dinsdag 3 juli 2012

Matroos Vandersteng 037

Marinete abc vervolgK
Kombuis.
Is het domein van den kok. Men heeft aan boord de scheepskombuis en de of ficierskombuis, beide tegenwoordig juweeltjes van keukeninrichtingen. Men zegt, dat praatfes of geruchten aan boord ontstaan in de kombuis, weshalve men ze kombuispraatjes noemt.
Kommies.
Er zijn heel wat lofliederen op het kuch gegeven en men heeft als een uitvloeisel van de mobilisatie 1939. Zelfs een karakterkomiek, die zich Kobus Kuch noemde. Bij de marine spreekt men echter niet van kuch (tarwebrood of brood in 't algemeen voor den soldaat) doch van kommies, dat de oorspronkelijke naam voor soldatenbrood is. Kuch is later aangewaaid.
Bij de marine is men wat conservatiever en daar spreekt men hoofdzakelijk van kommies. Als bijnaam kent men bij de marine de Staalmannetjes en de Julianakneiters. Hierbij moet opgemerkt worden, dat zoowel kommies als Staalmannetjes en Julianakneiters brooden zijn, die niet aan boord, doch speciaal in de marine-bakkerij te Den Helder aan den wal gebakken worden.
De Staalmannetjes nu waren een verbeterde editie van de oude soldatenbrooden. Het zijn kleine tarwe-pannebrooden en elk broodje is het rantsoen voor een man. Ze werden ingevoerd op aandringen van het Tweede Kamerlid voor het district Den Helder, wijlen A. P. Staalman in de dagen, dat scheepsbeschuit nog in zeer groote hoeveelheden uitgereikt werd en versch brood aan boord een zeldzaamheid was.
De Julianakneiters zijn aan een Coeval, of juister een feestelijke gebeurtenis te danken. Ze werden, toen heel Nederland in den vroegen morgen van 30 April 1909 (geboorte Prinses Juliana) in feestroes verkeerde, als groote krentenbollen (zonder krenten) gemaakt voor twee dagen, zoodat de bakkerij een dag kon sluiten om het bakkerij-personeel in de gelegenheid te stellen ongestoord aan de algemeene feestvreugde te kunnen deelnemen. Sedertdien werden deze brooden speciaal voor Zaterdag en Zondag gebakken en dus reeds 's Zaterdags aan de schepen afgeleverd.
Aan boord, als men in de vaart is, bakt men wit pannebrood. De marineman, die daaraan een karakteristieken marinenaam geeft, moet nog geboren worden.
Kommaliewant.
Vele jaren lang heeft het verhaal opgeld gedaan, dat kommaliewant afkomstig zou zijn van het Engelsche commonly wanted — gemeenschappelijk noodig. Totdat onlangs een oud-kapitein ter zee (promotie 1881) mededeelde, dat deze afleiding in zijn tijd, jaren geleden dus, bij wijze van scherts gemaakt werd door een leeraar in de Engelsche taal aan het Kon. Instituut voor de Marine (opleiding voor marine-officier), doch dat kommaliewant vermoedelijk een overblijfsel is uit den Franschen tijd, toen de Bakken, in navolging van de Franschen „gamelles-werden genoemd en het eetgerei „gamellewant". Aan boord werd dit al spoedig „bakskemellewant" en, zooals het eetgerei nu nog heet, kommaliewant of bakskommaliewant.
Kok schep op.
Of kok schaft op, is het op de klok gegeven signaal, dat het eten aan de zeuntjes kan warden uitgereikt ter verdeeling aan de bakken. Het signaal „kok schep op" wordt ook nu nog op de scheepsklok (bel) gegeven in het rhythme Ling Ling-ting: kok schep-op, en driemaal herhaald. Het aanhoudend „kok schep op" slaan beteekent, dat er brand aan boord is, of althans oefeningen worden gehouden alsof er brand is.
Kompas.
Er is tusschen het kompas, dat seders de 14e eeuw gebruikt werd op onze schepen en het tegenwoordige bescheiden sloepskompas niet zoo'n groot verschil, behoudens dan het ophangen van den kompasketel in een cardanusring. Doch het principe, de kompasroos (de verdeeling in 32 streken is een- ontwerp van Nederlandschen oorsprong ), drijvende op een vloeistof, ondersteund door een kompasnaald, ditzelfde principe vindt men nog in de meeste, ja in bijna alle kompassen.
De kompasroos is een cirkelvormig zijden doekje bedrukt met de verdeeling in streken en graden. De magneten zijn in den rand. In het midden is een dop, waarmede de roos op een pen steunt. Alleen bij sloepskompassen is de ketel gevuld met vloeistof (water met alcohol). De roos is dan een dichtgesoldeerde doos, die daardoor bijna drijft in de vloeistof, dit is om slijtage van de pen tegen te gaan. Door de vloeistof wordt het slingeren van de roos tegengegaan en ligt de roos rustiger. Het standaard- of peilkompas staat hoog opgesteld om zooveel mogelijk de storende invloeden van het ijzer van het schip te ontloopen. Bovendien heeft men een vrijer uitzicht voor peilingen.
De koers op het stuurkompas wordt regelmatig vergeleken met de aanwijzingen van het standaardkompas. Bovendien wordt het standaardkompas door azimuth-peilingen gecontroleerd of er veranderingen zich voordoen. Voor het gemak van de navigatie heeft men op de uiteinden van de brug nog een z.g. pelorus, verbastering van peilroos. Een houten roos, draaibaar opgesteld op een voet. Aan den voet een zeilstreep. Op de roos een eenvoudig peiltoestel. Men zet de roos op de gevaren koers en kan dan grofweg peilingen nemen. Men is echter afhankelijk van het min of meer op koers liggen van het schip tijdens de peiling.
Men heeft intusschen de opstelling van het kompas in den loop der eeuwen gemoderniseerd, men heeft getracht de magrietische invloeden te elimineeren, doch geweldige wijzigingen werden toch niet aangebracht. Totdat voor enkele jaren het giro-kompas werd uitgevonden. Dit kompas berust op het tol-Principe, waarbij de zwaartekracht en de draaiing der aarde om haar as er voor zorgen, dat de as van den tol met een snelheid van 6000 omwentelingen per minuut ronddraait in vaste richting bligt staan. Bovendien brengt dit kompas — dat men ook wel moederkompas noemt — de koersaanwijzingen over op de z.g. dochterkompassen. Bij het stuurkompas heeft men een automatische stuurinrichting... kortom, de wijze waarop men koers houdt verschilt wel hemelsbreed met de oude methode.
Kondwachter.
Kondwachter is een lijn voor in de sloep vastgemaakt, terwijl het andere eind binnenboord vast zit. De lijn is een extra borg dat de sloep niet op drift zal geraken. Mocht de vanglijn breken of los gaan dan giert de sloep naar boord; geeft dus kondschap (denk aan aankondigen). Men gebruikt dus vooral den kondwachter bij sterken stroom en als er zee staat.
De kondwachter mag nooit achter in de sloep vastgemaakt worden, want dan zou bij vieren van de vanglijn of doorhalen van den kondwachter de sloep dwarsstrooms komen en kans loopen vol te slaan. Kondwachter heeft dus niets te maken met kont of bil. Jammer dat een echt oud-Hollandsch woord nu bijna niet meer gebruikt wordt !
Konstabel.
De konstabel is al zoo oud als de scheepsartillerie. Tegenwoordig worden de onder-officieren, die speciaal met de zorg en de behandeling van de scheepsartillerie zijn belast, nog konstabel genoemd. Men verwarre den kanonnier echter niet met den konstabel. Een konstabel kan ook kanonnier zijn.
Dat is echter niet altijd zoo. Er zijn gevallen, dat een konstabel (korporaal, sergeant, majoor of adjudant) geen kanonnier, d.i. schutter met het kanon is. Matrozen, mariniers, korporaals van de mariniers en kwartiermeesters, kunnen ook kanonnier zijn en het grps der kanonniers wordt daaruit dan ook gerecruteerd. Uit andere groepen van het marinepersoneel komen geen kanonniers voort.
Kontlikker.
Een kontlikker is een kleine gebogen borstel met langen steel, zooals nu nog wel de behangers gebruiken om het plaksel op het papier uit te smeren. Aan boord werden ze gebruikt om de mergpijp (afvoer W.C.) schoon te waken. De borstel heet tegenwoordig spuigatborstel.
Kooi.
Hangmat; bestaande uit: de zeildoeksche mat, scheerlijntjes, metalen ring, vierlijn, sjorlijn, paardenhaarmatras en -hoofdkussen, deken -en veelal ook een sprei.
De kooi wordt bij het ophangen aan de klamaai-ijzers of stutten, zoo stijf mogelijk met de vierlijnen doorgehaald. De scheerlijntjes aan hoofd- en voeteinde spannen het zeildoek, zoodat men bijna geheel afgesloten wordt als men in z'n kooi ligt. Om een beetje armslag te hebben, plaatst men een latje (kooilatje) van plm. 50 cm lengte tusschen de scheerlijntjes.
Elke maand wordt de kooi (het zeildoek) geschrobd met een kleinen harden boender, waardoor de kooi hagelwit wordt. Sedert de katholieken bij de marine jaarlijks een driedaagsche retraite kunnen houden (geestelijke afzondering), heeft onder hen het biechten de beteekenis van kooischrobben gekregen: een bewijs, dat hun gemeenzaamheid in geestelijke zaken en de marinehumor kunnen samengaan.
Kooien-af en kooien-op zijn twee gebeurtenissen, resp. 's avonds en 's morgens, die hier nader toegelicht moeten worden omdat ze langzamerhand dreigen verloren te gaan. Want de kooien werden vroeger in de verschansing geborgen en verschansingen hebben we op onze nieuwe schepen niet meer.
Als 's avonds de tijd voor naar kooi gaan is aangebroken, treden de manschappen baksgewijs aan en worden de „gasten bij de verschansing- gefloten. Zoodra „alles op" is (d.w.z. iedereen uit het benedenschip aan dek is) haalt men na een stoot op de fluit zijn kooi uit de verschansing in afwachting van het volgende signaal „afgaan-, waarna allen naar omlaag gaan om de kooien op te hangen.
's Morgens, vijf minuten na overal fluit de schipper weer „gasten bij de verschansing". Daar staan dan mannen van de dagwacht, die moeten helpen bij het stouwen van de kooien. Op het signaal „kooien-op- komen de manschappen met hun kooien uit het benedenschip en worden de kooien verschanst. Direct daarop volgt het signaal : wasschen en kammen.
Behalve de kooi, is ook de plunjezak voor den marineman belangtijk, omdat deze zijn kleedingstukken bevat. Als men bij de marine van zijn „kooi en zak" spreekt, bedoelt men daarmede zijn heele hebben en houden.
Als een marineman gaat verhuizen zegt hij, dat hij zijn kooi en zak moet pakken (inpakken). Er is bij de marine natuurlijk ook een kooi- en zakken-boer. Meestal een onder-officier. Kooi- en zakkenboer zijn, is een zeer belangrijke functie, vooral omdat er zooveel overplaatsingen bij de marine plaats hebben.
In Batavia en Soerabaia is de kooi- en zakkenboer — die o.a. ook voor de bootbagage moet zorgen — bovendien een vraagbaak, een hulp en een steun voor hen, die uit Nederland komen of naar Nederland teruggaan.
