donderdag 31 mei 2012

Matroos Vandersteng 034

Marine abs vervolgK
Kaan.
Scheldnaam voor den chef van de equipage als deze opperschipper is. Wordt natuurlijk alleen gebruikt als hij niet in de buurt is, zelfs niet als het gemeenzaam bedoeld is, tenzij de Kaan gevoel voor humor heeft. Maar gebruikt wordt deze uitdrukking wel en dikwijls. Was de chef van de equipage een torpedist, of is hij, zooals in de marinierskazerne, adjudant van de mariniers, dan is het : Klep.
Kaapsch Duifje.
Scheepsbeschuit (ook wel hardbrood, een andere samenstelling, doch evenals de scheepsbeschuit bedoeld als zeerampvictualie), scheepsbeschuit dus, in water, geweekt en belegd met een stuk spek, noemt men een kaapsch duifje. Het kaapsche duifje behoort tot de familie van den arme jongen ( zie aldaar), doch officieel is het de naam van een kleine meeuw, die op het Zuidelijk halfrond voorkomt.
Kaap snert varen.
Aan den wal kent men de uitdrukking „de lamp hangt scheef" als aan het einde van de maand het huishoudgeld op is en er dan vooral op de toespijzen voor de maaltijden moet worden bezuinigd. Bij de marine noemt men dit : om kaap snert varen.
Kaapstander. Kaapstander is een klein draaispil voor het inhalen van ankerketting of trossen. Wordt tegenwoordig vooral op kleine schepen of onderzeebooten gebruikt. Men gebruikt bij den kaapstander de handspaak, zooals bij het groote ankerspil de windboom gebruikt wordt, om het spil met handkracht to kunnen gebruiken indien geen stoomkracht beschikbaar zou zijn.
Kabelgat en kabelgast.
De bergplaats voor alle benoodigdheden, of wel het detail van den chef van de equipage, heet kabelgat en de matroos, die met de verzorging en de uitgifte — natuurlijk na overlegging van een door den schipper geteekend briefje — is belast, heet kabelgast. Gewoonlijk is het een der oudste matrozen, die door jarenlange ervaring tevens vraagbaak is voor jeugdiger maats.
Kadje.
„Het is kadje halen geweest". Het salaris is uitbetaald. Kadje is een verbastering van het maleische gadji (g uitspreken met k-klank), dat salaris beteekent. Eigenaardig is, dat gadji weer een verbastering is van het aloude gage.
Kadraaier(ster).
Ondanks het feit, dat op de moderne schepen de bemanning in de toko aan boord „van alles" kan koopen, blijven de kadraaier en kadraaister de in de haven liggende schepen bezoeken en hun waren aan de bemanning verkoopen. In de marinehaven Den Helder wordt dit „vak" gedurende een reeks van jaren aan boord van eenzelfde schip van ouder op ouder door eenzelfde familie uitgeoefend; dit was b.v. ook op Malta het geval, en te Port Mahon, waar onze schepen sedert 1896, soms meermalen per jaar kwamen.
Kajuit.
In een roei- of stoomsloep en in de motorsloep is de kajuit de ruimte voor de passagiers. Aan boord van de schepen is de kajuit het verblijf voor den commandant.
Kalverstraat.
Op onze kruisers „Java" en „Sumatra" hebben we, evenals de hoofdstad, een Kalverstraat, wel niet met winkels e.d., doch naar verhouding wel erg smal en erg druk. Ze is gelegen op het achterschip benedendeks tusschen de hutten van officieren.
Kankeren.
Kankeren voor mopperen of murmereeren is misschien niet een speciale marinegewoonte, maar men hoort het woord aan boord toch wel het meest gebruiken, misschien ook wel, omdat het kankeren aan boord tot een tweede natuur geworden is. Overigens trekt men er zich weinig van aan. Een matroos heeft altijd wat te mopperen. Men zegt, dat de marinier het veel minder doet, omdat hem met den gortlepel wordt ingegeven, dat elk commando, elke opdracht, onmiddellijk moet worden uitgevoerd zonder tegenspreken. De matroos, zoo zegt men wel, blijft in het onmiddellijk uitvoeren van het commando weliswaar niet achter, maar hij voert het kankerend uit.
Kapseizen.
Kapseizen, omslaan, althans kantelen van een schip. Ook wel: maak geen kapsie (eng. capsize, doch oorspronkelijk van het Spaansche „cabeza") : maak geen keet; geen warboel.
Het kapseizen komt zelden voor, tenzij bij storm of grondzeeën of in tijd van oorlog na een torpedo-aanval of beschieting. Een zeldzaam geval van kapseizen van een schip was dat van Hr. Ms. mijnenlegger „Krakatau". Dit schip voer op 11 Oct. 1932 in het Oostervaarwater nabij Soerabaia bij gunstig weer met 132 omwentelingen en kapseisde in enkele minuten in ondiep water, tengevolge van de zuigkracht van het water en het openstaan van de waterdichte deuren van het mijnendek. De bemanning kon zich redden, doordat het schip op stuurboordszijde kwam te liggen in pl.m. 3 meter water.
Kastbaas.
Wat de kabelgast is voor den schipper en de scheepsbenoodigdheden in het algemeen, is de kastbaas voor de machinekamer en technische benoodigdheden en gereedschappen. De kastbaas is gewoonlijk een ervaren stoker, olieman of korp. machinist.
Kattestaart.
Kattestaart; niet te verwarren met de „kat met zeven staarten", want dat was een end touw, waarvan de strengen afzonderlijk tot enden waren gedraaid. Deze kat met zeven staarten werd ,gehanteerd bij de toepassing der lijfstraffen bij de Engelsche marine.
Bij de Nederlandsche marine was deze niet in gebruik. Daar kende men het „laarzen". Een schepeling die b.v. veroordeeld was tot „het vallen van de ra" (den veroordeelde, zittende en gebonden, van de groote ra in het water te laten vallen, en hem aanstonds weder op te hijschen) werd bovendien nog, met een eind touw „slagen toegebragt op de broek". In dit geval werd dit „laarzen" genoemd.
Ook werd het „slagen met handdaggen" toegepast door het toebrengen van slagen aan den veroordeelde, gekleed zijnde, op den rug en op de broek, met een eind touw, ter dikte van niet meer dan twaalf garens op streng en het getal van zestig slagen niet te boven gaande". De lijfstraffen zijn bij onze marine in 1879 afgeschaft. De Kattestaart echter is 'n onderdeel van 't seinen n.l. contrasein met seinvlag.
wordt vervolgd..

Geen opmerkingen :