woensdag 10 juli 2013

Schetsen en Humor 135

hoofdstuk 4- Marineschetsen van 1900 tot den Mei-oorlog 1940.
Men kan er de typen niet juist in definieeren, al domineert het Engelsche. Bij de soldatenhumor onderkent men veelal sterk het Duitsche sentiment, en van den Franschen soldaat gaan gestyleerder moppen dan van den boertigen Vlaming, zooals de Noord-Nederlandsche soldatenhumor niet zonder calvinistischen inslag weer van de ,Brabanter" is te onderscheiden.
Maar de matrozenhumor kent deze enge grenzen niet en het is moeilijk te bepalen welke stijlbloempjes, welke satiren een meer naar een bepaald zeevolk georiënteerd karakter dragen. Anders is het gesteld als men de verzameling humor en satiren beperkt tot de marine. Dat is te verklaren, omdat de marine van elk land een specifiek karakter heeft.
Toch is hier dikwijls een vermenging van internationals marinehumor met het eigen karakter terug te vinden. Een bekende mop, die zoowel in de Nederlandsche bladen als in Engelsche, Duitsche, Fransche, ja zelfs in Italiaansche en Spaansche terug te vinden is, is die van den ietwat beschonken heer, die een marine-officier voor portier van het hotel aanziet en hem opdraagt een taxi te bestellen. Als de marine-officier hem verontwaardigd toevoegt : Ik ben zeeofficier !", zegt de als heer gekleede zwabber : „Geen bezwaar mijnheer, geef me dan maar een roeibootje !"
In „De Wacht", het mobilisatie-weekblad van 16 dec. 1930 vond ik één goede marine-mop, die, als ik me goed herinner, via Amerika in onze marine kwam. Ruiling : De chef machinekamer en de luitenant ter zee, belast met de navigatie, konden het niet eens worden over de vraag, wie tenslotte voor het schip onontbeerlijker was. Het debat bleef vruchteloos en tenslotte besloten zij de rollen om te draaien : de chef machinekamer klom op de brug en de navigatie-officier nam de leiding van de machinekamer op zich.
Na een half uur stopte de machine; de zee-officier verscheen met een rood hoofd en onder de olie op de brug en zei : Ik kan die verdraaide koffiemolen van jou niet meer aan den gang krijgen. . ." „Hoeft ook niet," zei de chef m.-k. „We zitten aan den grond."
Soortgelijke marine-moppen, die dus een speciaal marinekarakter hebben, vond ik in het maandblad ,,Onze Marine", maar in het bijzonder in de „Mixed Pickles" van de Jaarboekjes der adelborsten van de — zeg laatste tien jaar.
— Een van de nieuwe torpedojagers had proef gestoomd op de gemeten mijl en een marineman — hoe flitst zoo'n nieuwtje soms in eens door je brein — zegt tegen een collega, die nogal aan sport doet en bezig is proeven van sportieve bekwaamheid of te leggen voor het Ned. Olympisch Comite (N.O.C.) : ,,Zeg, die „Van Nes" heeft 36 mijl geloopen !" ,,Zoo ?" zegt de collega, die allerminst aan een torpedojager denkt : ,ik wist niet dat die ook bezig was voor het N.O.C." — Een adelborst werd gepeild omtrent z'n handigheid in het omgaan met den sextant. De officier-leeraar vraagt : ,,Hoe brengt men de zon op de kim." De adelborst : ,,Wachten tot zonsondergang, mijnheer."
— De „Z 5" passeert een schip in volle zee en dat schip salueert door de vlag neer te halen en weer voor te hijschen. De officier op de brug roept naar de milicien-seiner : ,,Salueeren !"
De milicien kijkt verschrikt rond en ziet niemand aan wien hij den verschuldigden militairen groet zou moeten brengen. De commandant : ,,Wel verdraaid ! Salueeren, stommert; zie je dat schip niet ? !. . ." ,,Dat schip ? ... o ja . . .- de milicien kijkt stom begrijpend... „salueeren ? Ach ja... natuurlijk," en... hij brengt correct den militairen groet !
— Niet iedereen, die met een vlet moet leeren manoeuvreeren kent of begrijpt de uitdrukkingen en benamingen van zoo'n vaartuigje. Dat was b.v. het geval met Stompedissel, die wrikken moest leeren. De kwartiermeester had 't even voorgedaan, maar omdat 't voor de overige schepelingen, die dezen cursus volgen, wel gewenscht is, dat de vlet stil zou blijven liggen, zegt de kwartiermeester tegen Spatjes: ,,Hou jij z'n neus even vast." En prompt stapt Spatjes in de vlet en grijpt den neus van Stompedissel, alsof hij bang was dat 't reukorgaan te water zou vallen.
-Overigens," besloot Vandersteng, „de beste humor laat zich moeilijk ,,beschrijven". Zooiets moet je mee waken aan boord, in den dagelijkschen omgang, in het leven van allen dag. Maar denk nou in 's hemelsnaam niet, dat ze aan boord theorie humor te verwerken krijgen of elkaar opwarmen om nu eens extra grappig te zijn. Er is aan boord dikwijls minder humor te ontdekken dan in het leven van den burger aan den wal. Hetgeen overigens geen ,,marine,verschijnsel" is."
Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :