dinsdag 2 juli 2013

Schetsen en Humor 121

hoofdstuk 4- Marineschetsen van 1900 tot den Mei-oorlog 1940.
Maar om op Kootker terug te komen, die als Sam Blok marineschetsen schreef : hij kwam in 1901 bij de marine, op 16-jarigen leeftijd, afkomstig van de ambachtsschool te Amsterdam. Met 7 collega's, 6 Amsterdammers en een Nijmegenaar, vormden zij de op 1 October 1901 ingestelde opleiding voor geweermaker-monteur, later gesplitst in een opleiding voor geweermakers en deze weer hervormd in geschutmakers, en een opleiding voor monteurs, waarvoor te Amsterdam, tegenover de Zeevaartschool aan de Prins Hendrikkade de Marinemonteursschool werd gebouwd. Doch toen was het alweer eenige jaren verder.
Met deze categorie vaklieden bij de marine en daarbij de stokers, later machinedrijvers en thans machinisten genoemd, de torpedomakers, vliegtuigmakers e.d. technische vaklieden, kreeg de marine met de verbeterde editie van den matroos een geheel ander aanzien.
Ik heb als matroos de oudste rechten bij de marine," zei Vandersteng, ,maar ik aarzel niet te zeggen, dat het percentage vaklieden, technische marinemannen dus, dat der matrozen verre overtreft. Met Kootker en zijn collega's kwamen de eerste heeren voor den mast.
Uit hen groeiden bekwame leeraren voor ambachtsscholen, een hunner bracht het — na alle rangen bij de marine te hebben doorloopen, in 1931 tot officier-monteur bij de marine en Kootker verliet in 1911 de marine — hij was toen sergeant-monteur — om, zich op te werken tot hoofdopzichter bij de electriciteitsafdeeling van het marine-etablissement te Soerabaja, vanwaar hij in Augustus 1931 als gepensionneerd Oost-Ind. ambtenaar in Holland terugkeerde.
Van zijn in dienst komen schreef hij in een van zijn vele schetsen : „Het kleeden ging nog volgens het vooral aan miliciens welbekende recept : je mag je schoenen passen en je jekker; de rest moet pas zijn, zoo niet, dan groei je er wel in of uit... Men sprak er een eigen taaltje. Daarmee bedoel ik natuurlijk niet enkele krachttermen; die waren aan den wal ook wel te hooren; neen, ik bedoel de gewone voertaal.
Tijdens het foliëeren van onze plunje, voor welk karwei enkele matrozen waren aangewezen, vertelde er een zonder blikken of blozen : „Ik bracht in '94 de ,,Wilhelmina" naar de Oost". Niemand toonde eenige verwondering of bewondering, maar wij staarden vol ontzag den spreker aan. — Dat is zeker een kap'tein, zou het niet ? — Zal wel zoo zijn, ofschoon hij nog erg jong is.
„En ik heb de tweede Van Galen gehad," zei een andere matroos. „Was daar koorts bij ?" waagde een onzer. „Monteur, je moet me niet belazeren, want al komen jullie nou met een boordje om aan boord, je moet evengoed nog een hoop leeren."
Ja, dat was ons óók duidelijk !
„Nou, toen ik zes weken geleden proefstoomde met de ,,Regentes".....
Dat was een mannetje. Dat moest vast een ingenieur of zoo iets zijn. ,Henk," riep ik een collega toe, „die eene daar heeft geproefstoomd met de ,,Regentes", wat een reuze geleerdheid moet daar zitten onder die menschen, en nu zijn ze bezig met onze stamboeknummers te merken in onze zakdoeken."
Met Kootker en z'n collega's was het intellect ook tot de bakstafels doorgedrongen.
De technische ontwikkeling bij de marine sprak omstreeks 1905 het sterkst tot de verbeelding en in de toekomstdroomen van den modernen marineman, met den eersten Nederlandschen onderzeeboot, die met Amerikaansche licentie, van de ,,Holland Electric Boat Company" te New York bij de Mij. „De Schelde" te Vlissingen gebouwd, op 3 Dec. 1905 gereed was.
Maar omdat de Amerikaansche technici de Noordzee wat al te hobbelig en te gevaarlijk vonden, gingen onze eigen menschen proefstoomen met deze onderzeeboot en slaagden. Tot de eerste bemanning van 10 personen behoorde ook Kootker.
Terwijl vrijwel alle schrijvers van marineschetsen nog met den zeiltijd en de oude marine glorieeren, zit Sam Blok te zelfder tijd met z'n herinneringen in de vernuftigste schepen van de 20ste eeuw, de onderzeeboot :
„Ons bootje telde, van boeg tot hek, precies twintig meter. Stond je binnen in de boot, dan zag je, als je naar voren keek, de punt en als je je omdraaide, natuurlijk vanuit diezelfde plaats, het binnenste van het achterschip. Volgens bladzijde zóóveel van het ,,Handboek der Logica" word alles wat daartusschen lag, ook waargenomen. En aldus leerden wij met z'n tienen elkaar kennen.
-Mannen, we treffen het : Zuidoostenwindje vandaag". We lagen klaar om uit te varen en kenden het stukje galgenhumor al : „Nee ... nou ik het nog eens bekijk, het is toch Zuidwest!" De wind was dan natuurlijk Zuidwest. Stijve bries, windkracht 8. Gaat nogal... Wacht u maar even...
Wordt vervolgd..

Geen opmerkingen :