dinsdag 6 november 2012

Matroos Vandersteng 043

Marine abc vervolgR - S
Rangen en standen.
Een rang of een stand is bij de marine niet hetzelfde. De korporaals en allen die daarboven zijn „bekleeden een rang-. Allen beneden den rang van korporaal „zijn geplaatst in den stand van", dus b.v. Balfort bekleedt den rang van Luit. ter zee 1 e klas; Vandersteng is geplaatst in den stand van matrons 1e klas.
Ratjepe.
Menig oud-marineman, die een eigen huisje „overspaarde" en het dus ook zelf onderhield en van tijd tot tijd schilderde, heeft tevergeefs bij schilder of drogist naar Ratjepé gevraagd: een bruine, sneldrogende verfsoort, die blijkbaar alleen bij de marine gebruikt werd en nog wordt voor het beschilderen van stutten, stalen luikhoofden, ijzeren trappen e.d., maar in het bijzonder voor huidverf ter voorkoming van het aangroeien van de scheepshuid. Op de bussen stond vroeger „Rathjen's paint" ( Rathjens verf), doch aan boord verbasterden de maats dit tot ratjepê !
Recht op en neer.
Recht op en neer. Wordt door den schipper geroepen naar de brug als het anker zoover ingedraaid is, dat het niet meer in den grond ligt. Deze uitdrukking wordt ook gebruikt om te zeggen dat iemand eerlijk is : 114 is recht op en neer ! Doch men zegt aan boord ook, dat men b.v. een glaasje „recht op en neer" wil hebben, dat is zuivere jenever zonder toevoeging van angustora of zoo iets.
Op en neer houden wil zeggen : langzaam heen en weer varen. Reculeren ( achteruitgaan). Bij de rolpaarden van het voorlaadgeschut werd het recuul opgevangen door een broeking, zijnde een tros, waarvan de beide einden bevestigd waren aan oogen tegen boord naast de geschutpoort en het midden vastgemaakt was aan de druif van het kanon.
Bij achterlaadgeschut en het voorlaadgeschut, na de houden rolpaarden, lagen de kanonnen in schuifaffuiten, die op een hellende slede stonden. Deze helling was echter niet voldoende om het recuul geheel uit te putten, daarom had men klemplaten onderaan de affuit; die zaten tusschen platen van de slede. Dit waren de eenige ijzeren voorwerpen aan boord, die officieel roestig moesten zijn! ( om de wrijving te vermeerderen). Bij zwaarder geschut kwam de remcylinder, waarbij vloeistof (glycerine) door nauwe openingen werd geperst.
Bij modern geschut schuift het kanon in de wiegaffuit en wordt het recuul uitgeput door remcylinders. Ridder. Met ridder wordt in 't algemeen bedoeld de drager van de Militaire Willemsorde, door Koning Willem I ingesteld als een militaire onderscheiding voor Moed, Beleid en Trouw, doch seders 1939 ook aan burgers uit te reiken, die zich ten behoeve van de Nederlandsche weermacht verdienstelijk maakten (maken). De expeditiekruizen voor Atjeh, Boni, Balie, Lombok, Celebes e.d. noemt men de „looden ridders".
Roer.
Goed naar het roer luisteren. Een schip, dat goed naar het roer luistert, is een gemakkelijk bestuurbaar schip. De roerganger — dat is de man aan, het wiel, ook wel het rad van avontuur genoemd, doch officieel stuurrad geheeten, — de roerganger heeft er dan niet veel moeite mee.
Het roer aan lij gooien; deze uitdrukking wil zeggen: aan tafel het zout doorgeven. „F16, Vandersteng, gooi het roer even aan lij" : „geef het zout even door."
„Uit zijn roer loopen", wil zeggen, dat het schip opeens niet meer naar het roer luistert. Een zeer gevaarlijke positie, vooral bij slecht weer, manoeuvreerende tusschen de pieren of binnen loopende in een haven; figuurlijk „uit zijn roer looped' wil zeggen : „hij deed iets dat men niet van hem verwacht zou hebben".
Roerhaak en vingerlingen dienen om het roer van de sloepen aan den achtersteven of spiegel te hangen.
Roerkettingkoker.
Op de thans oude schepen, b.v. op de rivierkanonneerbooten, de z.g. strijkijzers en de van trawlers omgebouwde mijnenvegers, loopt een ketting (roerketting) van het stuurrad op de brug, naar het roer. Op sommige plaatsen, waar veel geloopen wordt en ook langs den valreep, loopt deze ketting door een koker, zoodat men van den heen en weer halenden ketting geen last heeft.
Rol.
In de rol, bovenrol, rollijsten, verlaatrol, brandrol, sloepenrol, sluitrol, gevechtsrol, rollezer, rolzak... er zijn heel wat „rolled" aan board. De nominatieve dienststaten aan boord heeten rollen. Deze worden bijgehouden door een officier, dien men daarom „rollenboer" noemt.
De namen van de geheele bemanning worden op rollijsten geplaatst en achter den naam staat aangegeven wat ieder te doen heeft en waar hij ingedeeld is bij gevecht, brand, als het schip lek raakt en in zinkenden toestand verkeert, in welke sloep men geplaatst is als het schip verlaten moet worden enz.
Houdt men nu voor een of meer van die denkbare gevallen oefeningen, dan noemt men dit brandrol, verlaatrol enz. Officieel beet het dan ook, dat iemand geplaatst is in de rol van b.v. Hr. Ms. „Tromp". „In de bovenrol geplaatst zijn" wil zeggen, dat men wel meevaart, doch dat men niet tot de eigenlijke bemanning van het schip behoort. Een rolzak noemt men den zeildoekschen zak, waarin de schepeling zijn plunje opbergt als hij overgeplaatst wordt (zie Plunjezak ).
Rollen en stampen.
Men gebruikt deze uitdrukking herhaaldelijk, evenals slingeren. Rollen is de combinatie van slingeren en stampen. Stampen is het op- en neergaan van voor- en achterschip; slingeren is het op- en neergaan van stuur- en bakboord. Men zegt dus nooit: het schip rolde en stampte of rolde en slingerde, maar wel : het schip rolde, of, wat hetzelfde is : het schip slingerde en stampte.
Rollezer.
Wat de versche balie voor den kok is, is de rollezer voor den bottelier: een helper. Vroeger had hij tot taak voor de olieverlichting te zorgen, koffie voor het wachtsvolk gereed te maken (zetten doet het wachtsvolk de koffie zelf, althans de leerling) en na wacht opzetten de „rol" van het wachtsvolk van de eerste wacht af te lezen. Het gebruikelijk formulier van den provoost bij wachtopzetten ('s avonds om 8 uur) eindigde dan ook omstreeks het einde van de vorige eeuw: „Rollezen ! Wachtsvolk luister uit naar je naam !".
Rond.
Avondronde ter controle in het benedenschip. Om half acht is het aan boord „kooien af", d.w.z. dat de kooien opgehangen worden en men naar kooi kan gaan (slapen). Om negen uur gaan de officier van het benedenschip met den onder-officier van het benedenschip en den dienstdoenden provoost een rondgang maken en contrOleeren of alles voor den nacht veilig is. Zij worden voorafgegaan door een matroos met een brandende looplantaarn. De route is altijd dezelfde, omdat altijd dezelfde plaatsen gecontroleerd moeten worden van voor- tot achteruit. De matroos licht niet alleen bij, doch roept ook herhaaldelijk „rond". Iedereen, die nog niet in zijn kooi ligt, moet bij het passeeren van de rond in de houding gaan staan.
Rondhouten, Masten, ra's, stengen, boegspriet, kluiverboom, e.d. noemt men aan boord de rondhouten.
Salueeren.
Salueeren kan op velerlei manieren gebeuren, zooals men op velerlei wijze een groet kan brengen. Salueeren met de vlag, d.w.z. de vlag half strijken en weer voorhijschen, heeft plaats voor vreemde oorlogs- en koopvaardijschepen en Nederlandsche koopvaardijschepen, althans indien aan internationaal gestelde regelen is voldaan. Salueeren met geschut evenzoo, doch ook bij het binnenloopen van havens, het passeeren van vorstelijke of hooggeplaatste personen of als zij aan boord komen, enz. enz. Alvorens te salueeren met geschut, wordt het signaal „de jagers van Van Dam" geblazen, ten teeken, dat de daarvoor aangewezen personen op hun posten moeten komen.
