woensdag 29 mei 2013

Schetsen en Humor 063

hoofdstuk 3- Marineschetsen van 1860 tot 1900.
En toch had ieder aan boord ontzag voor den ouden Homstra. Als hij, het hoofd van de onderofficieren en „chef van de equipage", zooals men dat noemt, aan dek verscheen, was het, alsof dit een magnetischen invloed had op het scheepspubliek, dat zich daar bevond. Een ieder pakte zijn werk weer op en begon plotseling een buitengewonen ijver aan den dag te leggen, terwijl onderofficieren, die nog zooeven lachende een praatje met elkaar stonden te maken, ineens heel anders werden en een groote gedienstigheid aan den dag begonnen te leggen, terwijl zij naar den schipper toekwamen en hem vriendelijk en nederig juist iets te rapporteeren hadden.
Doch schipper Homstra liet zich door zulke schijnvertooningen niet misleiden. „Ruk maar in", zei hij dan, jk heb het wel gezien, dat je daar weer met elkaar stond te kletsen, inplaats van behoorlijk je dienst te doen. Houd je fransche politoersels maar voor je; je moet niet denken dat ik een lantaarn zonder oogen ben."
Schipper Homstra had werkelijk een verbazend talent om alles te zien. Het was ook merkwaardig, hoe schipper Homstra 's nachts, wanneer hij beneden in zijn hut en in zijn kooi lag, aan de beweging van het schip kon voelen, dat het een of ander boven op het dek niet in orde was. Wanneer er met buiig weer iets brak in het tuig, of er gebeurde iets anders van dien aard, kon men zeker wezen, bijna onmiddellijk daarna Homstra aan dek te zien verschijnen. Hij was dan ineens klaar wakker en stond midden op het dek in den regen met een gezicht, alsof hij daar den geheelen nacht al geweest was.
Was de boel weer in orde, dan verdween hij ook weer even spoedig als hij gekomen was, tenzij de kommandant aan dek was. Zoolang de kolonel aan dek was bleef Homstra er ook; dit schreef de dienst voor. Doch was de kolonel verdwenen, dan bleef Homstra voor den ,,vorm” nog twee minuten, maar was dan ook aan het einde van de derde minuut al in diepe rust, want hij was, geloof ik, zeer kort en bondig in de verwisseling van zijn dag- en nachttoilet, terwijl hij Morpheus geheel onder zijn kommando had; als hij lag, dan sliep hij ook, zoodat eene verdeeling van zijn nachtrust in heele en halve uren voor hem niet de minste nadeelige gevolgen had, ,,zenuwen" had hij niet, en ziekte kwam bij hem niet voor.
Toen wij „om de Zuid- (bezuiden de Kaap de Goede Hoop) dagen achtereen vliegend stormweer hadden gehad, en de kolonel en de schipper dag en nacht aan dek hadden doorgebracht, beweerde de ziekenoppasser, na afloop van deze stormdagen, dat de schipper koortsig was en zeide tegen Homstra, dat hij hem onder de hand, zonder dat de dokter het wist, wel wat kininepillen wou geven, want hij begreep wel, dat de schipper voor geen geld van de wereld -voor ziek te boek zou willen loopen". Doch Homstra dreigde den ziekenoppasser, dat hij hem onmiddellijk in arrest zou zenden „wegens oneerbiedigheden tegenover zijn meerderen", wanneer hij nog een keer durfde zeggen, dat de schipper de koorts had !
„Als ik wat te zeggen had," zei Homstra, ,dan wou ik van al dat goed niks aan boord hebben. Zoo'n apotheek neemt een heeleboel ruimte weg, waar je niks aan hebt, en een ziekenoppasser is gewoonlijk verlegen met zijn tijd, staat te kletsen en houdt het andere volk van hun werk af, of hij zit vet in z'n haren te strijken; dat doen die kerels ook altoos. Alleen in tijd van gevecht of als er een uit het tuig valt, dan is het altoos gemakkelijk, als je zeggen kunt: ,breng hem maar naar den dokter". Dan ben je er af, en daar bennen ze goed voor; ofschoon ik voor mij geloof, dat zulke dokters meer beenen afsnijden dan dat ze er aan zetten."
Ofschoon hier duidelijk blijkt, dat de eerbied van schipper Homstra voor den geneeskundigen dienst aan boord van Zijner Majesteits schepen niet bijzonder groot scheen te zijn, was hij toch altoos de eerste, die een matroos of jongen, welke ziek was, naar omlaag zou sturen en ... dan dadelijk tegenover zoo iemand van toon zou veranderen al had hij hem ook nog het oogenblik te voren uitgemaakt voor al wat maar leelijk was, zooals : ,,koekebakker”, ,,onbekwame waterchinees" of iets anders; vleiends van dien aard.
Homstra bezat een merkwaardige gave om zijn ondergeschikten de les te lezen; zoodat ze dan voor hem stonden te rillen en te beven. Hij begon altoos heel kalm en bedaard, maar klom langzamerhand op tot grootere en meer treffende welsprekendheid.
„Kijk er eens hier, man," zei hij dan, „wat ben jij nou eigenlijk ? Jij bent zoo'n soort van een mensch, dat je jezelf schamen moest, dat je aan boord van een oorlogsschip bent. Jij hoort in een keuken thuis of in een ouwe wijvengesticht; daar kun je aardappels helpen schillen, of den pot omroeren als hij aanbrandt, of... neen... dat kun je nog niet eens ... Ik weet niet, wat je eigenlijk bent, je bent eigenlijk niks. Als ik jou was, dan zou ik me schamen, dat ik nog in de wereld was. — Ruk uit, asjeblieft, en vraag aan den kok of hij je een natte dweil over je hoofd wil hangen, dan kan je mee uit begraven gaan."
Niemand heeft ooit den diepen zin van deze woorden kunnen oplossen, doch op den ,delinquent" maakten ze gewoonlijk een hoogst beschamenden indruk, omdat er toch duidelijk in opgesloten lag, dat de schipper openlijk zijne minachting voor hem uitsprak.
Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :