vrijdag 18 oktober 2013

Marine Gewoonten en Gebruiken 10-11

Marine gewoonten en gebruiken
„Goeden morgen", zei ik, „Goeden morgen", antwoordde Vandersteng. „Waar heb je die buit gemaakt ?" vroeg ik hem, met m'n hoofd 'n knik makende naar den bengelenden haaientand. Vandersteng keek langs z'n baadje naar de medailles. „Neen-, zei ik, „ik bedoel die haaientand". Meteen greep ik er naar, liet dezen speelsch belangstellend tusschen m'n vingers glijden en keek Vandersteng vragend aan. Hij trok z'n wenkbrauwen samen. Ik begreep er uit, dat deze attentie hem minder aangenaam was. Misschien vond hij het vervelend, dat ik mijn belangstelling concentreerde op dat baadjeskettinkje en dien haaientand, omdat ze feitelijk aan de uniform niet mogen worden gedragen. Maar waarom zou ik hem daarover kapittelen ?
Het kwam niet in me op; die haaientand interesseerde me ! Het leek me ijselijk aardig iets van zoo'n haaienvangst to hooren vertellen; hoe ze aan boord zoo'n gevaarlijken veelvraat vangen en het spartelende en met den staart slingerende en slaande haaienbeest binnenboord brengen, stroopen, in mooten snijden en weer buitenboord gooien met een variant op het bijbelwoord: „Haai zijt ge en tot haai zult ge wederkeeren", omdat de resten van het haaienbeest gewoonlijk door de om het schip zwervende haaien met groote slokken worden opgevreten. „Is het waar", vroeg ik, „dat ze den staart van een gevangen haai aan boord aan den geusstok spijkeren ?” Vandersteng knikte en zweeg.„ . . .
En dat de huid gedroogd gebruikt wordt inplaats van schuurpapier ?" „Jawel-, zei Vandersteng. De kortheid van dit antwoord ontging me niet. Als Vandersteng bevreesd was, dat ik hem met dit buitenmodel aanhangsel van zijn uniform zou lastig vallen, dan zou ik hem toonen dat daarvoor geen enkele reden was. Dus vroeg ik hem vriendelijk en belangstellend :
„Ik heb wel eens gehoord dat ze de knokige ruggegraat van een haai uitkoken en aaneenrijgen tot een exotischen wandelstok. Is dat zoo ?" Vandersteng knikte, maar z'n gezicht stond strak en z'n wenkbrauwen zochten elkaar nog steeds. „Interessant", zei ik. „En. . . die tanden . . . ik bedoel zoo'n haaientand; als je die bij je draagt... is 't waar, dat zoo'n haaientand geluk aanbrengt ?" „Onzin !" bromde Vandersteng.
„Ik heb 't wel eens hooren zeggen", verontschuldigde ik me. „In elk geval kan deze haaientand jou geen ongeluk meer aanbrengen". Ik lachte om dit zelfgemaakte grapje. Maar Vandersteng bleef gesloten. „Je bent niet bepaald in een feestelijke stemming, terwijl je er toch feestelijk genoeg uit ziet om een vroolijk gezicht te kunnen toonen", merkte ik op. „Is er iets bijzonders te doen vandaag ?" „Met vlaggeparade is 't alle hens en groot tenue". „Zoo, zoo", deed ik geinteresseerd. „Waarvoor ?" „Uitreiking onderscheidingen". Vandersteng zei het met nadruk.
„Onderscheidingen ?" „Ja", zei Vandersteng. „Onderscheidingen en geen haaientanden". Meteen maakte hij rechtsomkeert en wilde heengaan. 1k greep naar hem om hem tegen te houden, doch door zijn keerende beweging hield ik den linkerkant van z'n baadje vast en rinkelden de medailles tegen elkaar. „O", zei ik en liet los. Want meteen begreep ik, dat ik een groote stommiteit begaan had door Vandersteng te vragen naar bijzonderheden over een haaientand en te zwijgen, ja zelfs geen aandacht te schenken aan de in den strijd en door trouwen dienst verworven medailles. Zou hij daarover het land hebben? Kinderachtig. Was het eigenlijk wel kinderachtig ? Ik zelf heb geen medailles; ik heb me ook nooit onderscheiden van den gemiddelden vaderlander, behoudens dan mijn lidmaatschap van een tiental vereenigingen.
steng1

blz 10 - 11. wordt vervolgd..

Geen opmerkingen :