woensdag 3 juli 2013

Schetsen en Humor 123

hoofdstuk 4- Marineschetsen van 1900 tot den Mei-oorlog 1940.
We konden beneden nooit zien van wat er buiten gebeurde. Alleen de commandant had zicht, hetzij door de periscoop, hetzij door de patrijspoort ! van nog geen decimeter die zich in het commandotorentje bevond. Maar wij hadden een zesde zintuig gekregen in ons evenwichtsgevoel en in den tijd van ,beginnen".
„Waar zijn we zoowat ?"
„We kunnen nog niet ver de hoek om zijn want vriend de B. is nog maar net ,begonnen". Vriend de B. was altijd de eerste die ,begon". Arme kerel. Een doodelijke bleekheid op zijn gezicht, transpiratie, hoofdpijn en... een greep naar het emmertje. Wat zal ons lot vandaag zijn ?
Het wordt erger jongens; we moeten zoowat de vuurtoren te pakken hebben. Wat gaat die schuit te keer ... Waar blijft B. toch vandaag ? Er was al eenige malen naar B. gekeken. Die was altijd nummer twee ! Zou die...? Maar neen, de statistiek bleek zuiver te zijn want dan greep ook B. naar ,,zijn" emmertje. De rest had geen eigen nummer en ook geen eigen emmertje, bracht zijn offer al naar het uitkwam en daar waar men zich toevallig bevond.
En toch leerden de meesten het of en werden immuun voor zeeziekte. In het derde jaar van de onderzeedienst hadden we overste Houwing als gast aan boord. Toen het ,,zoover" was, keek de overste zoekend om zich heen en voorkomend werd hem een ongebruikt emmertje ter hand gesteld... hetgeen van pas kwam. „Dat is me in mijn langen diensttijd nog nooit overkomen. Heb jij daar nu geen last van, monteur ?" — ,Niet méér, tenminste, overste."
Het duiken bracht altijd verademing en opluchting, ook al was dit laatste niet altijd letterlijk op te vatten. jonge, nee... integendeel ! Want bij de reeds aanwezige ,geuren" van hetgeen rijkelijk in de emmertjes gedeponeerd werd, voegden zich nog de uitwaseming van de tot rust gekomen gasoline-machine en de lucht uit die tanks welke hun uitlaat in de boot hadden inplaats van buitenboord.
Maar wat kan men al niet hebben als men jong is. De opluchting bestond in het simpele feit dat eenmaal onder water, de boot nagenoeg ophield met slingeren en wij, met zes meter bewogen zee boven ons, de illusie hadden van te varen op het IJ te Amsterdam.
Maar voor het zoover was, moesten wij op de gestopte boot nog allerlei evenwichtstoeren maken, die zelfs de allerlaatst overgeblevenen tot wanhoop brachten.
De gasolinemachine was dus gestopt en de electro-motor voor het manoeuvreeren gereed gemaakt. Dat waren trouwens twee handelingen die automatisch na elkaar plaats grepen, want omdat de ,,machine" alleen maar vooruit kon draaien, werd altijd, ook zonder order, de motor gereed gehouden als de machine stopte.
Het duikroer stond nog op ,rijzen". Dan werd „gereed gemaakt voor-duiken", d.w.z. alle luchtkokers werden ingehaald, de plaatsen waar zij gestaan hadden dichtgeschroefd; het hekwerk binnen boord gebracht en alles wat dicht moest zijn geïnspecteerd. Ieder had en kende zijn eigen taak. Maar er is niets menschelijker dan sleur, en ook niets gevaarlijker.
Sleur kon de oorzaak zijn, dat er op een of anderen keer iets vergeten zou worden met alle noodlottige gevolgen van dien... Om hieraan te ontkomen, werd elke voorziening op het rijtje of door den zich in de toren bevindende commandant nagevraagd en dit door den uitvoerder beantwoord.
,,Is het voorluik gegrendeld ?"
„Voorluik gegrendeld, commandant."
,,Is de muffler (uitlaat van de machine) gesloten ?"
,,Muffler gesloten, commandant."
Ik herinner me niet, dat ook maar een enkelen keer een vraag met „nog niet" beantwoord werd. Dan sloot de commandant het torenluik en werd de laatste verbinding met de buitenlucht (werkelijk : de lucht van buiten) verbroken. Wij konden nu alleen de in de boot aanwezige lucht inademen.
,,Hoofdballasttank vullen," riep dan de commandant en dan richtten zich verscheidene oogen, ook de halfgebrokene van de zeezieken, zich op de klok. De monteur moest dat tijdstip aanteekenen, zulks om precies te weten, hoeveel ampere-uren de accubatterij had afgegeven, dus die keek van zelf op de klok.
Maar de rest...? Wel, op dat oogenblik begon onze „onderwatertoelage" te tellen... en ja, wat wil men ? Een mensch is maar een mensch, ook al is hij zoo zeeziek als een hond.
Men krijgt geen water in een ruimte waar al lucht is, dus die moest er eerst uit. Op elke tank was een waterinlaat en een luchtuitlaat. Deze laatste heette ,,vent". Het woord was overgenomen van den Amerikaanschen instructeur mr. Hay (Eng. Vent — luchtgat) en is naar ik meen nog op onze onderzeebooten in gebruik.
Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :