donderdag 30 mei 2013

Schetsen en Humor 065

hoofdstuk 3- Marineschetsen van 1860 tot 1900.
Voor zoo'n toespraak van Homstra in het volle scheepspubliek waren ze uiterst bang, want hij wist altoos weer een nieuwe sierlijkheid aan zijn rede te geven of andere zinnebeeldige voorstellingen uit te denken, waardoor de patient in een hoogst belachelijk daglicht werd gesteld.
Eén soort van menschen was er, waarvan Homstra een diepen afkeer had en die bij hem nooit meer iets goeds konden doen. Dit waren de menschen, waarin, zooals hij dat noemde, een ,,dooie natuur" zat. Daar waren er enkelen aan boord van de ,,Tromp", onder anderen een lang, mager individu, dat bekend stond onder den naam van „slappe Jozef”, en altoos met groote ,,doode", onverschillige oogen stond te kijken.
Je lijkt wel op de vrouw van Lot," zei schipper Homstra tegen hem, toen „slappe Jozef" bij zekere gelegenheid, terwijl er handen vol werk was, weer als een ,,zoutpilaar" stond te kijken. ,,Je moest eens naar den ziekenoppasser gaan," zei de schipper, „en vragen. of de dokter er wat op weet, om jouw weer levend te krijgen."
Dergelijke toepasselijke en geestige opmerkingen kreeg Jozef in de eerste dagen van zijn aan boord komen meermalen naar het hoofd, doch toen Homstra eindelijk bij zich zelven tot het besluit kwam, dat er aan 's mans natuur toch niet te veranderen viel, gaf hij het op en vergenoegde zich, met hem niet anders toe te voegen dan de korte, welsprekende woorden : „laat je begraven", terwijl hij hem verzocht, zich zoo weinig mogelijk voor zijn oogen te vertoonen en hem, met het nog daarop, ter assistentie toe voegde aan den ,,waterruimsgast", den man, die beneden in het schip zijn verblijf houdt bij de waterketels, of kisten, waarover hij het voortdurende toezicht houdt."
Rondom 1880 — juister gezegd na 1880 — is er een stroom van marineschetsen losgekomen, al vindt men die niet alleen in boeken of boekjes. Maar onze Nederlandsche letterkundigen als Jacob van Lennep, Nicolaas Beets en Ten Kate hebben zich met de marine niet bezig gehouden. Men was in 1880 ook nog niet zoover, dat de dagbladpers schetsen opnam. In geen land ter wereld had de dagbladpers zoo'n vlucht genomen als in Nederland.
Enkele jaren vóór de Fransche revolutie kwamen er de dagbladen met tientallen tegelijk op. Na de inlijving van Holland door Napoleon kwam ook hier aan de hooggeroemde persvrijheid een einde. Elk departement mocht slechts een krant hebben, een soortgelijk verschijnsel als we nu tijdens de Duitsche bezetting zien. Wel werd in 1815 de vrijheid van drukpers weer in de Grondwet opgenomen, doch de dagblad-zegelbelasting (op elk gedrukt exemplaar) belemmerde de ontwikkeling.
In 1869 werd deze zegelbelasting afgeschaft. Er waren toen 14 dagbladen, maar in 1880 was dit aantal reeds tot 32, in 1890 tot 54 en in 1900 tot bijna 80 gestegen. De week- en maandbladen ontwikkelden zich veel sneller. In 1880 waren er reeds 325, in 1890 520 en in 1900 ruim 700.
Voornamelijk in deze, meestal geillustreerde bladen van omstreeks 1880, werden meermalen marineschetsen opgenomen. Ik vond er een aantal o.a. in het bekende tijdschrift „Eigen Haard" van dien tijd. Daarin las ik schetsen over het schroefstoomschip 4e kl. ,,Ceram", en later nog van het pantserdekkorvet ,,Sumatra" e.d.
Trouwens, ik vond reeds schetsen betreffende de marine in het -Nederlandsch Magazijn" en wel in het Mei-nummer van 1834 over een ,,duikersboot" en over ,,de met buitengewone pracht gehouden begrafenis van Carel Josephus van Speijk op 4 Mei 1832", voorzien van een teekening van de graftombe.
Van deze tijdschriftschetsen over de marine, die geen van alle zijn onderteekend, doch die kennelijk door een marine-man geschreven zijn, heb ik in mijn plunjezak o.a. nog een knipsel uit „Eigen Haard", dat over Hr. Ms. Instructievaartuig ,,Urania" gaat. Een bij de schets afgedrukte houtsnede is gedateerd 1887, doch uit den inhoud van de schets leid ik af, dat deze zeker na 1890 geschreven moet zijn.
Omdat ik tot nog toe van de opleiding tot zeeofficier niets citeerde, meen ik goed te doen uit deze schets hier een gedeelte over te nemen : „Een eerste kijkje in het zeemansleven krijgen de adelborsten van het Koninklijk Instituut voor de Marine op hunne kruistochten in de Zuiderzee en het laat zich best begrijpen, dat zulk een zomerreisje met een mooi zeilschip als de ,,Urania" een welkome afwisseling oplevert met de leerbanken van het Instituut.
Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :