maandag 2 december 2013

Marine Gewoonten en Gebruiken 82-83

Marine gewoonten en gebruiken
Er is voor en na den Franschen tijd veel van deze zeemansvroomheid weggevaagd, maar de godsdienstige tradities bleven in meer of mindere mate gehandhaafd, afhankelijk van de inzichten der commandanten of den aandrang van het scheepsvolk. De scheepsbijbel is vrijwel door alle eeuwen heen aan boord geweest, doch niet altijd waren er „bedienaren van het Woord" aan boord.
Trouwens, dat was ook niet altijd het geval in den tijd van De Ruyter en Tromp. Toen De Ruyter in 1673 tot luitenant-admiraalgeneraal was verheven en hij in de Staten-Generaal verslag kwam uitbrengen over den toestand van de vloot, lief hij dit verslag vergezeld gaan van twee verzoeken. Een van deze verzoeken was van persoonlijken aard. Het tweede verzoek betrof de godsdienstige verzorging van zijn scheepsvolk. Hij verlangde en verkreeg, dat hem een bekwaam predikant „tot stichting van zijn scheepsvolk mogt worden toegevoegd".
De godsdienst aan boord moest uiteraard „algemeen" worden beleefd. Het scheepsvolk kwam uit alle lagen der bevolking, waar verschil in religie scherper omlijnd kon worden. In de enge ruimte van het oorlogsschip was dit onmogelijk. Scherpslijpers houden het bij de marine nooit lang vol. Treffend juist in dit verband is de Zeemansbede, waarvan het laatste gedeelte luidt :
„Wanneer ik naast zooveel, dat Uwe hand ons schonk,
Bij zooveel harmonie in 't geen Gij hebt gewrocht,
Bij zooveel overvloed nog iets te vragen heb,
Dan is het: neem toch weg, die scheiding in 't gelooven

En leer ons liever loven,
Zooals Gij ons lieft daarboven.
'k Herhaal die vraag U biddend, Heer; och! willig Gij ze in,
Let niet op wie of wat ik ben;
Mijn ziel toch, Heer, is mensch'lijk en van natuur,
Mijn menschlijk hart zegt mij, Gij hebt geen christenen gemaakt
Maar uit het stof slechts „menschen- , Heer, [en Joden],
Afkomstig allen van dezelfde plaats,
Bestemd ook, dáár weer heên te gaan, Amen.
Ik vond deze bede vermeld in een gefingeerd verslag van de kerkdienst aan .boord van Hr. Ms. fregat „Willem de Zwijger" op Zondag 4 September 1898 ter reede van Kaapstad. Te 10 uur op den voormiddag gaven eenige langzame tikken op de scheepsklok het sein, dat kerk zal worden gehouden, terwijl de kerkwimpel werd geheschen.
Officieren en verder de geheele equipage, verzamelden zich op het dek, terwijl het eerste gelui enkele oogenblikken later, op bevel van den officier van de wacht, werd gevolgd door het tweede en de commandant order gaf voor het derde gelui.
Nauwelijks was dat gedaan of de officier van administratie van Meezenbroek trad in het midden en hield een schoone toespraak, waarin hij tot zijn onderwerp gekozen had : „En van deze is de liefde de meeste".
Deze traditie van godsdienstoefeningen aan boord werd op de schepen onzer marine steeds gehandhaafd, al moet worden opgemerkt, dat dit niet altijd gebeurde, wanneer het schip in een haven of ter reede lag als communicatie met den wal mogelijk was.
In zee echter, als de weersgesteldheid het toeliet, werd en wordt aan boord op Zondag nog altijd deze kerkdienst gehandhaafd. Soms werd in volle zee alleen aan den vorm voldaan en Zondagsmorgens door den schipper geinformeerd of er kerkliefhebbers waren. Was er weinig animo, dan werd er geen kerk gehouden.
De commandant gaf de weinigen de gelegenheid met de opmerking : „Geef ze een bijbel en zet ze op een rustig plekje in het benedenschip". Bij een anderen commandant werd op baksgewijs medegedeeld, dat er kerk gehouden zou worden in het benedenschip en dat zij, die niet naar de kerk gingen, zoolang „op de plaats rust" in het gelid moesten blijven staan, zonder te spreken, om hinderlijk geloop aan dek en lawaai door praten tijdens den dienst te voorkomen !
blz 82 - 83. wordt vervolgd..

Geen opmerkingen :