woensdag 30 mei 2012

Matroos Vandersteng 033

Marine abc vervolgH - I - J
Holmesreddinglicht.
De geus - Is een aanhangsel aan een reddingboei; het is een bus met phosphor calcium, door een touw verbonden aan de reddingboei. Valt de boei te water, dan wordt het reddinglicht meegetrokken; een paar lipjes worden daardoor afgescheurd, zoodat het poeder met zeewater wordt vermengd. Er ontstaat dan phosphor waterstof, dat aan de lucht ontbrandt en een wit licht en veel rook geeft, zoodat bij dag en bij nacht duidelijk zichtbaar is waar de reddingboei — en hopelijk ook de drenkeling — te water ligt.
Hoofd-machinekamer.
Vroeger ook wel chef-machinekamer genoemd, heeft de leiding aan boord over .de machinekamer-installatie. Het hoofd-machinekamer is uiteraard altijd een officier van den marinestoomvaartdienst (afgekort M.S.D.).
Hoos.
Ook wel hoosgat, is het verkoperde gedeelte achter in de sloep, voor de achterste doff en tevens het laagste gedeelte in de sloep, waarheen het water zich verzamelt en door het hoosvat (houten schep met handvat) wordt weggehoosd buiten boord.
Hijsch.
Onder hijsch wordt verstaan een vlaggesein, d.w.z. een combinatie van seinvlaggen, die gezamenlijk in een hijsch vertoond worden.
I.
Indische turn.
Elke marineman (althans het Europeesche vrijwillig dienende personeel) dient ook, en wel afwisselend — men noemt dit bij de marine „op toerbeurt" — in Oost- of West-Indie. De gehuwden, die hun gezin niet meenemen, dienen twee jaar, de ongehuwden drie jaar en de gehuwden, die hun gezin wel meenemen, dienen vier jaar in Indie. Hoewel dit niet voor elk dienstvak hetzelfde en zelfs voor personen uit hetzelfde dienstvak geen regel is, wordt er wel naar gestreefd, dat men ongeveer evenveel jaren in Nederland als in de gebiedsdeelen overzee dient. Zoo'n periode in Indie doorgebracht noemt men een Indische turn, ook wel „turn- of „term".
In de takken klimmen.
Is een uitdrukking aan den zeiltijd ontleend, waaronder verstaan werd in het tuig en in het bijzonder op de ra's te klimmen. De stokers hebben deze uitdrukking overgenomen voor hun klauteren tusschen de vlampijpen als de ketels moeten worden schoongemaakt.
Inleggen.
Het kan vreemd gaan met sommige uitdrukkingen. Als de matroos in den zeiltijd in het tuig openterde was het uitleggen op de ra als een begin van een oefening te beschouwen en het inleggen als het eindigen. Het woord uitleggen is sedert het verdwijnen van zeilschepen zonder beteekenis geworden en in onbruik geraakt. Het inleggen echter wordt nu nog voor alle mogelijke gevallen gebruikt, waarvoor men evengoed inrukken kan bezigen. De beurtgast in de sloep kan inleggen; de uitkijk op het lichtdek kan inleggen; de groep die les krijgt kan inleggen, enz.
Instuif.
Instuif. Bezoek van burgers, invite's e.d. aan boord met een daaraan verbonden gezellig bal op de campagne. Vooral op buitenlandsche reizen is de instuif een belangrijke gebeurtenis voor de Nederlanders of Nederlandsche kolonie in de havenplaatsen welke men aandoet dikwijls ook een contra-beleefdheid voor de aan den wal ondervonden vriendelijkheden en belangstelling van de zijde van de burgerij voor Nederland in het algemeen en de marine — het schip en de opvarenden — in het bijzonder. Overigens kan iedereen daaraan ongenoodigd deelnemen als men relaties heeft met het schip.
J.
Jacobsladder.
Een touwen ladder met houten sporten. Op de pantserdekschepen liep zulk een jacobsladder van de brug achter den mast omhoog tot den uitkijkpost, een overblijfsel nog van het kraaiennest. Van de sloepen, die in de davits hangen en van de bakspier tot op sloephoogte in het water, waren eveneens jacobsladders aangebracht. Om van het bovendek in de te water liggende sloepen te komen wordt echter een stormladder gebruikt en men werpt deze ook Tangs boord als b.v. de loods aan boord moet komen. De treden van de stormladder zijn n.l. breeder, zoodat er eenige ruimte is ,om met de handen de touwen van de ladder te kunnen vasthouden als deze, door het gewicht van den opklimmenden man strak tegen buitenboord hangt.
Men sprak ook wel van een vaste Jacobsladder of dronkemanstrap als men de boordklampen bedoelde, waarvan bij Vaireep nadere bijzonderheden te vinden zijn.
Jantje Kaas.
Een tijd lang, (ontstaan tijdens den Belgischen opstand) werd de marine met „Jantje Kaas" aangeduid, hoewel woordenboeken dezen scheldnaam aan den soldaat geven. Het gezegde : „Het is bij Jantje Kaas goed (slecht) dienen" wordt soms ook nu nog gebruikt. Er is een lied (men kan het, overigens zonder eenige nadere toelichting, vinden in het Adelborsten-jaarboekje 1919), waarin de marine als Jan Kaas wordt bezongen.
Japaneesche bullen.
De gewoonte om van de reizen of na het verblijf in Indie geschenken mee te nemen voor familieleden in Nederland heeft altijd bestaan. Er is een lange periode geweest waarin men de voorkeur gaf aan uit Japan in Indie aangevoerde artikelen. Sedert Japan echter den export ook naar Europa overbracht en vooral ook Duitschland alle mogelijke „curiosities -van het Oosten fabriceerde, was er geen aardigheid meer aan deze artikelen zelf naar Nederland mee te sleepen. Toch blijft het meenemen van geschenken zelfs nu nog genoemd: Japansche bullen meebrengen. Zoo'n periode is er ook geweest voor Chineesch bullen.
Jekkers uit.
Het was spoedig „jekkers uit" : Er ontstond spoedig een vechtpartij. (Jekker, eigenlijk pijjekker, doch jekker wordt meer en meer gezegd).
Joelen.
Op zeilschepen was het joelen in het want en op alle ra's een onderdeel van de paradeerrol en werd vnl. gedaan als er vorstelijke personen aan boord kwamen. Het joelen is blijven bestaan, zij het dan niet in het want en gewoonlijk alleen na een toespraak voor den boeg, als aan het einde een driewerf „Hoezee op het Staatshoofd wordt uitgebracht en daarbij met de mutsen en petten in de rechterhand een „ruk omhoof gegeven wordt bij elken keer dat „hoezee-geroepen wordt. De schipper geeft daarvoor op het bootsmansfluitje het signaal. (Zie overigens ook bij Paradeeren). De kreet „hoezee-(aanvankelijk Houzee) werd reeds gebezigd tegen de Spaansche onderdrukkers en de schepelingen werden daarmede aangemoedigd goed zee te houden om de overweldigers ook buitengaats er van langs te geven.
Jol.
Ook wel schuit. De boot was een groote sloep, de schuit een jol. Wordt op kleine schepen, o.a. torpedobooten en onderzeebooten meegevoerd. Schuit, wordt ook wel schertsend gezegd als men het oorlogsschip — die schuit— bedoelt.
Jonker.
De adelborsten, tegenwoordig adspirant-officieren voor de marine, worden officieel als jonker aangesproken.
De naam jonker dateert nog uit den Franschen tijd; kort na het decreet van 1 October 1806, Coen de adelborsten vaandrig, later vlagge-jonker werden genoemd. Adelborst was een naam, die ook de burgerwachten, samengesteld uit de welgestelde families der steden in vroeger tijd, droegen.
Jutter, jutterij.
De inwoners van Den Helder en de nabij gelegen badplaats Huisduinen worden bij de marine jutters genoemd of „van de jutterij". Strandjutten-stranddieven, d.w.z. het zich toeeigenen van aangespoelde goederen, die feitelijk aan den strandvonder (de strandvonderij) of gegeven moeten worden. De naam is afkomstig van den volksstam Juten, de bewoners van Jutland, die in de 5e eeuw n. Chr. meehielpen aan de verovering van Engeland door de Angelsaksen.
wordt vervolgd..

Geen opmerkingen :