zaterdag 22 juni 2013

Schetsen en Humor 105

hoofdstuk 4- Marineschetsen van 1900 tot den Mei-oorlog 1940.
„Houd je brutalen mond dicht, je bent een praatjesmaker” — roept nu ontstemd de jonge officier. ,,Ik zeg dat je hebt geslapen en al is het niet zoo, als ik het zeg, dan is het toch zoo, versta je !"...
De toegeschreeuwde matroos mompelt nog iets van : ,,Jawel, dat zou wel aardig zijn, maar d'r zijn nog rechters in Berlijn". . . toen een eind aan de woordenwisseling werd gemaakt door des officiers bedreiging : ,,houd nu direct je mond dicht of ik zet je in arrest."
Toen was 't uit.
Om half acht wordt er voorrapport gehouden door de officieren van de divisies. „Geslapen als beurtgast in de sloep op stroom," aldus vangt de „rechter-commissaris" aan en hij laat er, den delinquent ironiek aanglurend, direct op volgen : ,,Zeker niet waar, hé ?"
De beklaagde antwoordt : -Wat zal ik u zeggen, mijnheer, de adelborst heeft dat tenminste gezegd — en als een officier iets zegt, dan schijnt dat niet tegengesproken te mogen worden."
„Wil jij je brutale mond wel eens houden," strengt de rapportonderzoeker den beklaagde midden in zijn redeneering toe, je hebt zitten slapen zeg ik je en nu wil jij den rapporteerenden officier nog voor leugenaar uitmaken ? Ik zal je leeren ,,beste man", dat zal je gewaar worden. Een strafbaar feit plegen en over het rapport nog klagen ook !"
„Neen mijnheer," antwoordt vrijmoedig de matroos, klagen doe ik niet. Ik geef u antwoord op uw vraag. — Dat kon niet anders zijn dan wat ik u gaf. Nu zeg ik u : néén, ik heb niet geslapen. Mijn pijp was brandend toen ik binnenboord stapte. U moet het den adelborst maar eens goed vragen...”
Maar daarmede had hij het blijkbaar nog meer verbruid : ,,Ruk in," siste de officier van het vóóronderzoek, den zijns inziens brutalen rakker toe : ,,je komt op parade." Van Everdingen vertelt dan verder, dat een collega van „Blazer" hem adviseerde, den commandant aan te spreken : ,Ga naar den commandant joh ! Die heb gezeid : ik ben jullies vader. Nou en een vader is nou eenmaal „vader".
Zoo liep de arme jongen in arren moede op den overste toe, die bij stuurboordsvalreep stond te praten met den schipper : „Overste, ik wil den kolonel graag even spreken," zei hij snel, want hij begreep zeer goed, dat er niet veel tijd voor een babbeltje zou worden gegeven. „Ben je nou gek, jij matroos le klas !, ben jij zoo slecht op de hoogte; het schip is nauwelijks in dienst, ik kan iedereen maar niet bij den Commandant laten komen, die heeft wel wat anders te doen !"...
Zoo schreeuwde de kleine eerste-officier luid over het dek, zóó luid, dat de kolonel, die op het halfdek liep te kuieren, — in gezwinden pas, handen op den rug, hoofd ietwat voorover gebogen —zich verrast omwendde, de situatie meer vermoedende dan overziend, riep : ,,Wat is daar, Overste ?"
Daarmede was Blazers lot beslist, kwam de hem boven het hoofd hangende ,,rechtszaak" in het rechts-teeken te staan...Snel keerde de alles wagende matroos zich tot den Commandant, die hem om een andere zaak reeds persoonlijk kende — voor zoover zoo'n hooge officier ,,mannen" uit de lagere regionen ten minste onthoudt — en gaf dezen vlug te kennen, dat hij „den kolonel" spreken wilde. Gelukkig werd dit geval menschelijk opgevat en verkreeg hij een conferentie na een half uur, in de kajuit.
,,Is dat nu allemaal waar, wat u daar zegt ?". . . vroeg de commandant, kolonel Ellis, den jongeman scherp aanziend. En deze antwoordde rustig : ja, kolonel, zoo ik u de zaak heb verteld,zoo is het toegegaan."
„En de Divisie-officier heeft u zóó op het rapport te woord gestaan ?" ,,Ik zweer het u, kolonel." „Welnu," aldus de commandant, die nog ernstiger werd, ,,ik zal deze zaak naar behooren corrigeeren, neem je daar genoegen mee, jongeman ? Ik geloof je, maar moet onderzoek doen." „Aan u laat ik het geheel over, commandant," en met deze woorden verliet de matroos de kajuit.
— Van Everdingen noemt hem „een held" maar ik hou niet van overdrijving.
Denzelfden dag verdween er een adelborst le klas naar omlaag met veertien dagen hut-arrest... en eenige dagen later werd de divisie-officier overgeplaatst."
Ik geef toe," merkte Vandersteng op, ,,dat ik een zeer scherp beeld citeer van de verhoudingen aan boord, omstreeks het begin van de 20ste eeuw. Maar dan moet je Mollema hooren ! Trouwens als om beurten schijnen Mollema en van Everdingen, die elkander zeker nooit gekend hebben en het wederzijdsch geschrijf wellicht nooit gelezen hebben, conflicten aan boord te hebben meegemaakt.
Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :