vrijdag 14 juni 2013

Schetsen en Humor 091

hoofdstuk 3- Marineschetsen van 1860 tot 1900.
„Er moest gehandeld worden —" zoo citeer ik Van Everdingen dus verder, „anders ging die ,ellendige ijzeren schuit met verhuisboel", zooals hij het moderne oorlogsschip spottend altijd noemde, vast en zeker naar den kelder. Verbeeld je zoo iets : een Hollandsch pantserschip op een proefreis, met man en muis vergaan ... in de kikkersloot. Ja, hij had het den ouwe wel gezegd : een zeeman moet moedig zijn — hij mag niet onvoorzichtig, niet roekeloos wezen.
Had hij het dan niet zelf ondervonden, eens, met een mailboot op de thuisreis ? Als het spookte in die waschtobbe, dan was het raak ! Veel mijmeren deed de sterke man niet, hij zou zich geven en van alien het uiterste verlangen. Als de schroeven en die twee vreemde machines het nu maar hielden, dan ken het veel lijden, want het schip had vijf stuurinrichtingen en alles was zóó van den smid.
De bemanning was opgeruimd, als voelde zij de inwerking van den sterken geest op de brug. ,,Hij mocht een Isegrim, een bullebak zijn — een zeeman was hij op en top". Ziedaar de volkskonsekwentie : men hield van dezen mensch, zoolang de storm duurde — en dat waren drie nachten en drie dagen lang — als van geen ander; hun recalcitrante houding maakte plaats voor warme sympathie, naarmate de barometer daalde, steeg de geest aan boord. Naar gelang het om hen heen donker werd, met een langen nacht in zicht, helderde en klaarde het meer en meer op in de hoofden, in de ziel van alle opvarenden.
De nacht was vreeselijk. Niet een man kwam in zijn kooi. Toen de eerste wacht betrokken werd en het andere kwartier aanstalten maakte voor kooien-af gebeurde het eerste ongeluk. Het voorschip dook nog eens flink ender en het stuk water dat binnen boord kwam, sloeg het smidsaambeeld van den zwaren ketting weg, waarvan de punt terecht kwam in de bil van een matroos. die er gebukt vóór stond, bezig iets vast te sjorren.
Gelijkertijd kwam de provoost naar boven met het bericht dat het zeewater door allerlei paten naar beneden stroomde. Dat was beslissend voor Isegrim". Hij liet alle hens aan dek komen en maande aan tot kalmte en gehoorzaamheid. De schipper, geholpen door de bootslui en de flinkste matrozen, begat zich naar den bak, gevolgd door den eerste-officier. Nu werden eenige hangmatten geopend en de kluisgaten, kettingkokers en overige noodzakelijke dekopeningen met matrassen, hoofdkussens en dekens gestopt. Ook in het benedenschip was zulks noodig; er waxen zelfs patrijspoorten stuk geslagen. Alle koekoeken werden zwaar dichtgeschalmd, zoodat niemand meer naar omlaag kon.
De gewonde werd in de kajuit in een hangmat geborgen, als zijnde de eenige ruimte die droog bleef. Het schip leek meer een drijvend fort, dan wel een zeeschip. De bovenlast : het tentdek met kanonnen en sloepen, waarboven meters hoop uitstak de geweldige schoorsteen, baarde den eersteofficier veel zorg, want zulks bevorderde het slingeren ten zeerste.
Van eten of drinken kwam niet veel. De kok zag geen kans een vuur aan te houden. Men stilde den honger zoo goed het kon met een ,,kaapsch duifje" — een stuk scheepsbeschuit in zout water geweekt met een lap vet spek er op. Water was er gelukkig genoeg, dat distilleerde de machine voor ons. De machinisten en stokers hadden daar beneden een hel te verduren, als paarden werd door hen gewerkt.
Van dien kant kwamen óók klachten naar de brug. De machines liepen ongeregeld en door het stampen kwamen aanhoudend de schroeven bloot, waardoor de machines als dolle reuzen dóór stampten. Dit gaf gevaar voor warm loopen.
En toen de boodschap van de machinekamer kwam : ,,bakboordsmachine weigert" — wist de commandant op weergalooze wijze zijn waardigheid van divisie-commandant op te houden. Hij liet alleen stuurboords-machine draaien, met het roer te boord - snel varen was toch onmogelijk met die zee op den kop — en liet naar den meelegger seinen : „draaien alleen met stuurboords-machine, roer te boord" — als gold het hier een manoeuvre.
Aan het einde van den tweeden dag ging de wind plotseling liggen. 'Maar de daarop volgende nacht echter werd er een die levenslang den opvarenden in herinnering zou blijven. De zee, dagen lang in eene richting gestuwd, bleef nog lang woest nawerken. De golven vormden kasteelen met torens. Zóó stond de kolos op een trans, om als het ware daarop den sprong te meten en voorover in de diepte van het golfdal te springen.
Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :