vrijdag 23 maart 2012

Matroos Vandersteng 018

Marine abc vervolgB
Bagger.
Scheldnaam voor den marinier 3e klas, zooals zwabber de scheldnaam voor den matroos derde klas is. De zwabber zwabbert en de bagger zuigt het koper (poetst het koper). Deze scheldnaam van bagger is ontleend aan den populairen naam van de zuigvisch (Echeneididae), die zich in tropische gewesten vastzoog aan de verkoperde huid van de zeilschepen.
Bak.
Het woord bak vindt men aan boord in vele varianten. Men moet met het ontleden van marinetermen altijd voorzichtig zijn. Probeer dus alleen bij hooge uitzondering den oorsprong van een woord te achterhalen.
Van bakboord, den linkerkant van het schip, zegt men, dat dit ontleend is aan back, rug. Sturende, met het losse, over den achtersteven ter rechterzijde liggende roer, dat aanvankelijk niet meer was dan een wat groote riem, stond men met den rug naar het linkerdeel van het schip. Dat was de back-zijde (bakboord); de kant waar het roer lag was de stuurzijde (stuurboord).
Maar dat gaat niet op voor den bak, dat is het voorste gedeelte van het, veelal verhoogde, opperdek. Sommige woordenboeken zeggen, dat het verhoogde voorschip een bak vormde, dat de daarin ondergebrachte matrozen baksvolk waren en dat daaruit de bak als gemeenschappelijke tafel werd afgeleid. Maar in waarheid is het aldus, dat in de oudheid het voorschip geen bak, doch een kasteel vormde.
Dit was niet steeds en op alle schepen hetzelfde, zooals ook trouwens in onzen tijd de bovenbouw van de schepen niet overal dezelfde is. De Galeones of galjoenen met hun zooveel scherpere voorstevens hadden al een veel minder sprekend voorkasteel dan de koffen en de daarop volgende karveelen.
Op het einde van de 16e eeuw verdween het kasteel om plaats te maken voor een lager gehouden voorschip, dat weer omstreeks 1630 verdwenen is, wijl de linieschepen bijna (met uitzondering van een campagne) geheel glad waren. Hoe dit zij, de schepeling huisde wel tot omstreeks 1630 uitsluitend in de punt, daarna ook in het tusschendek.
Op de gladdekschepen (althans op sommige) werd later weer een verhoogd voordek aangebracht. Dit voordek heette bak en de ruimte er onder: onder den bak. Er is veel meer reden om aan te nemen, dat dit deel van het schip naar het baksvolk is genoemd, dan het omgekeerde, nl. dat het voorschip een bak vormde en dat het volk, dat daarin huisde, baksvolk geheeten zou zijn.
In een artikelbrief van 1605 en later in een van 1629 (dat was hetzelfde als tegenwoordig de baksorder of de krijgsartikelen) sprak men nog niet van bak, doch van schotel : „Nyemant en vervoordere hem op te staen van den schotel, daer hij aengerecht is, om aen een ander schotel te gaen eten".
Eerst in 1636 wordt van baksvolk en bakken waaruit gegeten wordt (in navolging dus van de schotels) gesproken. Van oudsher dus aten groepen van 10 tot 16 man scheepsvolk uit een houten bak. Tot ver in de 19e eeuw was dit nog zoo.
Omstreeks 1895 werden officieel terrienen, ketels, bakstafels en banken op alle schepen ingevoerd. Op sommige schepen waren echter al voor 1880 bakstafels en banken. In elk geval zaten de matrozen, waar geen tafels en banken waren, als een kleermaker op het dek; sommigen gebruikten hun loopzakje als zitkussen, anderen hadden zelf een laag bankje gemaakt, zooiets als men wel voor voetenbankje gebruikt.
Op het schaftzeil werd voor een groep van 10 tot 16 man „gedekt, d.w.z. schaftblikjes klaargezet. Men at met tinnen lepels, of met z'n mes. Lepels zooals nu gebruikt worden, kwamen omstreeks 1895, vorken veel later, want men schafte snert en boonen en boonen en snert, en daarvoor heb je geen vork noodig.
De bak was een houten balie met blank geschuurde ijzeren banden. De eenige concessie aan den smaak was een portie blokzout, dat gerold of fijngeslagen in een houten zoutvaatje met koperen banden, het kleedje sierde. Eten deed men goed en zwaar. Trouwens de zee maakt hongerig — dat is ook nu nog het geval.
Tegenwoordig is de bakstafel van alle tafelbenoodigdheden voorzien, en is de bakskist vol met alle „gereedschappen voor het verwerken van gevarieerde maaltijden. De schaftblikken, die ook voor koffiedrinken werden gebruikt, werden vervangen door emaille borden, pannetjes en drinkbekers; vorken, lepels, messen, voorsnijmessen, braadpannen, koffieketels, broodplankjes, zout-, peper- en azijnstellen, opscheplepels, soeplepels, gaatjeslepels enz. enz. maakten ook voor eenige jaren reeds deel uit van het bakskommaliewant.
Tegenwoordig zijn de schaftblikjes, de borden en de mokjes niet meer van emaille, doch van aardewerk, z.g. hotelservies. Bij elke bakskast is een kleine ijskast, er zijn broodsnijmachines aan boord, fijnvleeschsnijmachines, nikkelen koffie en thee-reservoirs, kortom er wordt modern opgediend.
Op de oudere schepen is dit nog niet ingevoerd. Men zit daar nog met een ouden inventaris. Doch op de schepen, die na 1936 werden gebouwd, is alles wat de bakken betreft prima in orde. Zelfs het schoonmaken van het bakskommaliewant geschiedt tegenwoordig met z.g. hotel-bordewaschmachines.
Bakboordslicht.
Is niet alleen de naam voor het roode, aan bakboord geplaatste navigatielicht (aan stuurboord: groen) , doch bij de marine ook de scheldnaam voor iemand met rood haar.
Baksen.
Draaien, bewegen van een toestel, in het bijzonder van een kanon, in het horizontale vlak. Een van de bedieningsmanschappen bij het kanon, die speciaal met het baksen belast is, heet bakser, of hulprichter.
wordt vervolgd..

Geen opmerkingen :