zondag 4 november 2012

Matroos Vandersteng 039

Marine abc vervolgP
Piek.
In de piek. Ruimte op het onderste dek of daarboven bij den achtersteven. In het voorschip noemde men deze ruimte „de her. Hier was gewoonlijk het kabelgat.
Piet.
Den pijper noemt men altijd Piet, ook al zou hij de schoonstklinkende voornamen hebben. Den tamboer noemt men altijd Thijs. Tamboers en pijpers behooren van oudsher tot het korps Mariniers. Er is echter een tijd geweest, dat er alleen tamboers waren. In 1806 echter werden de pijpers van het Korps Mariniers weer vermeld. Eigenaardig is, dat men aan boord altijd commandeert: Tamboer! (b.v. creef acht) , ook al warden de signalen door hem of door den pijper op den hoorn gegeven. Sedert 1936 heeft men op sommige schepen en ook op onderzeebooten een matroos aan boord die als „tamboer fungeert, doch alleen het hoornblazen kent, wat voor signalen geven voldoende is. Piet Hein is een hoorn-signaal voor batterij-exercitie en het gevecht en beteekent, dat iedereen volgens de alarmrol — alarmstelling — op zijn post moet komen.
Piket.
Bij de marine is piket de opkomende wacht, d.w.z. de periode van vier uur als men op zee is, of de dag als men binnen ligt, voorafgaande aan de wacht die men krijgt. De of ficier van piket is de of ficier, die de voorgaande reewacht had en wordt aangewezen om aan den wal te complimenteeren, om of te lossen (tijdelijk vervangen), gasten te ontvangen e.d. Ergens piket op hebben is op verzoek de eerstvolgende beurt hebben wanneer de voorgaande gereed is. Men zegt ook wel „afschrijvers voor".
Platvoet.
De platvoetwacht valt van 4 tot 8 uur n.m., in den tijd dus, dat de bemanning vrij is en zich na de werkzaamheden met eigen liefhebberijen en tijdpasseeringen bezighoudt, zware zeelaarzen door pantoffels vervangt en kans loopt platvoeten te krijgen.
Omdat tijdens zeewacht (dus varende) een etmaal in 6 wachten verdeeld is en de bemanning van een schip in 3 wachtdivisies, zal dezelfde divisie steeds dezelfde wacht hebben. Tot omstreeks 1912 werd de wacht na b.v. een week, of als een reis korter duurde, na elke reis omgezet, zoodat niet steeds divisie A de hondenwacht of divisie B de dagwacht had. Dit omzetten van de zeewacht tijdens de reis had gewoonlijk plaats op de platvoet (van 4 tot 8 uur n.m.) en wel gesplitst van 4-6 en van 6-8 uur. Aanvankelijk noemde men dit de Engelsche platvoet, doch toen het bij onze marine regel werd om de zeewacht elken dag ,om te zetten, noemde men het eerste en tweede platvoet.
Poelen op de fluit.
Poelen op de fluit. Halen of trekken aan touw of tros, waarbij met het bootsmansfluitje het tempo aangegeven wordt. Het werd de laatste jaren weinig of in 't geheel niet meer toegepast, behalve wanneer b.v. aan twee kanten tegelijk geheschen moest worden, als de spillen niet werkten of.... als straf, als de manschappen bij wijze van lijdelijk verzet z.g. geen kans zagen de sloepen te hijschen.
Popi.
Hoelang de stroop een onmisbaar onderdeel van het gortschaften is, doet weinig ter zake, doch de invoering van deze zoetigheid heeft blijkbaar satirisch aangelegde schepelingen geinspireerd tot het geven van sarcastische namen aan de' stroop. Popi is er een van. Veel duidelijker spreekt de uitdrukking: „Geef mij den heldenmoed eens door", of „Geef mij de lefpul". Zoetigheid bij het eten hebben altijd min of meer als afschrikwekkend verval gegolden. Er is een heel bekende uitdrukking van een ouden snorrebaard van een kolonel, die schimpend tot zijn matrozen sprak: „Matrozen van koekedeeg zijn jullie, bang in het tuig he ! — maar suiker in me rijsie, dat lusten ze graag !" De kolonel werd in 1898 gepensionneerd, doch „suiker in me rijsie" bleef een sarcastische opmerking tot die matrozen, die niet van het oude slag waren.
Potdeksel.
Houten rand op de stalen verschansing. Men treft dezen o.a. aan op de oude kanonneerbooten en de nieuwe mijnenleggers, type „Van Ewijk" en „Van Brakel".
Prins.
Voor den prins dienen. De uitdrukking is nog uit het Prinselijk tijdperk. Voor den prins dienen wil zeggen: zonder in gaand dienstverband dienen. Dit is tegenwoordig alleen nog maar het geval bij het jeugdige personeel in opleidingen, althans voor zoover tijdens de opleiding nog geen vast dienstverband is aangegaan. Dit was nog het geval tot omstreeks 1914 bij de opleiding matroos. De scheepsjongens kwamen in dienst op 13-jarigen leeftijd, hun diensttijd van 11 jaar begon echter pas of te tellen als zij 16 jaar werden. Den voortijd dienden zij „voor den prins".
Proefbord.
Als de scheepsvoeding door den kok is klaargemaakt, moet hij die laten keuren (proeven) door den commandant, eerstenofficier, officier van administratie, dokter en den chef van de equipage. Vroeger was dit alleen noodig voor den commandant, eersten officier en schipper. De kok deed een bord vol, nam drie lepels mee (men schafte immers toen alleen snert of boonen) en liet den commandant, eersten-officier en schipper „proeven-. Tegenwoordig worden vijf porties klaar gemaakt als een hors d'oeuvre-schotel en is er meer kans, dat elk z'n portie te proeven krijgt, hetgeen vroeger soms twijfelachtig was, als een der eerste proevers „verstrooid -was en het bord per abuis alleen leeg proefde.
Provoost.
De laatste der provoost-geweldigen (officieel sergeantprovoost geheeten) ging in 1906 met ontslag wegens langdurigen dienst. Daarmede werd een functie opgeheven, die eeuwenlang de roede van justitie zwaaide over de schepelingen aan boord, en waarvan de uitvoerder toezicht hield in het benedenschip. Dit laatste wordt ook nu nog gedaan door den provoost, doch het is geen afzonderlijk „beroep- meer. Een bootsman of kwartiermeester, en voor het stokersverblijf gewoonlijk een korporaal, wordt belast met den dienst van provoost en heeft tot taak met de zeuntjes en eventueel toegevoegde manschappen, de verblijven zindelijk te houden en onder „oppertoezicht-van den officier, belast met den dienst van het benedenschip, toezicht uit te oefenen.
De provoost als cel is ook nu nog vrijwel op elk schip. De provooststraf wordt tegenwoordig „streng arrest" genoemd. Tegen de toepassing van de provooststraf is jarenlang sterk geageerd. Hoewel het „uitdeelen" van provooststraffen sterk verminderd is, schijnt dit tuchtmiddel niet geheel gemist te kunnen warden. De provoostcel wordt in de wandeling ook wel knijp, of Bouwman genoemd. Knijp naar knijpzitten. De onhandelbare en lastige schepeling wordt daarom ook wel bedreigd met : „hem in de knijp te zullen roeien".
Bouwman was gedurende een reeks van jaren de serg. majoor der mariniers, die in het provoosthuis te Den Helder de functie van cipier uitoefende. Als de schepen binnen liggen, wordt de provooststraf n.l. niet aan boord uitgezeten, doch aan den wal. Men zei dan aan boord „Uitdeketting heeft zooveel dagen Bouwman".
De provoost-arrestant staat vanaf het moment, dat hem de straf wordt medegedeeld onder toezicht van een schildwacht, zijn mutsenlint wordt van z'n muts gehaald, zijn zijden das, riem en mes met scheede en al zijn particuliere bezittingen in jas- of broekzakken tijdelijk „in verzekerde bewaring gesteld".
Tusschen twee gewapende mariniers en een onder-officier (ook korporaal) der mariniers, wordt de provoost-arrestant dan naar het provoosthuis aan den wal gebracht. Het is vooral om deze methode, die door de schepelingen als onteerend werd en wordt aangevoeld, dat men zoo sterk tegen de provooststraf ageerde.
