zaterdag 7 juli 2012

Matroos Vandersteng 037

Marinetermen vervolgL
Laagwater.
Het ontstaan van dit woord ligt in het grijs verleden, juister... het is niet te achterhalen. Het wil zeggen, dat het schaften geëindigd is. Denkt men aan de periode, waarin het menu aan boord in hoofdzaak uit snert en boonen bestond, dan zou men kunnen veronderstellen, dat laagwater den lagen stand van de snert of van de boonen in de schaftblikjes aangaf. Maar is dit de verklaring ? Heeft 't niet meer te maken met wat volgt, dan met wat geweest is, n.l, dat er water gehaald kon worden om het kommaliewant schoon te maken ?
Laag water werd n.l. geroepen tot de zeuntjes. „Zeuntjes, laag water, enter op met de bakken". Tegenwoordig zegt men ook wel : „Zeuntjes, bakken schoon-. Men zegt, dat laag water van de Engelschen is overgenomen. Vroeger zou men aan boord den kreet van den provoost geweldig hebben kunnen hooren, nadat de tijd om te schaften nuttig gebruikt en verstreken was : „Zeuntjes, lauw water halen. Enter op met je bakken". De Engelschen zouden daarvan hebben overgenomen „low -in plaats van „lauw-en wij zouden weer het low letterlijk vertaald hebben in laag. We gelooven er niets van.
Een geheel andere lezing is, dat „laagwater-ontstaan zou zijn in den tijd, dat de kombuis beneden stond, omlaag zooals men aan boord nu nog zegt. Men hoort nooit zeggen: „ik ga naar beneden" of „hij is beneden", doch: „ik ga omlaag-, of: „hij is omlaag". Zoo zal men dus vroeger geroepen hebben: „Zeuntjes, omlaag water halen, en met je bakken naar dek om den boel schoon te waken". Er is een tijd geweest, dat de kombuis beneden stond. Op onze kanonneerbooten, zooals die, waarmede Van Speyk in de lucht vloog, stond de kombuis ook beneden, op onze kotters, die in de jaren 1900-1910 aan de opleidingen voor matroos waren toegevoegd, evenzoo.
Sterker echter zou voor deze opvatting pleiten het feit, dat De Ruyter, toen hij het commando over 's lands vloot op zich nam, onder meer heel wat moeite heeft gedaan, en met succes, om te bereiken, dat de kombuizen, die vrijwel open aan dek stonden, naar beneden in het schip, omlaag dus, verhuisden. Er moest, ook te midden van het gevecht, gegeten kunnen worden. En dat werd moeilijker, zoo niet onmogelijk, als de kok in een regen van kogels aan dek zijn snertketel in gereedheid moest brengen. Omlaag konden de zeuntjes niet alleen het eten halen, doch ook het water om de schaftbalie en de schaftblikjes te kunnen schoonmaken.
Op grond daarvan zou men dus kunnen zeggen, dat de uitdrukking „laag water- vroeger niet anders zeggen wilde dan : „omlaag water halen-. Maar... het is nog niet zoo heel lang geleden, (een onzer oud-officieren, promotie 1887, bevestigde nooit anders gezien te hebben) dat de zeuntjes hun kommaliewant met zeewater en een schuurlap met zand schoonmaakten en er dus van zoet lauw of warm water van den kok geen sprake was. Wij hebben den oorsprong van dit woord niet kunnen achterhalen en zouden dus toch tot het uitgangspunt moeten terugkomen. Onwaarschijnlijk is het niet dat 't inderdaad „laagwater" in de schaftblikjes was, die deze uitdrukking deed ontstaan.
Lappen.
Bij elkaar lappen, bijeen brengen, geldverzamelen. „We zullen lappen voor een gezelligen avond-, of: „we zullen lappen voor een krans-. Gelapt wordt er bij de marine nog herhaaldelijk, al moet daarvoor dan ook vooraf aan den commandant goedkeuring gevraagd worden.
Lappen en naaien. Huishoudelijke dienst, een verloren achtermiddag, waarop de schepelingen gelegenheid krijgen om hun plunjezak na te zien en het lijfgoed te verstellen, te nummeren ( folieren) of hun sokken te stoppen.
Lapzalven.
Is het staand twig van boven naar beneden inwrijven of bestrijken met Zweedsche Leer.
Leerling.
De onder-officier van de wacht moet van 's morgens acht tot 's avonds acht uur — tijdens reewacht — in de nabijheid van den valreep zijn en blijven, en dus met alles op de hoogte zijn van wat er aan boord gebeurt. Herhaaldelijk zijn er orders door te geven, inlichtingen te vragen en te verstrekken, opvarenden te roepen of te waarschuwen, e.d. Om vele van deze karweitjes te kunnen uitvoeren heeft hij de beschikking over een jong matroos, dien men leerling noemt. De leerling moet ook den tijd bijhouden,
d.w.z. glazen slaan. De oorsprong van den leerling ligt bij de vroegere stuurmansleerlingen (25 Juli 1 895 werd de functie opgeheven), die als ordonnans of boodschaplooper de wacht meeliepen. Legkleedje. Dit moet zijn ligkleedje, want het is een kleedje om op te liggen, te slapen, zijn middagtukje te doen. Men noemt het ook wel eens een tikkertje, afgeleid van maleisch: tikar — slaapmatje.
Leguaan.
(niet te verwaren met een hagedis). Is een stootkussen. Men heeft ze van gevlochten touw, al of niet met leer bekleed, in het midden dik en aan beide einden dun uitloopend. De leguaan wordt gewoonlijk rond den neus — den voorkant — van een vlet bevestigd.
Lekdienst.
Dat is nu weer eens een dienst, die uit het verleden, op de moderne schepen in eere werd hersteld. De uitwerking van de scheepsartillerie in de 16e eeuw had een naar verhouding even vernietigende uitwerking als tegenwoordig, al werkte men op korten of stand met slechts 15 ponders — (een eeuw later was men tot 60 ponders gekomen). — Ook toen konden de grondschoten niet direct ontdekt worden. Er moest dus in het benedenschip, op de koebrug, nog juister op de ballast, geluisterd worden naar lekken, het klotsend binnenstroomen van het water door de kogelgaten. Die zaten tusschen wind en water en lieten dus veelal zeer ongelijkmatig — klotsend — het water binnen.
Gewoonlijk werden jeugdige schepelingen daarvoor aangewezen, en niet zelden vielen zij in de rustige stilte van het zwoele benedenschip, in slaap. Tot in onzen tijd noemt men, wat de burger zegt : „een uiltje knappen'', aan boord: „naar het lek luisteren".
Op onze moderne schepen heeft men het luisteren naar het lek weer ingevoerd. Het wordt met moderne middelen gedaan en het is geperfectioneerd tot een centrale. Het beet lekdienst en men kan het vergelijken met den luchtbeschermingsdienst aan den wal, met, natuurlijk ! dit opmerkelijke verschil, dat men zich aan boord weerbaar maakt voor de gevolgen van torpedo-aanvallen en „grondschoten- onder de waterlijn. Wordt ergens een treffer onder de waterlijn geconstateerd, dan wordt dit aan de lekcentrale doorgegeven. Maakt het schip water en eventueel slagzij, dan wordt de herstelbrigade aan 't werk gezet
Lijk.
Ter versterking van de zeilen en van de tenten heeft men langs de kanten, in de zoomen, touwen genaaid die men lijken noemt. De term „uit de lijken waaien'' spreekt voor zichzelf. De vertikale touwen in een zeil noemt men de „staande lijken".
Log.
Loggen is de methode om de snelheid van het schip to bepalen. De meest eenvoudige methode zou zijn: op den bak een end hout buitenboord gooien, meteen op je horloge kijken, meehollen in hetzelfde tempo als waarop het end hout voorbij het schip snelt en op het achterschip weer op je horloge kijken als het hout den achtersteven gepasseerd is. Lengte van het schip maal den opgenomen tijd geeft de snelheid. We zien ze aan boord al hollen ! En rekenen !
Maar vooral misrekenen vanwege tal van invloeden, die op het hollen, drijven, horloge en lengte schip inwerken. Voor bet meten van de snelheid, welke een schip loopt, gebruikt men thans drie soorten loggen, de handlog, de patentlog en de electromagnetische druklog. De handlog dateert uit het begin van de 17e eeuw.