Schaften.
Behalve tal van Lucullus-herinneringen, gedachten aan bedorven rantsoenen en aan gebrek, die met het al of niet schaften van den zeeman verband houden, doemen bijzonderheden voor ons op, die met het woord schaften verband houden. Schaften is een ander werkwoord voor eten. Maar opschaften (het eten uitdeelen aan de zeuntjes) doet de kok. Hij doet dit, nadat het signaal op de scheepsklok geslagen is „kok schep op" of ook wel „kok schaft op"; figuurlijk zegt men b.v. van iemand: hij heeft het opschaften over een bedrijf; hij heeft de leiding over een bedrijf. Het schaftzeil (zie: Bak) maakte plaats voor het zeildoeksche bakstafelkleed, dat tegenwoordig van blauw-wit geblokt linnen is, en het „schaften aan den bak" wordt nog gaarne gezegd als oudmarinemannen b.v. bij een reunie een gemeenschappelijke tafel houden.
Schalmen.
Met schalmen zijn hier niet bedoeld de schakels van den ankerketting, doch onder schalmen verstaat men het of dekken van gaten, kokers, afgangen e.d. tegen overspoelend zeewater. Als men stormweer verwacht, wordt alles, althans zeker op het voorschip, afgedekt met stukken zeildoek. Gewoonlijk gebruikt men daarvoor presenning. (Ook wel tot brezeling verbasterd). Dat zijn vierkante en gezoomde stukken zeildoek, die men ook als dekkleed kan gebruiken, en over het of te dekken gat plaatst. Ze worden bevestigd door latten, die men op het dek spijkert.
Schavielen.
Een slingerend schip geeft tientallen gelegenheden tot schavielen. Men behoeft daarbij niet alleen te denken aan slecht- of stormweer. Een schip, dat langzaam op de golven van het bijna onbewegelijke water deint, schuurt (schavielt) ook. In een schip is altijd beweging. Hier hangt een wipper, daar een vlaggelijn, ginds hangt een sloep, verderop staan de uithouders en trossen, die het schip tegen den wal houden, en alles beweegt, alles schuift, alles schavielt en geeft slijtage.
Daarvoor zijn weer afweermiddelen. Voor de uithouders, die het schip uit den wal houden, heeft men schavielborden ( slof) tusschen schip en uithouder geplaatst; voor de sloepen heeft men willen (kleine leeren stootkussens) , kurkezakken en ook wel rottan (Oost-Indisch palmriet, dat men als een bundel bijeengebonden heeft); voor het staand- of loopend tuig (touwen, stagen, lijnen), waar beschadiging kan ontstaan, brengt men smarting aan, d.w.z, bescherming door pluizige manillagarens of door zeildoekreepen.
Staand tuig wordt zoo gesmart (beschermd met zeildoekreepen) ,dat het water er of loopt en dus niet in de zeildoeksche windingen kan dringen. Dan zou het middel erger zijn dan de kwaal, omdat het water spoedig rotting zou doen ontstaan. Het aldus smarten wordt afwaterend smarten genoemd.
Scheegat.
Scheegat , ook wel dolgat. Het aantal scheegaten wordt bepaald naar de grootte van de sloep en daarmede het aantal roeiers. In de dolgaten worden de riemen gelegd, waarmede de sloep wordt voortgetrokken. Deze hoefijzervormige gaten zijn voorzien van een koperen voering.
Dat is niet altijd zoo geweest. De druk en de draaiende beweging van de riemen op de gaten in het dolboord of boeisel, waren vroeger oorzaak, dat de dolgaten zoodanig uitsleten, dat het moeilijk werd de riemen op een behoorlijke manier te hanteeren. Men maakte in het dolboord dan een nieuw hart.
Met dit hart onder den riem kon de roeier weer naar behooren den riem hanteeren. Naar deze methode is het spreekwoord ontstaan : „een hart onder den riem steken-. Zooals gezegd is het schee- of dolgat tegenwoordig voorzien van een koperen voering. In de scheegaten wordt, ter afsluiting van het dolbord, een scheehoutje geplaatst; dat zijn houten klossen in contra-vorm van de scheegaten.
wordt vervolgd..
steng 87

Geen opmerkingen :