woensdag 23 oktober 2013

Marine Gewoonten en Gebruiken 18-19

Marine gewoonten en gebruiken
De verplichting tot het brengen van een saluut aan de vlag bestond reeds ten tijde van Karel V, die in een Ordonnantie op de Zeevaart in 1549 bepaalde : „dat voortaan niemandt van onze ondersaten, ter zeevaert zynde, en eenige andere schepen aldaer ontmoetende, of oock in eenige havene komende, of voorbij kasteelen, bolwercken of vaste plaetsen varende, onze vriende en geallieerden toebehoorende en sal mogen het principael vaenken van onse wapenen, op het schip wesende, uyt zyner plaetsen weeren of afnemen, maer sal wel mogen doen teeckenen van saluatie en vriendschap, met de wapenen van de quartiere of stede van daer het schip toebehoort, of met den top zeyle of focke 't samen of besonder, also het heur best duncken sal".
Het begrip vlag en het brengen van eerbetoon is reeds tot de middeleeuwen terug te brengen blijkens het feit, dat Jan Zonderland (1199-1216) en Eduard I (1272-1307), rechten van eerbetoon voor hun vlaggen ter zee opeischten. Trouwens, daar weten zij van mee te praten, door de voortreffelijke houding van Maarten Tromp op 28 Mei 1652 tegenover Blake, hetgeen de directe aanleiding werd tot den Eersten Engelschen oorlog.
Terwijl de bemanning aan dek staat aangetreden, de commandant en de eerste-officier daarvan gerapporteerd zijn, klinkt het signaal „jongens bij de vlag". Twee man betreden de campagne om de vlag aan te slaan, gereed om straks te hijschen. Op den bak is de geus in gereedheid gebracht, want omdat onderscheidingen zullen worden uitgereikt, zal de geus op den bak gedurende deze plechtigheid worden geheschen. Op het seindek houdt nu de seiner van de wacht het sein gereed (de drie vlaggen J.S.Y.), dat straks getoond wordt aan de in de haven of op de ree liggende schepen. Als de commandant aan dek komt, klinkt het commando : „geeft acht" en wordt snel het sein van de brug aan den seinwipper geheschen.
Onmiddellijk daarop hoort men op de in de haven en op de ree liggende schepen den kreet : „sein op wachtschip" en wordt daar het contra-sein, een korte wimpel van rood-wit-rood-wit-rood staande banen geheschen, dat bier naar het half dek wordt doorgepraaid met den roep : „Contra-sein Overall !" Direct daarop volgt het commando : „Geeft acht, stilte aan dek, front maken naar de viag". In gewone omstandigheden laat iedereen „leggen wat leit", maakt front naar het achterschip en neemt de houding aan.
Maar vandaag staat de geheele bemanning aan dek aangetreden en reeds in de houding. Alleen de officieren en de onderofficieren van de divisie, die niet aangetreden staan, maken front naar de vlag en brengen straks bij het vlaghijschen den militairen groet. Snel volgen nu de commando's : „Sein neer, vlag en geus hijschen, glazen slaan". Aan boord van de schepen, waar men het neerhalen van het sein heeft waargenomen en daarom het contrasein met een ruk omlaag haalt, klinkt wederom een schreeuw : „Sein neer ! Wachtschip !" en overal hoort men de commando's „vlag hijschen", worden glazen geslagen, klinkt de vaandelmarsch van den tamboer op den hoorn en brengen alien, die zich aan dek of in de nabijheid op den wal tusschen de meerpalen bevinden, den militairen groet, terwijl statig gelijkmatig de vaderlandsche driekleur wordt geheschen.
Geen sterveling verroert zich tijdens dit ceremonieel; men blijft in de houding staan totdat de vlaggelijn belegd is. Zoodra de vlag voorgeheschen en de vaandelmarsch geëindigd is, worden op de andere schepen de rapporten door den commandant behandeld. Zijn de rapporten behandeld, dan klinkt het signaal „aftrap", waarop iedereen doorgaat met zijn taak. Zoo voltrekken zich diezelfde ceremoniën elken dag en overal ter wereld waar de marine zich vertoont of een taak te vervullen heeft. En zoolang de marine vaart zal dit eerbetoon aan de vaderlandsche vlag, aan boord van alle schepen gebracht worden.
Doch aan boord van het schip, waarop ik „verdekt opgesteld, zonder hinderlijk te zijn" mij bevind, klinkt onmiddellijk na den vaandelmarsch het fluitje van den schipper, langgerekt en hoog sjilpend, gevolgd door den kort aangebonden kreet : „alle hens voor den boeg".
blz 18 - 19. wordt vervolgd..

Geen opmerkingen :