woensdag 6 juni 2012

Matroos Vandersteng 035

Marine abc vervolgK
K-boot.
De K-booten zullen slechts een korte periode van onze geschiedenis ter zee vullen. Met de K I werd de serie van onze onderzeebooten, die speciaal voor de kolonien waren gebouwd, geopend. De eerste reis van deze boot viel in den vorigen wereldoorlog, toen ze naar Indie werd gesleept door de „Witte Zee", die tijdelijk tot oorlogsschip verheven was.
De K I werd tweemaal abusievelijk onder vuur genomen. De eerste maal op pl.m. 12 mij1 van Ouessant door een Fransch patrouillevaartuig; den tweeden keer in de Middellandsche Zee door een Engelschen hulpkruiser.
De laatste van de K-bootserie onderzeebooten was de K XVIII, die, evenals de K XIII, door ongeevenaarde wereldreizen den roem onzer marine heeft bevestigd.
Nadat de K XVIII was afgebouwd, werden nieuwe onderzeebooten op stapel gezet, waarop de K niet meer werd aangebracht als een speciale aanduiding, dat zij voor de kolonien bestemd waren; hetgeen immers ook niet het geval was voor de bovenwaterschepen, die ook over en weer (in Nederland en de gebiedsdeelen overzee) kunnen opereeren. De andere dan de hierbedoelde booten, die oorspronkelijk speciaal voor de koloniën bestemd waren en daarom K-booten werden genoemd (K en een romeinsch cijfer) worden aangeduid met een 0 (d.i. onderzeeboot) en met een arabisch cijfer.
Met het beéindigen van deze K is, gelijk reeds met de bovenwaterschepen het geval is, nog eens extra naar voren gekomen dat onze marine een Staatsmarine is, d.w.z. dat onze marine moet kunnen optreden overal ter wereld waar de Nederlandsche belangen dit vorderen.
Keesje.
Wie het woord keesje hoort denkt, als burger, wellicht aan het keesje (pruim tabak) en als het een heele hap was, aan „de kees achter z'n kiezen-. Het pruimen echter is bij de marine „uitgeroeid”, men treft als hooge uitzondering nog wel eens een pruimenden schepeling aan. Doch in 1909 bevatte een handleiding voor seiners reeds deze verplichting : „Hij (d.i. de matroos-seiner) is een voorbeeld van vlugheid, ijver en netheid. In den dienst onthoudt hij zich van pruimen en andere onzindelijke gewoonten".
En de miliciens, die de scheepszindelijkheid nog moeten leeren, krijgen als waarschuwing te lezen en te hooren : „dat het verboden is op het dek, in de goot, door de patrijspoort of te loevert op, te spuwen-. Neen, het keesje als pruim tabak is reeds jarenlang in de ban. Het keesje, dat wij hier bedoelen, is een zeildoeksch-linnen zakje met zand, dat aan een idunne werplijn bevestigd is en dient om het eerste contact met den wal te krijgen tot het doorgeven van zwaardere trossen. Het keesje-gooien is jarenlang een geliefkoosde sport geweest, totdat het kogelstooten en het discuswerpen van den nieuwen tijd kwam.
Kenbariboom.
Hier hebben we nu weer te doen met een van die eigenaardige wendingen in het spraakgebruik. Voor het opnemen in Oost-Indie (het in kaart brengen van zeediepten, baaien en kreken) was het van belang bakens of herkenbare punten aan den wal te hebben. Elk uitzonderlijk punt werd als een te herkennen punt aangegeven. De boomen die geen klapperboomen zijn, waren natuurlijk zeldzaam. Doch waar men ze van zee uit zien kon, werden ze op de schetskaarten als kenbare (herkenbare) boom aangegeven en deze uitdrukking werd al spoedig verbasterd tot kenbariboom.
Kerkwimpel.
Korte stompe rood-wit-blauwe wimpel. Ook wel rustwimpel geheeten. Wordt aan de ranok geheschen ten teeken, dat geen bezoeken worden afgewacht; dat het rust is (middagdutje, waaraan men zoowel in Indie als in Nederland streng de hand houdt, al is het voor Nederland maar drie kwartier) of dat er kerkdienst aan boord gehouden wordt. Dit laatste alleen, indien men 's Zondags op zee is.
Kerkdienst op Zondag aan boord als men op zee is, is in den loop der eeuwen steeds gehandhaafd. Wel is er een tijd geweest — niet het minst door de vrijdenkersbeweging aangewakkerd —, dat sommige schepelingen gemoedsbezwaren hadden tegen het bijwonen van den kerkdienst aan boord. Dezulken moesten dan den dienst van anderen overnemen gedurende den tijd dat kerk 'gehouden werd en omdat het, een enkele uitzondering daargelaten, meer een verzet was dan werkelijk gemoedsbezwaar, koos men van twee „kwaden" ,de minst „erge" en ging dan toch maar liever ter kerke aan boord.
Indien er geen geestelijke aan boord is, (vlootpredikant of vlootaalmoezenier — en dat hij wel eens aan boord is dateert van 1923) — wordt de kerkdienst geleid door een der officieren. Er is een speciaal scheepskerkboek aan boord, waarin een aantal predicaties als handleiding voor den kerkdienst zijn opgenomen. De verhoudingen naar de godsdienstige gezindte bij de marine, komen merkwaardig overeen met die van het Nederlandsche volk. Nooit echter gaf een preek, hetzij door een dominè, priester of officier gehouden dan wel voorgelezen, aanleiding tot wrijving of conflicten aan boord.
Kerstboom.
Het geheele samenstel van bewegingsmechanisme der dekbuizen (torpedolanceerinrichtingen), hetwelk in het voorbatterijcompartiment uitkomt, noemt men aan boord van de onderzeebooten den kerstboom.
Deze uitdrukking is waarschijnlijk eerst ontstaan omstreeks 1923, na den aanbouw van het type booten „K XI", de eerste onderzeebooten met lanceerbuizen op de drukvaste huid onder het loopdek, die verstelbaar zijn, in tegenstelling met de boeg- en hekbuizen, die men alleen richten kan door met de geheele boot als zoodanig te richten.
„Je kan nog een heele kerstboom zien", zegt men ook wel als' de schepen bij nachtelijke oefeningen niet voldoende in den bovenbouw verduisterd (geblindeerd) hadden.
Ketelaar.
Ketelaar zijn is geen vak aan boord. Wel gaat er een verhaal over een burger, die, toen hij aan boord hoorde, dat iemand ketelaar was, zich verbaasde over de veelheid van vakken op een modern oorlogsschip, waaronder zelfs ketellappers. Als het niet waar is, is het toch aardig verzonnen. Ketelaar zijn wil echter zeggen, dat men niet op den gewonen tijd kan schaften — aan tafel kan zijn — doch na-schafter of ketelaar is. Figuurlijk: Hij blijft ketelaar; hij vischt achter het net, of hij staat er naast.
Ketelkap.
De ketels van een schip liggen — evenals de machines — onder het pantserdek in een besloten ruimte. Voor de yentilatie op de vuurplaat (de plaats waar de stokers de vuren verzorgen) en de machinekamer (ook wel vetput geheeten) loopen de schotten door tot aan het tentdek, het dek, dat niet meer dan een metalen smalle verbinding, boven het opperdek ligt. Deze doorloopende schotten zijn afgedekt met kappen of kleppen (liggende scharnierende ramen). Het geheel noemt men: de ketelkap.
Ketelruim.
Wie aan een schip denkt, denkt vanzelf aan het ruim of de ruimen tot berging van tal van goederen. Bij de marine noemt men een bergplaats inderdaad bergplaats en kent men geen ruimen.
Een uitzondering daarop maakt het ketelruim, de plaats dus, waar de ketels opgesteld staan. Waarom men echter alleen van ketelruim spreekt en niet ook van machineruim, doch machinekamer, is een van die onbegrijpelijkheden of inconsequenties van benamingen en uitdrukkingen.
Overigens (men leze dit onder buitenhuid) spreekt men ook wel van kofferruim, waarin echter geen koffers geborgen worden! Wellicht heeft het kofferruim zijn naam te danken aan een vergelijking met de koffervisch (ostraciontidae), waarbij het lichaam in een vast pantser van zeshoekige beenplaten is ingesloten
Kettinghaak.
Wordt uitsluitend gebruikt in den kettingbak bij het ketting stuwen. Bij het indraaien van den ankerketting loopt deze door den daarvoor bestemden koker naar den kettingbak. Omdat de zware ankerketting niet de eigenschap heeft vanzelf netjes in den kettingbak te gaan liggen, worden een of twee man aangewezen, die den ketting in bochten stuwen, heen en weer, de volgende laag telkens- dwars op de laag er onder. Dit noemt men. slechten. Daarvoor gebruikt men lange ijzeren haken, die men kettinghaken noemt.
Kid.
Kidkiel, looze kiel, als onderdeel van schepen en sloepen, zijn geen speciale marinetermen. Kielhalen was een straf (lijfstraf, want de delinquent werd over boord geworpen en met een touw onder de kiel doorgehaald) , die reeds lang (bij de Wet van 28 Juni 1854) werd vervangen door kruiwagenstraf en deze is weer in 1895 geheel vervallen. Men spreekt bij de marine ook niet meer van kielzog.
Immers het kielzog was de trek van de zee onder het schip door; kielwater. Sedert de schroeven een wentelenden trek in het water veroorzaken, is men langzamerhand van „zog -zonder de toevoeging „kiel" gaan spreken. De term kielwaterlinie voor het achter elkaar varen bleef echter gehandhaafd, doch zal nu in oorlogstijd welhaast uitsluitend tot het zeegevecht beperkt blijven, daar de onderzeebooten deze formatie voor haast alle andere gevallen te riskant gemaakt hebben.
Kikkersloot.
Een tijdlang — althans zeker nog in de periode omstreeks 1890-1920, werd bij de marine de Middellandsche Zee spottend ook wel Kikkersloot genoemd, vooral als men ondervond dat het daar toch ook wel „spoken kon. „Dat noemen ze nu een kikkersloot-, zei men dan.
Kingston.
Is een kegelvormige buitenboordklep op de onderzee booten, waardoor de tanks met water gevuld worden om de boot in evenwicht te brengen (zie aftrimmen) voor de onderwatervaart. Overigens vindt men de kingston, die op alle schepen als veiligheidssluiting voorgeschakeld wordt aan elken afsluiter, die een in- of doorlaat door de scheepshuid regelt, zoodat, wanneer deze haperen zou door het sluiten der kingstonklep (de naam is afkomstig van den uitvinder) nog geen water in het schip kan komen door de kingston te sluiten. Zoo is er ook nog een „kingston-valoc", een klep die naar buitenboord open gaat in tegenstelling met alle andere typen kleppen, die naar binnenboord openen.
Kist.
Op de kist zitten wil zeggen, dat men aan boord blijft, niet gaat passagieren, hetzij omdat men wil gaan sparen en dus zoo zuinig mogelijk wil zijn, dan wel omdat „de centen op zijn". Van de kist zijn wil zeggen, dat men te veel gedronken heeft. Hij is van de kist — hij is dronken. Vroeger had de uitdrukking „van de kist gaan" de beteekenis van „naar de vrouwen" te gaan, b.v. in Singapore.
wordt vervolgd..

Geen opmerkingen :