N. en NO. ligt NNO, enz. Er zijn 8 tusschenstreken : NNO., ONO., OZO., ZZO., ZZW., WZW., WNW. en NNW.
kompasstreken
De streken liggen ten slotte tusschen de bovengenoemde hoofdtusschen- en tusschenstreken, zoals hieronder is aangegeven
De streken kunnen weder onderverdeeld worden in halve streken.
Vanaf Noord met zon omgaande krijgt men dan : N., N1/2O., NtO., NtO,1/2O., NNO., NNO1/2O., NOtN., NO1/2N., NO., NO1/2O., NOtO., NOtO1/2O., ONO., ONO1/2O., OtN., O1/2N., O., enz.
Nog fijnere verdeeling in kwartstreken wordt zelden gebruikt.
Men maakt dan gebruik van de verdeeling in graden.
Vervolg op blz 94
blz 96 - 97
vervolg van blz 95
De loodlijnen zijn gemerkt in meters. Het merken geschiedt uitgaande van den onderkant van het lood. De loodlijnen worden tevoren natgemaakt en gerekt. De merken worden veelvuldig gecontroleerd. -
De handloodlijnen zijn 50 meter lang en zijn over de volle lengte gemerkt. Op 3, 5 en 7 meter wordt respectievelijk een rood, een wit en een blauw lapje aangebracht ; op 1, 2, 4, 6, 8 en 9 meter een eindje hin en op 10 meter een lederen lapje.
Voor de diepten tusschen 10 en 20, 20 en 30, 30 en 40 en 40 en 50 meter worden eveneens op elken meter overeenkomstige merken aangebracht, met dien verstande, dat in het lederen lapje op 10 meter 1 gaatje, in dat op 20 meter 2 gaatjes enz. worden aangebracht.
Op 1 1/2 meter vanaf den onderkant van het lood is een knevel aangebracht.
Sloepsloodlijnen hebben een lengte van 20 meter. Zij zijn over de volle lengte verdeeld op dezelfde wijze als voor de handloodlijnen aangegeven.
Bovendien wordt bij de eerste drie meters nog op de halve meters (1/2, 1 1/2 en 2 1/2) een merk aangebracht bestaande uit een lusje.
De Slaggaard.
De slaggaarden worden naar gelang van het doel, waarvoor ze gebruikt worden in verschillende lengten vervaardigd. Ze dienen om to steken naar den grond. Meestal zijn het zwarte stokken, in decimeters verdeeld door witte kringen. Bij elk dier kringen staat de diepte geschilderd.
De gedeelten van 2 tot 3 dm zijn rood, van 4 tot 5 dm wit en van 6 tot 7 dm blauw geschilderd. Hetzelfde geld boven de 10 dm.
Een vaste wijze van verdeelen bestaat overigens niet. Een druif onder aan den stok is voor ongeoefenden gemakkelijk bij het steken, maar veroorzaakt last bij het naar zich toehalen bij vaart loopend schip. Men houde bij zachten grond rekening met het inzinken van de slaggaard.
ANKERS EN KETTINGEN.
De bij de Koninklijke Marine voorkomende ankers worden onderscheiden in gewone, plattehands en stoklooze ankers, benevens sloepsdreggen en paddestoelankers. De ankers worden benoemd naar het gewicht in kg.
Het gewone anker komt als boeganker weinig meer voor, doch wordt nog steeds gebruikt als werpanker en als stopanker.
Bij dit anker staan stok en armen loodrecht op elkaar, waardoor zij veel ruimte innemen.
Bij het plattehandsanker liggen stok en armen in hetzelfde vlak, de armen zijn draaibaar en doen beide dienst. Een eenvoudig type van plattehandsanker komt voor aan boord van de kanonneerbooten.
Bij het stoklooze anker ontbreekt, zooals de naam aanduidt, de stok. De armen zijn met de handen één stalen gietstuk, dat door een zware bout scharnierend aan het ondereind der schacht wordt opgesloten. Het groote voordeel van een stokloos anker is de eenvoudige wijze van bezorgen, door n.l. de schacht in de kluis te draaien, totdat de handen tegen boord rusten. De modern schepen zijn dan ook alle met een stokloos anker uitgerust.
De sloepsdreggen bestaan uit een schacht met vier armen. Ze hebben geen stok en behooren tot den inventaris der sloepen. De paddestoel- of parapluie-ankers bestaan uit een schacht en een paddestoelvormige gietijzeren kom, die als arm en hand dienst doet. Ze worden op varende schepen niet gebruikt en dienen voor verankering van lichtschepen.
De ankerkettingen worden gevormd door in elkaar gesmede schakels, schalmen genaamd. Elke ankerketting bestaat uit 8 stukken, elk lang 25 meter, zoodat elke ketting een totale lengte heeft van 200 meter. De stukken worden aan elkaar verbonden door sluitharpen, ook wel sluitings genoemd. Zoo dicht mogelijk bij het uiteinde van het eerste eind ketting en op gelijke plaats in het laatste eind is in de ketting een wartel aangebracht.
Om bij het uitloopen van de ketting te kunnen zien hoeveel meter uit is, zijn de kettingen om de 25 meter gemerkt met een eindje lijn, waarin evenveel knoopen gelegd zijn als het totale uitgeloopen eind ketting veelvouden van 25 meter telt.
Bij het merken van den ketting blijft het korte eind met wartel buiten beschouwing.
Behalve door bovengenoemde merken is de ketting door het schilderen van een of meer schalmen gemerkt, en wel zoodanig dat de eerste gekleurde schalm van het merk op den daarbij behoorenden afstand komt te liggen, terwijl het eindje lijn met knoopen wordt bevestigd aan den laatsten gekleurden schalm van het merk.
De schildering der schalmen is als volgt :
op 25 meter rood
op 50 meter rood-rood
op 75 meter rood-grijs-rood
Vervolg op bladzijde 98
blz 100 - 101 - 102
KNOOPEN.
Men onderscheidt de volgende knoopen :
Halve schild. Dient als uitgangspunt voor het maken van andere knoopen (stoppersknoop en valreepsknoop).
Kruisknoop. Dient om een Spaansche takeling te maken en wordt gebruikt bij stoppersknoop en valreepsknoop.
Valreepsknoop. Wordt als sierknoop gebruikt bij valreepen.
Stoppersknoop.Dient bij het maken van kettingstoppers van touwwerk.
Engelsche en Hollandsche staande wantsknoop. Dient om twee einden aan elkaar te verbinden en wordt gebruikt bij het maken van strengestroppen.
Halve sjouwerman. Dient om zoutwater putsen te stroppen.
Heele sjouwerman. Dient om zoetwater putsen te stroppen.
Turksche knoop van één eind. Wordt gebruikt bij lijfseizings.
Turksche knoop van drie einden. Dient om de sporten eener Jacobsladder op te sluiten.
Boerenplatting. Dient voor het maken van stoppers.
Fransche platting. Dient voor het maken van lijfseizings.
SPLITSEN.
Korte splits. Dient om twee lijnen of trossen van gelijke dikte op elkaar te splitsen. De splits krijgt hierbij ongeveer de dubbele dikte van de lijn of tros.
Lange splits. Wordt voor hetzelfde doeleinde gebruikt. De lijn of tros behoudt de oorspronkelijke dikte, waardoor het de aangewezen splits is voor loopend touwwerk.
Oogsplits. Dient om een blijvend oog in tros of lijn te maken.
Grommer. Dient voor het stroppen van blokken en wordt gebruikt als krans om den top van den mast,
Contra splits. Dient om twee sloepswantjes aan elkaar te splitsen.
Geboortedagen van H. M. de Koningin
en H. K. H. Prinses Juliana der Nederlanden.