De naam log is ontleend aan het bijbelsche woord „zesdemaat (Lat. sextarium; Hebr. loog), de kleinste maat, een maat, die ook tot grondslag diende voor het kompas (6 X 60 graden) , de zeemij1 (een 60ste van een graad op den evenaar of 1852 m) en voor de indeeling van de hand-loglijn, waarvan elke heele knoop, 2 X 60 gedeeld op de zeemijl (1852), dan ook 15, 432 m bedraagt.
Aan het begin van de hand-loglijn, die ook thans nog gebruikt wordt, is een sectorvormig plankje met drie bijeenkomende draden (hanepoot), waarvan twee losse eindjes met een pennetje en een koker op de hoofdlijn (losvast) bevestigd worden. De onderzijde van het logplankje is met lood verzwaard, zoodat het plankje vertikaal in het water staat en door den grooten weerstand tijdens de vaart van het schip een eenigszins vast punt vormt.
Men laat de loglijn uitloopen en meet dit uitloopen op met een zandloopervormig logglaasje van 30 of 15 seconden. Het aantal knoopen (15.432 m) , dat gedurende deze seconden uitloopt, vormt de basis voor de berekening van de snelheid van het schip. De loglijn kan men gemakkelijk weer binnenboord halen, nadat men met een flinken ruk aan de lijn, de twee lijntjes (het kokertje en het pennetje) aan het logplankje vaneen gescheiden heeft, waardoor het plankje horizontaal komt to liggen en geen weerstand in het water ondervindt.
De patentlog was een belangrijke verbetering, omdat de lijn permanent op het achterschip uitgezet kon worden, voorzien van een propeller. Door de trekkende vaart van het schip draaide de propeller en daardoor de lijn, die met een vliegwieltje nabij de opstelling op het achterschip een telwerk in beweging bracht, zoodanig geconstrueerd, dat op een wijzerplaat het aantal afgelegde mijlen kon warden afgelezen. Ook hier heeft men het zesde gedeelte ( Hebr. loog) als basis; elk zesde gedeelte van een mijl wordt aangegeven door een tik of bel. Deze log echter geeft niet de snelheid in mijlen, doch het aantal afgelegde mijlen, waaruit men (aantal-tijd) de snelheid kan afleiden.
Het nieuwste soort log, die ook op onze moderne schepen geplaatst is, is de electromagnetische druklog, ook wel electrische log genoemd en gecombineerd met snelheids- en afgelegden afstandmeter; de Sal-Selsyn log. Met deze log kan men op elk gewenscht moment de snelheid en de afgelegde afstanden controleeren. Het systeem berust op den druk van het water.
Onder den bodem van het schip is een opening en een verticaal plm. 50 cm lange, van voren opengehouden buis aangebracht, een pitotbuis. De waterdruk van beide correspondeert onder en boven, op een membraan. Ligt het schip stil, dan is de druk onder en boven gelijk, en wijst de log geen snelheid aan. Gaat het schip vooruit, dan wordt de druk in de pitotbuis grooter en registreert via de membraan naar de log het aantal zeemijlen. De log wijst dus eigenlijk het verschil tusschen statischen druk (waterdiepte) en dynamischen druk (druk van het opgestuwde water) aan. Door een telwerk wordt het aantal afgelegde zeemijlen aangegeven.
Longroom.
Longroom is het verblijf voor de officieren.
Looden.
Eeuwenlang heeft men de diepte van het vaarwater opgemeten met het lood. Dat wil zeggen, dit opmeten had alleen plaats langs de kusten, waar men ondiepten verwachten kon. Het lood van 6 kg wordt aan een lijn bevestigd van plm. 30 m, die verdeeld is in meters (tot voor korten tijd in vamen). Men noemt dit het handlood.
Er is nog een sloepslood van 3 kg aan een lijn van plm. 10 meter en een zwaar lood van 25 kg aan een lijn van plm. 200 m.
