woensdag 21 maart 2012

Matroos Vandersteng 017

Marine abc vervolgB
Baadje.
Kort donkerblauwlaken jasje met lange mouwen, dat naar de snit overeenkomt met een gekleede jas of rok, doch zonder panden. Het heeft met baaitje, baaien hemd, wollen buis of iets dergelijks niets te maken, want deze worden (baaien hemd geheeten) ook nu nog door de matrozen gedragen. Het baadje is een sierlijk deel van de uniform; de naam is afkomstig van het maleische badjoe.
Door de officieren wordt het gedragen als avondkleeding; de daagsche korte jas met de roode opstaande kraag van de adelborsten is als baadje het oudste kleedingstuk bij onze marine, dat zich, slechts weinig gewijzigd, gehandhaafd heeft. De korporaals en matrozen dragen een baadje in den zomer als jasje en in den winter als vest.
Eigenlijk is het zoo, dat zij het baadje altijd als vest behooren te dragen, dus gesloten en onder den pijjekker; maar daar wordt nogal eens oogluikend van afgeweken. De dienstplichtigen mogen geen baadje dragen, maar ook hier is de ijdelheid sterker dan het tenue-voorschrift, en er zijn dan ook miliciens, die zich een buitenmodel baadje hebben gekocht. Een bewijs, dat het een gewild artikel is.
In Indië wordt het baadje alleen bij zeer bijzondere gelegenheden gedragen, zooals op avondfeesten, bij groote parade of bij begrafenissen. Figuurlijk zegt men als iemand een pak slaag krijgt : „hij krijgt op z'n baaitje" : niet baadje.
Baaienhemd en baaien boezeroen.
Zoo op 't oog is er weinig verschil tusschen het, donkerblauwe baaienhemd en het dito boezeroen. Het hemd wordt in de broek gedragen; het boezeroen, dat aan de jongens aan de opleiding en aan de miliciens wordt verstrekt inplaats van het baadje, en ook wel tuniek geheeten is, wordt over de broek tot halverwege de zakken gedragen, zooals bij de Fransche, Engelsche en Italiaansche marine het geval is. Het baaien hemd wordt alleen gedragen in combinatie met de laken broek, daarover baadje of pijjekker.
Hoewel er nauwkeurige tenuevoorschriften zijn, is de verscheidenheid zoo groot, dat het dikwijls moeilijk is er wijs uit te worden. De mode, d.w.z. de persoonlijke smaak van den schepeling, maakt hem bovendien vindingrijk om, als hij kans ziet, zich aan de tenuevoorschriften te onttrekken, door diverse kleedingstukken naar eigen smaak te combineeren. Om dit tegen te gaan worden in Den Helder dikwijls tenue-patrouilles uitgezonden, die in de stad contróle uitoefenen op de passagierende schepelingen.
Baakzetten.
Een baak, baken of teeken is voor de plaatsbepaling tijdens het opnemen (het in kaart brengen van de diepten der zeeën, baaien e.d., b.v. in Oost-Indië) onontbeerlijk. Daarom worden op het terrein van opname bakens geplaatst, hetgeen men baakzetten noemt. De bakens worden gewoonlijk aan boord van den opnemer door de bemanning zelf gemaakt. Men onderscheidt boom-, rif- en drijfbaak. Ze worden van bamboe of latwerk gemaakt, hebben een driehoekvorm van baakkatoen, waarop een vlag gestoken is. De afmetingen varieeren van 1 1.5 tot 3 m. Ze worden resp. in boomen langs de kust, op riffen of open water geplaatst en dienen tevens als herkenningsteeken.
Baantjesgasten.
Baantjesgasten. Niet elke marineman, die een matrozenuniform draagt, is matroos. Vakmatrozen zijn er zelfs naar verhouding tot de overige schepelingen maar heel weinig. De tegenwoordige marine is vooral een technische marine, waarin veel vaklieden noodig zijn.
Dat was vroeger anders. Toch waren er in den zeiltijd ook al lieden aan boord, die geen vakmatroos waren, zooals de timmerman, bottelier, kok, hofmeester, schrijver, ziekenverpleger. Dat waren de baantjesgasten en dezen toenaam hebben zij ook in onzen tijd behouden.
In den zeiltijd waren de baantjesgasten bij de zeilrol geplaatst op de fokkera; vandaar noemde men de fok ook wel „het oude mannenzeil". Tot voor korten tijd, omstreeks 1938, waren zij, behalve aan hun uitmonstering, ook nog to herkennen aan hun strepen, d.w.z. dat zij geen chevrons droegen, doch z.g. halve chevrons of strepen.
De kleermaker en de schoenmaker (ook de barbier is baantjesgast) konden tot omstreeks 1909 den rang van korporaal bereiken en droegen dus ook strepen. Bij het Korps Mariniers was zelfs in 1933 nog een meester-kleermaker met den rang van sergeant. Sedert 1938 zijn de baantjesgasten geen non-combattanten meer. De gedachte aan den totalen oorlog was op de vloot reeds toen doorgedrongen.
Baar.
Van het maleisch : baroe d.i. nieuw. Is geen speciale marineterm zooals talie (hetgeen touw beteekent) , maar deze uitdrukking wordt op het Kon. Inst. bij de adelborsten veel gebruikt voor de toekomstige marine-officieren van het jongste jaar, die men „baren" noemt, zooals men van „baartijd" spreekt in den zin waarin de studenten van „groentijd" gewagen.
Baard.
Een schip met zen baard : aangroeisel onder de waterlijn.
Baas.
De baas kleermaker, de baas schoenmaker, ook wel kortweg schoes, zijn min of meer officieele bazen. Het woord „baas" voor hun vaktitel wordt echter weinig gebruikt. Daarnaast heeft men ook nog den lap- en naai-baas, oogluikend toegestaan als versteller, een schepeling, die in eigen tijd voor collega's kleedingstukken verstelt; den waschbaas, die voor collega's, maar meestal voor officieren en onderofficieren, plunjes wascht, alleen tijdens reizen.
Op onze moderne schepen is echter een wasch- en strijkinrichting met officieële prijslijsten. Een Baas van hoogere orde is de timmerman, die zonder uitzondering baas-timmerman genoemd wordt, of ook wel kajoe, naar het maleische toekang kajoe : timmerman. Behalve wanneer de militaire verhoudingen een woordje gaan meespreken, want dan is het natuurlijk : korporaal, sergeant of majoor !
wordt vervolgd..

Geen opmerkingen :