30 April 1909. H. K. H. Juliana, Louise, Emma, Marie, Wilhelmina, Prinses van Oranje-Nassau, Hertogin van Mecklenburg, enz. enz. Dochter van H. M. Wilhelmina, Koningin der Nederlanden en Z. K. H. Prins Hendrik, Prins der Nederlanden.
31 Augustus 1880. H. M. Wilhelmina, Helena, Paulina, Maria, Koningin der Nederlanden.
WILHELMUS VAN NASSOUWE.
(Eerste couplet).
Wilhelmus van Nassouwe
Ben ick van Duytschen bloet.
Het vaderlandt ghetrouwe
Blijf ick tot in den doet.
Een Prince van Oranqien
Ben ick vrij onverveert.
Den Coninck van Hispangiën
Heb ick altijd gheëert.
WIEN NEERLANDSCH BLOED.
(Eerste couplet).
Wien Neerlandsch bloed door de aderen vloeit,
Van vreemde smetten vrij,
Wiens hart voor land en Koning gloeit
Verhef den zang ais wij.
Hij stel met ons vereend van zin,
Met onbeklemde borst,
Het Godgevallig feestlied in,
Voor vaderland en Vorst. (bis).
vervolg op blz 103
blz 103- 104 - 105 - 106
Regeling betreffende het verleenen van steun door de Koninklijke nationale vereeniging tot steun aan miliciens.
§ 1.
(1). De chef van het bureau zeemilitie draagt er zorg voor, dat de zeemiliciens, die voor eerste oefening in werkelijken dienst zijn, worden ingelicht omtrent het verleenen van steun, in verschillenden vorm, door de Koninklijke nationale vereeniging tot steun aan miliciens.
(2). De wijze, waarop de vereeniging door zeemiliciens, die haar steun inroepen, wenscht te zien gehandeld, en de wijze, waarop de vereeniging zich voorstelt ten aanzien van verzoeken van zeemiliciens te handelen, zijn weergegeven in de volgende paragrafen.
§ 2.
(1). Zoo spoedig mogelijk nadat zeemiliciens de eerste oefening hebben aangevangen, wordt hun bekend gemaakt, dat diegene harmer die door de verplichting tot het vervullen van de eerste oefening een vaster werkkring heeft moeten verlaten en prijs stelt op het behoud of het weder verkrijgen van zijn betrekking, zich tot de in § 1 genoemde vereeniging kan wenden met het verzoek, dat zij haar medewerking zal verleenen tot het verkrijgen van de toezegging, dat hij na vertrek met groot verlof weder in bedoelden werkkring zal worden aangenomen.
(2). Het verzoek moet schriftelijk geschieden.
(3). In het verzoek moeten worden opgegeven de datum, waarop de zeemilicien de eerste oefening heeft aangevangen, de datum, waarop deze oefening vermoedelijk voor hem zal eindigen, alsook de naam en het adres van den werkgever, hij wien de zeemilicien tot het tijdstip van zijn opkomst in betrekking was.
(4). Het verzoek moet worden gezonden aan het secretariaat der vereeniging, adres : Hemonylaan 14, Amsterdam-Zuid
§ 3.
(1). Het secretariaat der in § 1 genoemde vereeniging doet het ontvangen verzoek in den regel toekomen aan een plaatselijke afdeeling.
(2). De in het vorige lid bedoelde afdeeling of het secretariaat treedt spoedig na ontvangst van het verzoek in verbinding met den werkgever, met het doel te bereiken, dat deze vroegtijdig rekening zal houden met het tijdstip, waarop de zeemilicien vermoedelijk weder te zijner beschikking zal kunnen zijn.
§ 4.
(1). Tegen het einde van de eerste oefening worden de zeemiliciens andermaal op het bestaan van de in § 1 bedoelde vereeniging opmerkzaarn gemaakt.
(2). De zeemilicien, die dan nog geen stellige toezegging aangaande herplaatsing in zijn vorigen werkkring heeft verkregen, hoewel hij tevoren een verzoek, als bedoeld in § 2, aan de vereeniging richtte, kan nogmaals een verzoek van dien aard aan het secretariaat der vereeniging zenden.