Psalmen zingen.
Men behoeft daarbij niet direct aan profanatie te denken. Het scheepsvolk was zeemansvroom opgevoed. In het officieele uitporlied, waarvan bij „Overal" meer verteld wordt, werd niet minder dan twaalf maal de naam van God gebruikt (er staat nergens hoeveel maal daarna misbruikt!, doch dan was men niet officieel meer als men vloekte).
Het lijkt niet onwaarschijnlijk, dat bij het langdurige werk van dekschuren met gele steentjes op bijzonder vuile plekken, aanvankelijk inderdaad psalmen gezongen werden. Sedert den Franschen tijd is voor deze methode van dekschuren alleen de naam psalmen zingen in gebruik gebleven en wordt het gele steentje het psalmboek genoemd.
Puts.
Houten of zeildoeksche emmer. De houten putsen werden voor zout- en of voor zoetwater gebruikt. De zoutwaterputsen zijn van onder breed; de zoetwaterputsen zijn van onder smal, en twee tegenover elkander staande duigen zijn plm. 10 cm langer dan de overige om er de strop (het touwen hengsel) door te halen. Bij de zoutwaterputs is de strop strak over de bovenzijde doorgehaald. Dit verschil in stroppen is niet zonder reden. Het zoetwater moet zindelijk blijven en mag dus niet met de handen worden aangeraakt; bij zoutwater is dit van geen belang. De zeildoeksche putsen zijn cilindervormig; de bovenrand is meestal verzwaard met een met touw of zeildoek omwikkelden ring. Deze verzwaring is noodig om de opening van de puts eerder in het water te laten komen, waardoor het water meteen opgeschept wordt. Men noemt deze putsen dan ook wel slagputsen, omdat zij dienen om buitenboord water te scheppen.
Pijp.
Eigenlijk een pijp bier of, zooals het tegenwoordig gezegd wordt: een koud pijpje. In het dagboek van Gerrit de Veer, die deel uitmaakte van de groep manschappen, die met Heemskerck en Barents op Nova Zembla (in 1596—'97) overwinterde, staat a.m. „Doen ordonneerde ende maeckte onse surgijn een bat om te stoven van een wijnpijp, daer ghingen wij d'eene voor d'ander nae altemet in ende vonden ons daer gantsch wel bij dattet grootelijckx streckte tot onse ghesontheyt".
Een pijp was Coen (en enkele honderd jaren daarna nag) een vat. Wijn echter werd als scheepsdrank reeds in de 17e eeuw door bier vervangen. In den Franschen tijd schijnt de verstrekking van bier gestaakt te zijn en werd alleen water verstrekt. De waterstandaard, zij het in volmaakter vorm, is ook nu nog in gebruik. Koffie en (of) thee werd eerst omstreeks 1850 officieel aan tafel verstrekt.
Het vat bier bleef een pijp bier, al was er aan boord dan ook moeilijk aan te komen. De invoering van de toko's aan boord en de, tegen kostprijs te verkrijgen flesschen export-bier, deed de naam „pijp-herleven, nu echter voor een fleschje bier. Het is dubbel lekker nu, omdat het „zoo uit de ijskast" te. verkrijgen is, althans zeker in Indie. Daar spreekt men aan boord dan ook altijd van „een kouwe pijp" drinken.
Uit het citaat van Gerrit de Veer blijkt wel hoe oud deze, zij het dan ook overgenomen uitdrukking is. De oorsprong ligt bij de Portugeesche zeevaarders; de vaten waarin zij hun portwijn leverden heetten „pijp" en hadden een inhoud van 520 liter.
Pijpluis.
Er zit geen leven in dit soort luis, maar als er op de vuurplaat van de met steenkolen gestookte vuren een slecht soort kolen gebruikt werd, dan „wemelde het aan dek van de kleine venijnige aschdeelen, die uit den schoorsteen den geheelen bovenbouw van het schip overdekten. Als de tenten niet gespannen waren, kon men soms putsen vol pijpluis buiten boord gooien.
wordt vervolgd..
steng28

Geen opmerkingen :