zaterdag 24 november 2012

Matroos Vandersteng 042

Marine ABC
Tali.
Dit woord wordt algemeen gebruikt als 6611-, twee-, of driebloks hijschwerktuig aan boord, hoewel dit wippers, klaploopers, zijn, of in het algemeen takels zijn. Tali is Maleisch en beteekent touw.
Talje.
Talje, eigenlijk faille. Bij balie is reeds gezegd, dat men daarvan verschillende grootten heeft, aangeduid als eerste, tweede, derde en vierde talje balie. Van talje spreekt men ook voor kleedingstukken van den schepeling nl. eerste talje broek, of tweede talje frokje, of derde talje sokken of vierde talje pijjekker. De eerste is de grootste. Van de matrozen spreekt men vergelijkenderwijze ook van eerste-, tweede- of derde- talje-matroos als men 1ste, 2de of 3de klas bedoelt.
Taptoe.
De oorsprong van het woord „taptoe" moet gezocht warden in het signaal tot het sluiten van den tap. Van oorsprong is dit geen marineuitdrukking en zij heeft met het sluiten van den tap aan boord dan ook weinig of niets te maken, omdat de tap aan boord alleen bekend is bij de officieren en onder-officieren.
Bij de marine wordt de taptoe in enkele variaties geblazen, waarvan de Russische taptoe wel het meest bekend is. Er is voor enkele jaren een prijsvraag uitgeschreven om den oorsprong van de invoering van de Russische taptoe bij de marine te achterhalen, Hoewel daarbij aardige bijzonderheden naar voren kwamen, kon de oorsprong toch niet vastgesteld worden.
Territoriale wateren.
Oorspronkelijk werd daaronder verstaan het grensgebied in zee bij laag water, zover uit de kust als een kogel uit het scheepsgeschut draagt, Dit werd allengs op één zeemijl, later op drie zeemijl bepaald. In 1895 heeft Nederland, zonder succes, pogingen gedaan deze grens tot 6 mijl uit de kust vastgesteld te krijgen. De nog steeds niet opgeloste Wielingen-kwestie is intusschen daar om te bewijzen, dat de handhaving der driemijlsgrens bij grensrivieren tot internationale moeiliikheden kan leiden. Thans schijnt de 7 mijls grens door Amerika ingevoerd te zijn, doch dit heeft nog geen internationale navolging gevonden.
Theewater.
dat is weer een van die eigenaardige marineuitdrukkingen, waarvan men probeeren moet, niet zonder gevaar om er glad naast te zijn, om den oorsprong te achterhalen. Zeker is, dat theewater met theewater niets te maken heeft, doch dat het betrekking heeft op het avondeten aan de bakken, bestaande uit brood, koffie en toespijs.
Oorspronkelijk echter werd er wel theewater verstrekt, althans in een rapport van den Kapt. luit. ter zee 1. F. D. Bouricius aan boord van Zr. Ms. fregat „Jason werd in 1846 geschreven : „Het warme of laauwe alias theewater, dat des avonds verstrekt wordt, dient voor de meesten tot niets anders dan tot weeken van brood".
Echt theewater zal het wel niet geweest zijn want, zoo wordt verder opgemerkt : „zij, die gelegenheid hebben gevonden, hun rantsoen kaas te verruilen, hebben zich wat koffie of thee weten aan te schaffen en genieten daardoor eene weelde, die door anderen gederfd wordt.
Doch eenmaal in zee, houdt dat ook op, want, zoowel de uitleg van geld, als de bergplaats, belet eenigen voorraad in te slaan". Een oude uitdrukking, die nog gebruikt wordt, is : „Een mandje met theewater krijgen" : een pakje met versnaperingen van thuis toegezonden krijgen.
Tjetten.
Tjetten is schilderen, niet in de beteekenis van op schildwacht staan, want van dit schilderen spreekt men bij de marine nooit, zooals men ook nooit „schilderhuisje", doch schildwachthuisje zegt. Het hier bedoelde schilderen is verven : tjetten zegt men bij de marine; verbasterd van het maleische ngetjêt.
Toebloks.
Is dit Nederlandsch of Engelsch ? De eerste lezing is, dat het ontleend zou zijn aan het Engelsche two blocs d.w.z. twee blokken. Neen, zegt de andere lezing, en wij onderschrijven deze, omdat ze met de marineterminologie veel beter overeenstemt : toebloks komt van toehalen van twee blokken. Als we aan een takel trekken, halen we zoolang aan de talie totdat de blokken geheel naar elkaar toegehaald zijn.
Toekang Plak.
Toekang Plak, Sinds te Soerabaia de marinehaven is gemoderniseerd, er een prachtige torpedohaven gekomen is en men van kruiser- of Javakade e.d. spreekt, begint Toekang Plak minder beteekenis te krijgen. Toch zal elke marineman de aanlegplaats voor alle sloepen en de seinmast voor communicatie met de ter reede liggende oorlogsschepen zich herinneren en blijven herinneren, d.i. Toekang Plak aan den Oedjong.
Vroeger was het er wat rommelig en stonden er wat boomen als een verdwaald bosschage. Het was er niet zonder gevaar voor de oedjongtijgers (een niet nader te noemen soort inlandsche vrouwen ), zeker niet als men wat lang moest wachten voor de sloepen van boord kwamen om de passagiers van den wal te halen. Maar dan was er de toekang plak nog (en daaraan ontleende deze aanlegsteiger zijn naam), die je met een tambangan of prahoe (prauw) als overzetbootje voor een plak (2 centstuk) per persoon naar boord bracht,
Torpedistenbloed.
Het is minder griezelig dan het woord doet vermoeden. Bovendien wordt dit woord weinig gebruikt en spreekt men, of juister sprak men van een „torpedistenbakkie" als men een sterke kop koffie voor het wachtsvolk gereed maakte. Eigenlijk zit dit zóó. De torpedodienst was, in de jaren 1890-1912, hoofdzakelijk een dienst met klein materiaal aan torpedobooten, aanvankelijk spar-, later visch-torpedobooten.
Er werd veel zeemanschap vereischt van de opvarenden en men had inplaats van kwartiermeesters, bootslieden en schippers, overeenkomstige rangen van torpedisten, die speciaal voor den torpedodienst waren aangewezen. Er werd ander de torpedisten veel en sterke koffie gedronken om bestand te zijn tegen het ruwe zeemanswerk.
Hun speciale logementschepen, de „Varnix" en de „Koningin Emma" (deze laatste werd later Wachtschip en ligt nu nog in Den Helder) werden daarom koffieschepen genoemd. Nergens bij de marine dronk men zoo'n torpedistenbakkie koffie als aan boord van hun schepen; „je kreeg er torpedistenbloed van".
Uitdeketting.
Deze roep of waarschuwing wordt gehoord als men het anker laat vallen, maar wordt ook gebruikt als plaatsvervangende naam om er den matroos mee aan te spreken, zooals dit ook met Vandersteng het geval is. Tot den leek spreekt de naam Vandersteng meer en beter dan Uitdeketting. Nietwaar ? het zwierige terrein van den bevaren matroos in het topje van den mast — de steng !
Met Uitdeketting zit het geval anders. Er was en is nog een tekort aan personeel aan boord. Zeker, volgens de rollen zijn alle noodzakelijke plaatsen aan boord in tijd van actie bezet. Doch dat is het beroemde „uiterste minimum". Er zijn ook in gewone omstandigheden aan boord herhaaldelijk momenten, dat voor een gegeven werk geen mannetjes beschikbaar zijn.
Dan is het de schipper, die zorgen moet, dat de zaak toch marcheert. Als er dan betoel betoel nergens meer een mannetje te krijgen is, moet de schipper verzuchten : „Ik kan ze toch ook niet uit de ketting halen !" Want... en dit is de oplossing van het verhaal : de schalmen van een ankerketting hebben in het midden een dwarsbalk. Deze dwarsbalk heet : mannetje, het onmisbare maar tevens onbereikbare mannetje uitdeketting.
Uit de kinken blijven.
In de zeiltijd was dit reeds een ernstige waarschuwing, omdat een kink in den kabel moeilijkheden geven kon. Van meer beteekenis is deze uitdrukking geworden, sinds aan boord stalen trossen gebruikt worden, die op een trossenrol opgewonden moeten worden als ze hun dienst bij het meren hebben gedaan.
De stalen trossen zijn vanwege de vele en onhandelbare kinken die er in komen, niet alleen lastig, doch ook gevaarlijk, omdat in de kinken dikwijls metalen draden gebroken zijn die met venijnige scherpte de handen openhalen.
Uiterst vermogen.
In tijd van actie, bij oproep om hulp e.d., zal het schip meer voortgang moeten maken dan volle kracht. Vooral bij een achtervolging, of als men achtervolgd wordt, moet de uiterste krachtsinspanning aangewend worden. Dan gaat het bevel naar de machinekamer : „Uiterst vermogen !"
Figuurlijk wordt het ook wel in verband gebracht met de uitdrukking : „over de rooie streep" en „stoomen". Over de roode streep (op den manometer) gaan, beduidt dat er te hooge spanning is. Van iemand, die over .de roode streep gaat, bedoelt men te zeggen, dat hij zich te veel inspant of erg kwaad is. Hij stoomt te hard; hij maakt zich te druk. Die man loopt op uiterst vermogen; aan den wal zou men zeggen : hij loopt z'n eigen voorbij.
Uitluisteren.
Elk Nederlander luistert ergens naar, doch de marineman luistert uit. De provoost waarschuwt als hij iets aan het verzamelde baksvolk te zeggen heeft : „Luister uit !"; de schipper, de officier van divisie, kortom allen die iets mede te deelen hebben, kondigen dit aan met : ,,luister uit".
Waarschijnlijk heeft men deze uitdrukking gebruikt, omdat de uitkijk niet alleen moet uitkijken, doch ook uitluisteren. Maar, zooals elders werd opgemerkt, moet men niet probeeren den zin van alle marinetermen te achterhalen. Want waarom zegt men bij de marine „ontledigen voor het leeg maken van gevulde granaten en „schadeloos voor een zwaar beschadigd schip ? Omdat dit oud-Nederlandsch is (zie b.v. den Statenbijbel : Christus heeft zichzelve — als God — ontledigd en is een dienstknecht gelijk geworden).
Uitmonstering.
Onderscheidingsteeken, waaraan men kan zien tot welk dienstvak een marineman behoort. Bij de marine is niet elke man, die een matrozenuniform draagt, matroos.
Er zijn tal van dienstvakken, zooals stokers, torpedomakers, vliegtuigmakers, monteurs, konstabels, geschutmakers, machinisten, seiners, timmerlieden, telegrafisten, gezwegen nog van de baantjesgasten. Zij, die in den stand van matroos, of daarmede gelijk gesteld zijn (uitgezonderd de mariniers) dragen ook de matrozen-uniform.
Dat is ook het geval bij hen, die in overeenkomstigen rang van kwartiermeester (dus de korporaals) geplaatst zijn; hoewel de korporaals bij de marine tot de onder-officieren gerekend worden, doch in het volksverblijf gehuisvest zijn. Aan de uitmonstering op de linkerbovenmouw kan men bij den marineman beneden den rang van officier zien, tot welk dienstvak iemand behoort.
Elk dienstvak heeft een onderscheidingsteeken, met uitzondering van die van kok en hofmeester. De officieren van administratie en de schrijvers zijn te herkennen aan hun witte uitmonstering.
Bij de officieren heeft men niet zoo'n groote verscheidenheid van. „dienstvakken-. Drie zijn er, nl, de officieren van den marinestoomvaartdienst, de officieren-vlieger en de officieren van gezondheid, die op de pet en kraag van de jas resp. een toorts met twee gekruiste pijlen met kroon, een motor met propeller met kroon en een esculaapsstaf met kroon dragen.
De rangonderscheidingen vindt men bij alle gegradueerden op de beide benedenmouwen. Voor de officieren gouden galons, voor de onder-officieren met den rang van sergt. en majoor gouden chevrons (de adjudanten en opperschippers geel zijden koordje) en de korporaals geel kemeisgaren chevrons. Er zijn nog enkele andere aanduidingen, zooals op boernoe, mantel, cape of (voor Indië) witte kleeding en de werkkleeding, doch dit alles is bijzaak.
wordt vervolgd..
pijltje links pijltje rechts

Geen opmerkingen :