donderdag 15 november 2012

Matroos Vandersteng 041

Marine abc vervolgS
Scheren.
Een blok scheren : een touw door een blok halen. Figuurlijk: hij is nog niet ingeschoren, hij is nog niet op dreef — nog niet op gang.
Schepeling.
„De schepelingen aan boord" is de verzamelterm voor allen beneden den rang van luit. ter zee 3e klas. De korporaals worden tot de onder-officieren gerekend, doch zijn gehuisvest bij de manschappen. De verzamelnaam „minderen- of „mindere schepelingen" werd reeds omstreeks 1912 officieel afgeschaft.
Hoewel elders reeds meermalen genoemd, is het niet ondienstig hier nog eens de juiste benamingen en hun beteekenis samen te vatten : Officieren zijn alle militairen der zeemacht, die een rang bekleeden gelijk aan dien van luit. ter zee 3e klas of hooger; Etatmajor zijn alle aan boord van een schip of bij een inrichting der zeemacht dienende officieren, met uitzondering van den commandant; onder-officieren zijn alle militairen der zeemacht, die een rang bekleeden beneden dien van luit. ter zee 3e klas.
Schepelingen zijn alle militairen beneden den rang van luit. ter zee 3e klas; manschappen zijn alle militairen der zeemacht beneden den rang van korporaal; bemanning : alle aan boord van een schip of bij een inrichting der zeemacht dienende personen; equipage : alle aan boord van een schip of bij een inrichting der zeemacht dienende schepelingen.
Schiemannen.
Schiemannen is het bewerken en ionderhouden van touw en tuig. Tot 1880 kenden wij bij de marine nog de boots- of schielieden en de bootsmans- of schiemansmaat. De schieman was in het bijzonder belast met het onderhoud en het toezicht aan den fokkemast; vandaar de naam schieman; oorspronkelijk schegman.
Er is tegenwoordig op onze moderne schepen veel minder te schiemannen dan vroeger op de volgetuigde schepen. Doch onderhoud van touwen en stagen, takels e.d. is ook nu nog noodig. Een schieman heeft men echter niet meer aan boord. Elk goed matroos, kwartiermeester of bootsman is voor dit werk bekwaam.
Schout-bij-nacht.
De jongste vlagofficier bij onze marine draagt den titel van schout-bij-nacht en wordt als zoodanig ook aangesproken; is geen excellentie, doch hoogedelgestreng. Schout-bij-nacht is een titel, dien we alleen bij de Ned. marine kennen en die reeds in 1603, zij het dan afwisselend met commandeur, gebruikt werd.
Bij de Hollandsche admiraliteit sprak men na 1639 en bij de Zeeuwsche admiraliteit na 1665, uitsluitend van schout-bij-nacht. De titel is ontstaan uit de opdracht aan den scheepsbevelhebber van de achterhoede van de vloot om bij nacht te schouwen, toe te zien, dat geen der schepen van de vloot of van het smaldeel achter bleef of afdwaalde, en tevens voor de veiligheid van de achterhoede te zorgen. (Zie ook bij commandant).
Sein op, Wachtschip.
Ook wel „sein op, vlaggeschip". Elken dag, voor het hijschen en het weer strijken van de vlag, wordt van het wachtschip, of, als men met het eskader buitengaats is, van het vlaggeschip, een sein geheschen. De seiners of de uitkijk brug op de diverse schepen praaien dan vanaf de brug, dat het sein op het wachtschip geheschen is, waarop het contrasein gegeven wordt.
Als overal het contrasein waait, wordt op het wachtschip het sein neergehaald en de vlag geheschen, hetgeen door alle andere schepen gelijktijdig wordt gevolgd. De kreet „sein op, wachtschip" wordt onder de maats ook gepraaid als er iets „aardigs" aan den wal te zien is, in het bijzonder jongedames.
Seizing.
Was het touw of platting (band) ,waarmede de zeilen aan de ra's werden aangeslagen. Tegenwoordig kent men nog de lijfseizing, een platting als groote lus met een eind touw. De lus wordt, als men buitenboord moet werken of moet looden, om het lijf (middel) gedaan, het eind touw wordt binnenboord vastgezet. Als men valt, blijft men dus toch met het schip verbonden en kan men zich weer binnen boord hijschen.
Sjorren.
Vastmaken met een touw, b.v. kooi-sjorren. De kooi wordt, nadat matras ext. gevouwen zijn binnen de afmetingen van de zeildoeksche hangmat, met de sjorlijn dichtgemaakt met vier marlslagen. Sloepen sjorren: de sloepen met de met zeildoek bekleedde touwen, die men krabbers noemt, en de broekmatten vast en stijf tegen de davits trekken.
Sjouwerman.
Is een knoop aan het einde van een touw, die beletten moet door een gat te schieten. Deze knoop wordt tegenwoordig alleen nog maar gebruikt om putsen te stroppen (houten emmers van een hengsel te voorzien). De halve sjouwerman wordt gebruikt voor zoutwaterputsen; de heele sjouwerman voor zoetwaterputsen.
Slagaard.
Slagaard steken wil zeggen met een stok, die zwart geschilderd is en met rood, wit en blauwe kringen gemerkt, de diepte van een vaarwater opmeten.
Slagroeier.
Eigenlijk zijn het twee man, die als slagroeier in de sloep fungeeren. Zij zitten op de eerste doft van af de kajuit en geven den slag aan (het tempo), waarop geroeid moet worden. Iemand, die ergens de leiding van heeft, noemt men ook wel den slagroeier.
Slecht water.
Slecht water is vlak water, dus mooi water. Het is afkomstig van afslechten : de zee slecht af; de storm neemt af.
Snelduiken.
Snelduiken is een manoeuvre van onze onderzeebooten, die binnen 45 sec. van de vaart boven water op een diepte van 12 a 13 m onder water komen.
Snelvuur.
Een kop of een mok heete chocolade. Deze naam heeft voor dit geval niets te maken met een bepaalde methode van vuren. Wie echter den oorsprong kent, zal de invoering van een kop snelvuur waardeeren.
Eén van de maatregelen van den nieuwen geest, die zich sedert 1897 ook in den algemeenen bond voor Nederlandsche marinematrozen concentreerde, was o.m. onder de leden van dien bond het drankmisbruik in den geest van de Blauwe Vaan, te beperken.
Toen op 7 Juli 1902 een eigen bondsgebouw werd opgericht, plaatste men op het buffet naast de tapkraan (want bier moest er nu eenmaal ook zijn) een grooten ketel, die den vorm had van een groote granaat, die bestemd was om er heete chocolademelk uit te tappen.
Als de maats om vijf uur gingen passagieren, stonden de koppen gereed om het snelvuur op de binnenkomende maats te openen. Sommigen bestelden „een kop snelvuur met een tappedekplaat" (gevulde koek. Tappedekplaat is een metalen afsluiten tevens opsluitplaat van de tappen. Bij het voor- en achterlaadgeschut zaten de tappen aan het kanon. Bij het latere, z.g. snelvuurgeschut, aan de affuit).
Een bekend type in Nieuwediep was omstreeks 1900 „Jaap met de tappedekplaten". Hij was kadraaier en zorgde met zijn trommel koeken in de duinen present te zijn als er van de schepen algemeene landingsdivisie gehouden werd; en dat was vroeger vrijwel elke Vrijdag.
Snertnymphen.
Hoewel voor elk lid van de bemanning het rantsoen nauwkeurig bekend is en afgewogen wordt, is de gezamenlijke hoeveelheid van bepaalde etenswaren wel eens meer dan er verwerkt kan worden. Dat hangt van verschillende omstandigheden af. In elk geval blijft er bij den kok, als het schip binnen ligt, wel wat eten over. Dit wordt dan door arme lieden in ontvangst genomen. Men noemt hen snertnymphen.
Deze uitdrukking dateert uit den tijd, dat snert bij de marine het voornaamste menu was. In het Adelborsten Jaarboekje van 1894 werd er in de Mixed Pickles reeds iets van gezegd, zij het dan als satyre. Aanvankelijk waren het arme vrouwen en kinderen; later kwamen er ook bekende plaatselijke bedelaarstypen bij en kreeg men dus ook mannelijke snertnymphen.
Er is een ongeschreven wet, dat nieuwe snert nymphen eerst aan een ballotage onderworpen worden en hun aantal beperkt blijft. Dit laatste vooral in verband met het werkelijk nog te gebruiken overschot bij den kok. Wat bij de zeuntjes aan de Bakken overblijft is gewoonlijk alleen geschikt als spoeling, dat voor dieren bestemd is en jaarlijks bij inschrijving „voor weghalen" wordt verkocht. Als het schip in zee is, kan het eten of de spoeling niet bewaard blijven en gaat alles door den stortkoker in zee, ten prooi aan visschen en meeuwen. Men noemt daarom den stortkoker ook wel het meeuwengat.
Spekpen.
Het rantsoen spek voor elken bak wordt, ook nu nog, aan een stalen pen geprikt, een touwtje er om en een metalen plaat met het nummer van den bak er aan in den snertketel gehangen om het reeds in het blik gestoomde spek nog eens extra lekker op te koken en de snert smakelijker te maken. Spekpen is ook de scheldnaam voor een langen, mageren matroos.
Spoorstok.
De roeiers in de sloepen moeten kracht (met hun handen en armen) op de riemen uitoefenen. Zij zitten daarvoor op de doften, doch met hun voeten hebben zij steun op de spoorstokken. Deze zitten los in z.g. spoorklampen, waarin twee gaten zijn. Roeiers met lange beenen leggen den spoorstok natuurlijk in het verst liggende gat. De spoorstokken zijn in het midden dikker dan aan de uiteinden.