Met een plunjezak — of, zooals de jongens en lichtmatrozen van de opleiding met een blauwgthlokt overtrek — ziet men den marineman echter nooit meer aan den wal. Dan hanteert hij een keurig handkoffertje.
Kous.
Een ring-of peervormig gebogen oog met gootvormig buiten-oppervlak noemt men kous. De kous wordt gebruikt als versteviging van de leuvers in het zeil, voor den hals of schoot
e.d. In dit geval moet de kous een gegalvaniseerd ijzeren ring zijn. Men noemt deze dan een gewelde kous (d.w.z. aan elkaar gewelde uiteinden). Voor stoppers is de kous een peervormige gegalvaniseerd ijzeren ring.
Krakpakje.
Een zeildoeksche kiel en broek voor vuile werkzaamheden of buitenboord schilderen. Een krakker noemt men iemand, die van stevig passagieren houdt. lemand, die een fijne buitenmodel laken broek beef t, noemt deze ook wel zijn krakbroek. Waarschijnlijk ontleend aan het Engelsch : Cracker: een blufferig heer of 'n opsnijder.
Krijgsartikelen.
Vroeger kreeg de maat, als hij aan boord kwam (aangemonsterd had) , zijn artikelbrief mee. Tegenwoordig ontvangt elke marineman een afdruk van de krijgsartikelen. Dit is seders kort ingevoerd. Voor enkele jaren nog, werden op gezette tijden door den officier van administratie voor den boeg aan de bemanning 'de krijgsartikelen voorgelezen.
Krimpertjes.
Een verfijnder en speciaal soort gedroogd en ,geprepareerd hard brood in plaats van scheepsbeschuit. In de praktijk echter — en vooral op de onderzeebooten — is het een zeer slecht brood-surrogaat gebleken te zijn. Hard brood (grijs brood), zoo lang in den oven gedroogd tot het zijn watergehalte geheel verloren had, werd naast scheepsbeschuit of zeekaak zeer veel gebruikt voor dat aan boord zelf brood gebakken werd. Er zijn al heel wat proeven genomen om jets in blik mee te nemen, dat op brood lijkt; maar voldoening voor de bemanning gaf het zelden.
Kurkenzak.
Stootkussen van zeildoek, gevuld met kurk. De kurkenzak zijn, is te vertalen in „hij is het neusje", of „ze moeten mij ook altijd hebben". Ook: „Hij heeft mij als kurkenzak gebruikt-, wil zeggen, dat men zoo iemand gebruikt om er zich achter te verschuilen of hem de uitbranders in ontvangst laat nemen, die eigenlijk voor anderen bestemd zijn.
Kwartiermeester.
In alle dienstvakken bij de marine worden zij, die in den stand van matroos geplaatst zijn, bij bevordering: korporaal. De matroosseiner, -bottelier, -torpedomaker, -monteur enz. enz. wordt dus korporaal-seiner, -bottelier enz. enz. De vakmatroos,
d.w.z. de matroos 1 e klas, wordt echter kwartiermeester (in rang gelijk aan den korporaal). Degenen, die voor bevordering tot korporaal of kwartiermeester in aanmerking komen of daarvoor in opleiding zijn, moeten als matroos reeds eenigen tijd dienst doen als kwartiermeester of korporaal en worden dan dienstdoende (aan boord zegt men ook wel „dienstdoener-) genoemd.
Kijkers heeft men in verschillende soorten; n.l. den dubbelen kijker of binocle en prismakijker en den langen kijker, dien men in elkaar kan schuiven. Bij de binocle en prismakijker is helderheid en groot gezichtsveld hoofdzaak. Met den langen kijker haalt men echter het nog zwak te onderscheiden voorwerp dichter naar zich toe. Als iemand bij een stoei- of vechtpartij tegen het dek (tegen den grond) geslagen wordt, zegt men : „Hij schuift in elkaar als een lange kijker".
wordt vervolgd..

Geen opmerkingen :