Een verbetering in het systeem van looden gaf de toepassing van het Thomsonlood, doch hierbij moest, evenals met het handlood, toch nog die diepte door het uitbrengen van het lood gepeild worden. Ongeveer tezelfder tijd werd ook de z.g, onderzeesche schildwacht toegepast, een methode om tijdens de vaart te worden gewaarschuwd. Men sleepte een soort vlieger achter het schip onder water, die waarschuwde wanneer de grond geraakt werd. Zoolang het toestel niet waarschuwde, wist men, dat men veilig voer. Dit systeem werd weinig gebruikt.
Tegenwoordig beschikt men over dieptemeters; een z.g. zelfregistreerend echolood, dat met zooveel succes aan boord van de onderzeebooten tijdens de zwaartekrachtmetingen van prof. Vening Meinesz werd toegepast en in nog volmaakter vorm aan boord van onze nieuwste schepen is geplaatst.
Op elk gewenscht moment kan men de diepte van het vaarwater, waar men zich bevindt, aflezen. Men noemt deze instrumenten dan ook wel : dieptemeters.
Het principe van den dieptemeter is aldus : Van het schip uit, door den bodem heen, worden trillingen van hooge frequentie uitgezonden in de richting van den zeebodem. Daar worden deze trillingen weerkaatst (de echo, vandaar de naam echolood) en door de ontvanginrichting aan boord weer opgevangen.
De voortplantingssnelheid der trillingen is ongeveer 1500 m per sec. De tijdsduur van wegzenden en terugontvangen van de trillingen wordt zeer nauwkeurig opgenomen en daaruit de afgelegde weg bepaald en de diepte berekend, d.w.z. op een registreer toestel aangeteekend.
Toch zal het handlood nimmer geheel gemist kunnen worden. De „loaded' hebben n.l. een komvormige holte in het ondereinde, waarin vet gestopt wordt. In ondiepe zeeën, speciaal ook in de Noordzee en onder de kust, wordt bij mist gelood om niet alleen de diepte op te meten, doch tevens om aan den grond te zien waar men is. Het vet neemt n.l. tevens wat specie van den zeebodem ( grondmonster) mee naar boven en een ervaren zeeman kan aan de modder, 't zand, 't zand met zwarte stippen of het gruis wat daaraan blijft kleven, zien waar het schip zoo ongeveer is.
Loopdek.
Op het gewelfde pantserdek, o.a. op de „De Ruyter", is over een gedeelte een meer horizontaal gehouden dek aangebracht om het loopen te vergemakkelijken. Men noemt dit dekgedeelte, dat tusschendeks gelegen is, dan ook het loopdek.
Loopplank.
Er zijn twee soorten van loopplanken. an waarmede men binnenboord komt als het schip langs de kade ligt (geheel onjuist ook wel valreep genoemd) en S.B.- en B.B.-loopplank, het gedeelte tusschen fokkemast en grootemast op het bovendek. Op de schepen met zeil of stoom en zeil stonden in de midscheeps de kombuis, de ketelkap, e.d. Daar was de ruimte aan dek smaller dan op het voorschip of op het half dek. Men noemde dit, zoowel aan stuur- als aan bakboord, de loopplank. Deze naam was aan boord van de pantserschepen en de pantserdekschepen nog in gebruik. Hij wordt ook nog wel gehoord op de schepen type „Java-, hoewel van een smaller dekgedeelte geen sprake meer is.
Loopzakje.
Is een kleine zeildoeksche zak, waarin de loopende zaken, zooals handdoek, naaizakje, schoenpoetsgereedschap e.d. worden ( opgeborgen. Meestal echter wordt het opgevuld om als hoofdkussen te gebruiken voor het middagtukje.
Los-vaste-goederen.
Zijn die deelen van het schip, die in tijd van actie buiten boord gebracht of overboord gezet moeten worden.
„Losse en vaste goederen" echter zijn die, welke in de detailboeken ( detail-schipper; detail-timmerman e.d.) voorkomen, niet tot den magazijninventaris behooren, maar op elk schip afzonderlijk in bepaalde hoeveelheid aanwezig zijn.
Luiemanshandgreep.
Heeft niets met lui, doch wel en vooral met handgreep te maken. Het zijn stalen leiders of grepen langs de dekhutten, om zich bij een slingerend schip te kunnen vasthouden,
wordt vervolgd..

Geen opmerkingen :