Spreeuwenschieten.
Op de schepen met tuig werd uiteraard nog wel eens een endje schiemansgaren gebruikt, zoowel voor het staande als voor het loopende tuig. Ook was het dikwijls noodig de weeflijntjes (de z.g. treden in het want) te herstellen. Er was dan wel eens een endje minder netjes afgewerkt; irriteerend voor den bootsman aan dek, die van „opgeruimd staat netjes" hield. Hij gaf dan order aan deze of genen matroos de spreeuwen te schieten, d.w.z, die eindjes op te ruimen.
De oorspronkelijke term is afkomstig van het dekbreeuwen, n.l. als de timmerman op sommige wat al te veel openliggende deknaden de breeuwdraad of het werk er doorheen geslagen had, moest aan de onderzijde van het dek teruggebreeuwd worden, dat men „spreeuwen schieten" noemde. Tegenwoordig wordt deze uitdrukking nog gebruikt voor het netjes opbergen van de vele eindjes touw, waarmede men de zonnetent op de tentleiders uithaalt.
Spring.
Tijdens het meren aan boord van de „Van Meerlant", die dienst deed voor de opleiding adelborsten, werd tot een hunner op den bak van de brug geroepen: „Jonker, spring op den wal". De jonker verstond dit letterlijk en sprong van den bak op den wal. Hij had echter het spring op den wal moeten doorgeven.
Spring is de tros, die bij het meren langs de kade van den bak naar een paal achterwaarts loopt of van de campagne naar een paal, die meer naar voren staat, resp. voorspring en achterspring. Een schip ligt meestal aan vier trossen en wel vooruit de voortros, die een eind voor het schip op den wal wordt vastgezet, het voorspring, dat van vooruit enkele meters achterwaarts staat, de achtertros, die een eind achterwaarts het schip vasthoudt en het achterspring, dat van achteruit enkele meters naar voren ligt.
Stamboeknummer.
Elke schepeling krijgt bij zijn indiensttreding een nummer, onder hetwelk hij bij de zeemacht wordt ingeschreven. Dit is ook het geval voor de adelborsten, doch geldt bij hen alleen, zoolang ze op het Kon. Instituut zijn. De mariniers krijgen ter onderscheiding van de overigen een M voor hun stamboeknummer; de zeemiliciens een Z.
Het wordt in alle kleedingstukken aangebracht. Het is ook daarom even belangrijk als de naam van den schepeling. De uitdrukking: „hij is niet meer dan een stamboeknummer", komt overeen met de uitdrukking van den wal, dat men niet meer dan een nummer is. „Hij valt over z'n stamboeknummer" wil zeggen, „hij struikelt over zichzelf".
Stapelloop.
Is eigenlijk geen speciale marineterm. Er liepen voor de marine van voor 1936 zoo weinig schepen van stapel, dat men bijna vergeten zou, hoe onze schepen te water gelaten worden. In 1938-1939 stonden er echter plm. 40 nieuwe schepen, zoo groot als klein, op stapel. In die periodes is de uitdrukking „stapelloop" ook bij de marine gemeengoed geworden. Nu is stapelloop geen mooi woord voor „van stapel loopen'. Charivarius althans steekt er den draak mee.
Sterrenschieten.
Deze uitdrukking wordt ook ter koopvaardij gebruikt voor het bepalen van een hemellichaam boven den horizon met den sextant, een optisch instrument, dat reeds in 1731 door den Engelschen natuurkundige Hadley werd toegepast. Bij de marine wordt meer gebruikt de uitdrukking „zonnetje schieten" en „sterretjes pikken".
Stinkertje.
Het „Stinkertje-. Scheldnaam voor de Heldersche Courant, die bij de marine zeer populair is en ook wel Nieuwediepertje, Vliegend Blaadje of Juttertje genoemd wordt. Eigen kranten aan boord kende men (uiteraard op de schrijfmachine of op de cyclostyle gemaakt) aan boord van de K XVIII tijdens de wereldreis 1934-1935 en de „De Ruyter" tijdens de reis naar Oost-Indie Jan.—Maart 1937; resp. de „K XVIII-post" en „De Ruyterbode", die elken dag verschenen.
Strafdienst.
Als straf voor een of andere overtreding alleen voor schepelingen : strafexercitien met geweer of extra werkzaamheden in vrijen tijd. Als de marineman met z'n vrouw gaat winkelen en inkoopen doen, dan noemt hij dit strafdienst loopen.
Stutten.
Niet alleen de dekken worden ondersteund door stutten, doch ook de doften in de sloepen. Er is uiteraard verschil in lengte en dikte van deze stutten. Figuurlijk zegt men : trek aan je stutten — beenen : maak dat je weg komt. Ook wel : hij trok aan z'n stutten : hij ging weg.
steng26

wordt vervolgd..

Geen opmerkingen :