(3). Na ontvangst van het in het vorige lid bedoelde nadere verzoek herhaalt de vereeniging haar pogingen tot het herplaatsen van de zeemilicien in de door hem verlaten betrekking of doet zij pogingen, hem geplaatst te krijgen in een soortgelijke betrekking.
(4). Indien met de in het vorige lid bedoelde pogingen geen gunstige uitslag wordt bereikt, zal de vereeniging den zeemilicien behulpzaam zijn bij het verkrijgen van een anderen werkkring.
§ 5.
Indien de zeemilicien van de in § 1 genoemde vereeniging hulp in anderen vorm wenscht te verkrijgen en hij daartoe een schriftelijk verzoek aan de vereeniging richt, zal deze overwegen, of en in hoever zij aan het verzoek zal voldoen.
§ 6.
De vereeniging onthoudt in den regel de gevraagde hulp aan den zeemilicien, die zich door minder goed gedrag gedurende zijn verblijf in werkelijken dienst het verkrijgen van deze gunst niet waardig heeft gemaakt.

COMMANDO EN ONDERSCHEIDINGSVLAGGEN, STANDAARDEN EN WIMPELS.
vlaggen
INHOUD HANDBOEK
blz 03.... Doel van het handboek.
blz 03.... Bestemming en diensttijd van den zeemilicien.
blz 06.... Indeeling en opleiding.
blz 06.... Soorten van schepen.
blz 08.... Artillerie.
blz 15.... Torpedo's.
blz 17.... Mijnen.
blz 18.... Dieptebommen en dieptebommenwerpers.
blz 18.... Voortstuwingswerktuigen en ketels.
blz 19.... Marine-luchtvaartdienst.
blz 20.... Waterdichte indeeling aan boord onzer oorlogsschepen.
blz 21.... Bepalingen tot het voorkomen en blusschen van brand.
blz 23.... Algemeene maatregelen en veiligheidsvoorschriften met het oog op gevallen van averij (lekken).
blz 24.... Krijgstucht, baksorder,enz.
blz 27.... De scheepsdienst.
blz 28.... De scheepsdienst.
blz 33.... Model voor het uitpakken der kleedingstukken, enz. bij plunjeinspectie.
blz 35.... Signalen betreffende den scheepsdienst.
blz 38.... De schildwachtendienst.
blz 39.... Eerbewijzen.
blz 41.... Eerbewijzen.
blz 44.... Rangen en onderscheidingsteekenen.
blz 48.... A. Zeemacht : Officieren.
blz 51.... Onderofficieren.
blz 55.... Manschappen.
blz 60.... B. Landmacht.
blz 64.... Draagbare wapenen.
blz 68.... Draagbare wapenen.
blz 72.... Draagbare wapenen.
blz 76.... Roeisloepen.
blz 79.... Uitkijk — Man overboord.
blz 80.... Sloepen in de branding.
blz 85.... Het redden van drenkelingen.
blz 87.... Het verleenen van eerste hulp aan drenkelingen.
blz 91.... Zeilen met sloepen.
blz 91.... Kompas.
blz 95.... Lood en loodlijnen.
blz 96.... Ankers en kettingen.
blz 98.... Steken, knoopen en splitsen.
blz 101... Geboortedagen van H.M. de Koningin en H.K.H. Prinses Juliana der Nederlanden.
blz 102... Volkslied.
blz 103... Regeling betreffende het verleenen van steun door de Koninklijke nationale vereeniging tot steun aan miliciens.
blz 105... Koninklijke Standaarden, Vaandels en Vlaggen.

1 opmerking :

Anoniem zei

Onverwachts de link van deze site doorgekregen van een Sobat. Ik heb met verbazing gekeken naar deze mooi opgezette website waar veel informatie in staat en schitterend fotomateriaal..... Ga zo door
Puik Werk !

Arie Krijgsman