maandag 24 juni 2013

Schetsen en Humor 107

hoofdstuk 4- Marineschetsen van 1900 tot den Mei-oorlog 1940.
„Het leven achteruit was een van geven en nemen,” zegt Mollema, „een groote oefening in levenskunst, waarin sommigen het enorm ver brachten, anderen deerniswekkend faalden." Is dat een speciaal marine geval ? Is het heele leven niet een groote oefening om je er door heen te slaan ? Eerlijk hoor, ik heb ook wel eens moeilijkheden met mijn maats gehad, misschien ook wel zelf veroorzaakt ! ,,Maar er zijn zooveel tegenstellingen, groeps en individueele controversen," schrijft Mollema. Ja ... dan moet je een eenmansbootje zien te krijgen.
Van Everdingen, als propagandist voor een groep van in het marxistisch socialisme bevangen schepelingen, kon het er dik opleggen, maar Mollema deed niet anders, zij het dan in zijn boeken.
Ik heb gestaan in de practijk, aan boord tusschen mijn maats en later aan den wal, 25 jaar lang... als ik daar nog eens een boekje van open doe...! Maar vandaag citeer ik Mollema nog eens....
,,Smoezen !" schrijft hij, „het volk smoesde immer, dat stak Willem het meest ! Het was uit den aard der zaak een bijna ondoenlijke taak om zonder deugdelijke middelen driehonderd man dag in, dag uit nuttig bezig en de oefeningen boeiend te houden, doch een greintje waardeering voor de individueele moeite, welke verschillende officieren zich gaven, een beetje inzicht in de belemmerende factoren, miste Willem ten eenenmale in de minderen.
Zij smoesden bij de uitvoering van alle orders, zij hadden steeds te klagen over de normale bezwaren van het zeemansvak... en die klachten klonken zoo gelijkluidend, dat het wel niet anders kon, of zij waren bij afspraak geformuleerd.
Willem bemerkte die solidariteit het sterkst, toen hij dienstdoend in het benedenschip, het middagschaften bijwoonde en bak na bak de met appetijt gevoerde lepels neerlegde.
Er was rats opgeschaft, goede vette rats met een stuk malsch rundvleesch erin, godeneten voor sterke zeemansmagen. De baksmeester van bak 3, juist die intelligente beschaafde matroos, proefde, ostentatief hoofdschuddend de spijs, hij gaf het sein de lepels neer te leggen, en zocht zoo dwingend met zijn oogen den onervaren adelborst, dat deze spontaan naar den bak liep en vroeg of er iets loos was.
Een domme vraag, zij gaf den slimmen bondspropagandist het recht — neen den plicht als je blieft — te antwoorden. „'t Is maar meneer,” zei hij, ,dat de mannen de rats zuur vinden !" Willems spontane reactie : ,,Maar Gysen, de commandant heeft het proefbord toch goedgekeurd en zoo even heb ik met smaak twee borden vol gegeten !" werd door den matroos met gekunstelde verbazing aangehoord, door de bakken met gemompel en hier en daar onderdrukt lachen.
Gysen zei slechts : ,,Proeft u zelf maar, meneer !" Willem proefde nauwkeurig een lepel vol en zei, braaf geërgerd : ,,Die rats is puik !" En toen maakte hij een tweede fout, de onnoozele, die geen weet van den klassenstrijd had. Hij vervolgde : jullie mocht willen, dat je thuis zulke rats kreeg, zoo vet, zoo rijk, zoo smeuig !"
Hij bedoelde met ,,thuis" zoowel de nederige matrozenwoning als het eigen, ouderlijk huis, want goede rats en snert danken hun kwaliteit aan de bereiding in het groot.
Maar Gysen had hem te pakken ! ,,Meneer," merkte hij met zuurzoete stem, oogenschijnlijk nederig, maar met voor zijn collega's merkbare, ternauwernood ingehouden verontwaardiging op : ,,Bij ons soort menschen eten wij „alles ampart", onze vrouwen geven zich de moeite, de aardappelen en de groente en het schimmetje spek, dat er op ons tractementje overschiet, ampart klaar te maken, maar als dat aan boord dan niet kan, dan behoeft de rats toch niet zuur te zijn. . . 't is dat u het zelf vroeg, anders zou ik er het zwijgen wel toe hebben gedaan !"
Een aanzwellend gemompel van applaus beloonde den edelen strijder voor lotsverbetering. Willem verbleekte even, hij zag oogen vol redelooze haat op zich gericht, die hem, den voor zijn menschen zoo warm voelende, troffen als dolken in het hart...
Willem rapporteerde het geval aan den chef zijner divisie, den propagandist van de onfeilbare marine. „Razend stom van je,- mopperde de eerste klas, ,,om uit jezelf naar den ploert te gaan en er zijn vrouw bij te halen; thuis slaat hij die babbelkous op haar ziel, als zij het eten heeft laten aanbranden, je moet ze kennen...”
De kolonel lachte om de zaak. ,,Giisen is vrijgezel," zei hij, „hij kan je bezwaarlijk een kwaad hart toedragen wegens krenking van zijn eega, maar een verduiveld handige kerel is hij. Let eens op, die vent wordt nog eens kamerlid en minister van marine onder Troelstra.
Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :