zaterdag 15 juni 2013

Schetsen en Humor 093

hoofdstuk 3- Marineschetsen van 1860 tot 1900.
Het hart schokte den mannen in de keel en niet allen bleven zich frisch gevoelen. Het ergste evenwel en het meest gevaarlijke tevens, gebeurde wanneer het schip niet boven op zoo'n waterkasteel kon klimmen, door de weinige vaart die het liep. Dan stak het den boeg in de groen-zwarte, met kokende schuim gekrulde reuzengolf... met ingehouden adem stond of hing ieder aan boord een minuut lang of te wachten : zou ie rijzen ? En ja, gelukkig ! Daar hief de stalen reus zich langzaam, heel langzaam. weer op. Trillend en steunend, als dreigde hij te bezwijken onder de ontzettende vracht van honderden kubieke meters water die hij torste op zijn nek, werkte hij zich vrij en kwam de snoet, de bak met den stalen toren van het jaagstuk, eindelijk te voorschijn. Dan klom hij triomfeerende op een ,,nakomertje", waardoor zijn houding tegenovergesteld werd aan de vorige : het schip stond schuin tegen de hooge zee, met het achterschip in de diepte... Ijzingwekkend schouwspel en toch zoo mooi ! Maar dat gebeuren bracht de catastrophe. De zich nog flink houdende schuit, het vreemde monster, waaraan iedereen twijfelde in het begin, gooide in dezelfde triomph, als baldadig door het worstelen, - de watermassa langs zijn rug, over de heele scheepslengte, langs de loopplank, naar het halfdek...
Het gebeurde tegen het aanbreken van den morgen. De schipper onvermoeid, leidde het sjorringswerk op den bak. De officier van de wacht waarschuwde de wakkere kerels telkens als er een ,,breker" op til was. „Berg je !" riep hij dan en allen retireerden zij snel tot onder de brug, ter hoogte van de kombuis. Het bleef zoo een komen en gaan, waardoor het resultaat gelijk nul bleef; telkens, bij hun werk terugkeerende, vonden zij alles weer weggeslagen, de bak dreef vol doorweekt kooigoed.
Na een klein tukje, — zoo goed en zoo kwaad als het ging weer geheel opgemonterd, stond ,,Isegrim" dat spelletje met gefronste wenkbrauwen en saamgeknepen mond gade te slaan. Dat beviel hem maar half. „Nat worden zij toch ! Kneuzingen hebben allen al opgeloopen, welaan, laten wij met één forsche krachtsinspanning ineens alles stoppen en vastzetten," dacht hij.
Een bevel naar de brug, een waarschuwing met stentorstem over het geheele dek werden even spontaan gevolgd door het bijeenroepen van een sterke ploeg. „Mannen," bulderde hij, „we hebben niet veel tijd om te exerceeren, dat doen we later nog wel eens nietwaar ?" en zijn oogen keken den kring van braven ironisch flikkerend aan.
,,Het eerst noodige is nu, te zorgen dat het benedenschip niet vol loopt. Achteruit is het een hemeltje, vergeleken hier voor de brug. De commandant is niet fiksch meer, ik zeg jelui dank in zijn naam voor je best gedrag, maar laten we niet te lang kletsen en ineens den bak verzekeren. Neem allen een oorlam, dat hebben we wel noodig na al dat zoute water. Intusschen ga ik met den schipper even zien. . ." Als hij terugkwam met den chef van de equipage, stond zijn gezicht als het kon nog donkerder — doch vastberaden.
De ankers sloegen niet, een nieuw systeem borg deze tot de vloeien in de kluisgaten. Twee sloepen echter, tentstutten, de smederij, en meer losse rommel" leverden gevaar op. En alle gaten moesten opnieuw gestopt. De eerste officier ging zelf mee, aan het hoofd van een brigade, waarmede het onmogelijke zou kunnen worden bereikt. De schipper, mager en taai, wilde er bij zijn.
Dan was Lange Toon van de partij, met een paar vangarmen waarmede hij, den kok helpende, een heele baal gort als een peulschilletje boven den ketel tilde en leegstortte... Daar was de ,,blauwe", aan wien een der officieren eens — onder het mandiën — schertsend gevraagd had: „of zijn moeder ook altemet de brandewijn had opgedronken waarmede hij had behooren gewasschen te worden ?"
De ,,Haai", de beste zwemmer van ,,boord", nat als een zeehond, stond te grijnzen van genoegen in het vooruitzicht van een karwei. Hij stuwde zijn pruim van den eenen naar den anderen kant zijner kiezen en maakte daarbij zijn mond zoo mogelijk nog grooter. Zijn mond ! Waaraan hij zijn bijnaam te danken had ! Een half kaapsch duifje verdween er in met het grootste gemak. Als hij lachte, zoo spotten zijn vol humor zittende kameraden, fluisterde hij zichzelf wat in de ooren !
Ook de ,,blazer” bleef niet achter. Korte, dikke jonge vent, net even twintig jaren en toevallig reeds driemaal zulk zwaar weer hebbende meegemaakt, waarbij een thuisreis met een fregat om de Kaap, van ruim 100 dagen, stond dicht bij ,,Isegrim", dien hij bewonderde als een ,,mannetjesputter". Hij was op Kaapstad gedoopt als ,,blazer", toen de vergelijking plaats vond van zijn stevige korpus en ronde bolle snuit, met de visch die daar veel voorkomt en zich nu en dan opblaast tot een ronde bol. Maar hij had zijn handen de zaligheid niet beloofd en zou nu eens laten zien wat hij kon en durfde !
Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :