dinsdag 25 juni 2013

Schetsen en Humor 109

hoofdstuk 4- Marineschetsen van 1900 tot den Mei-oorlog 1940.
Zijn soort is het bangst voor typen zooals jij, die oog in oog en hart tot hart met de minderen kunt praten; in zijn systeem past niet de goede verhouding tusschen officier en matroos, hij zou immers geen haat kunnen zaaien in de harten van eerlijke kerels, zoolang deze in een officier den het goede nastrevenden leider zien.
Laat dit geval je vooral niet ontmoedigen; als je in Indië op een klein schip komt, waar officieren en equipage zoo veel meer op elkaar aangewezen zijn, zal je eens zien hoe weinig die opstokers bereiken, en tenslotte je : ,,Stilte aan de bakken !" en het uitblijven van eenige reclame bij mij wijzen er op, dat je je wil kunt opleggen, nadat gemoedelijke terechtwijzing faalde.
's Kolonels woorden mochten balsem op Willems wonde zijn, hij wist sindsdien echter, dat schipperen zijn voorland was : schipperen met de oefeningen, schipperen met de schepen, met de discipline, met het eigen gemoed...,,Dan maar naar een klein schip, zoo gauw als ik kan," besliste hij. . .”
En toch... en toch... want je denkt natuurlijk dat Mollema een ouwe kankeraar is die op de marine scheldt en vloekt en nu, na zooveel jaren burger te zijn geweest, kans ziet eens lekker revanche te nemen op de marine van rondom 1904, dezelfde marine, waarover ook Van Everdingen, doch dan uit een anderen gezichtshoek gezien, zoo weergaloos tegenstellingen zocht en zijn lezers voorhield. Beider uitbarstingen moet je heusch met een korreltje zout nemen.
Twee pagina's verder vertelt Mollema : ,,Er zat dreiging in de lucht; wilde geruchten over de nabijheid van Japansche verkenners of Russische eskaders deden herhaaldelijk de ronde; de proclamatie, die Land- en Zeemacht op haar plichten wees, was ernstig en duidde op immanent gevaar; de schepen werden in oorlogskleur geverfd, sloepen, tenten en overtollig houtwerk van boord gegeven; door de tropenzon geblakerd, wachtten de schepen, gereed voor het gevecht op de een ieder bekende order :
,,Gaat naar buiten ... en keert niet weer !" Wonderbaarlijk! het noodlot der marine in vredestijd als het eenig mogelijke voorgehouden, dat noodlot waarnaar zij niet door een vijand, maar door het lieve Vaderland, verwezen werd, vervulde in de ure des gevaars officieren en schepelingen met grimmige vastbeslotenheid.... de rats was nooit meer zuur, een redelijk verzoek om een licht tentje te spannen over het geblakerde dek was al hetgeen voor lotsverbetering gevraagd werd. Gysen was een matroos als een ander, niet meer het middelpunt van smoezende groepjes.
Er werd gezongen, kwinkslagen doorspekt met galgenhumor vlogen over dek en van kanon tot kanon, die zelf Leven schenen te voelen, want zij staken hun neuzen speurend rond op uren, dat zij anders, warmpjes ingepakt, keurig langsscheeps gericht, dommelden. Hun moeders, de konstabels, schudden het hoofd, als zij den ganschen dag hun neuzen en bipsen moesten schoonwrijven, want het exerceeren was niet van de lucht en in plaats van lichte exercitiehulzen, gingen er scherpe patronen in en uit en dreunden in de munitieruimen en kokers de heen en weer ijlende granaatlorries en liften.
Stille ijver heerschte in de diepte van het schip onder de waterlijn, waar de torpedo's een, overigens in onze marine bijna overbodige controle kregen; ook in de machinekamer werd elke kans op onaangename verrassingen uitgesloten.
Er was zeewacht; 's nachts hoefden de adelborsten niet tegen een kanonschild te leunen, want zij tuurden nu met lust hun vier uren lang naar het admiraalsschip of den haveningang. „'t Is bijna meenens," riep Willem eens een seiner toe, die door de binocle op de seinlamp van „den admiraal" lette.
„Mijn zullen ze niet verrassen, zooals ze 't de Russen deden !" was het antwoord. ,,Je hoeveelste schot zal zitten ?" vroeg Willem een kanonnier, den prijswinner van de halfjaarlijksche oefeningen met scherp. -Als u den afstand goed meet, het eerste, meneer," gaf de scherpschutter lachend terug, „mijn oogies zullen niet knipperen en mijn handjes niet beven !"
En tegen een stoker, die de nachtrust verstoorde met het op den wind draaien van luchtkokers, zei Willem : „Stokertje, er is geen aasje wind man; als er bries door komt, laat ik ze we] goed voor je zetten !" „'t Is maar, meneer," antwoordde de van zweet druipende besmeurde man uit den buik van het schip, ,,dat 't beneje zoo lazerus warm is en als we opstoken moeten, willen wij toch alzoo het eerste draaien kunnen !"
Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :