vrijdag 21 juni 2013

Schetsen en Humor 103

hoofdstuk 4- Marineschetsen van 1900 tot den Mei-oorlog 1940.
Willems scherp oor hoorde ook klanken van critiek uit een groep matrozen. Wie sprak kon hij niet met zekerheid zeggen, het scheen wel die matroos, die steeds door bijzondere hoffelijkheid, goed gedrag aan den wal en stipte dienstbetrachting opviel.
„'n Goede geest !?" hoorde hij, Kennen jullie dien barometer met het weerprofeetje ? Met mooi weer komt een meisje naar buiten, bij storm een mannetje met 'n paraplu op ! Nou, als aan boord de commandant aan dek komt is hij dat mannetje met de paraplu.. je ziet hem immers alleen als de straffen uitgedeeld worden !"
De fluisteraar oogstte succes, de omstanders lachten onderdrukt, want zij zagen Willem in de buurt staan. „Hoe is 't godsmogelijk ?!" dacht de jonge officier onthutst, ,,als zoo'n keurige vent zoo denkt, waar moet het dan heen ? Ieder weet toch, dat de kolonel zoo min mogelijk straft en steeds in de weer is, om het den menschen aangenaam te maken !. . .”
Willem kende nog niet het ,,systeem" van de bedreven ophitsers van den Marinebond, slimmerds die wel oppasten zelf niet in de gaten te loopen en vat op zich te geven, die in donkere hoekjes hun werk van ondermijning verrichten, geduldig, talentvol, systematisch !"
Terwijl ik dat citeer," zegt Vandersteng, ,voel ik ineens weer den lust v. Everdingen „aan te halen". De „Blazer" ligt met de „Zeeland" omstreeks dien tijd op de ree van Vlissingen en hij is beurtgast. Hij rookt rustig zijn pijpje, want veel werk geeft de sloep niet en hij mijmert over allerlei dingen, terwijl binnenboord de maats van de wacht aardappelen jassen, want de rats is reeds eenigen tijd ingevoerd, tweemaal per week.
Mogelijk in dergelijk mijmerij verdwaald, hoort de „Blazer" de ijle stem in de grauwe ruimte niet van den aflosser, die bij den valreep klaar staat. Een goedgerichte aardappel doet de beurtgast met snelle beweging uit de kajuit opduiken en als hij nu de herhaalde roep over het water hoort : „langs zij !" duwt hij het roer om en giert langs boord.
De handelingen van de twee ,eerste klassen" zijn even juist als snel : beide hebben de brandende pijp tusschen de sterke tanden en op hetzelfde moment — als de kop van de sloep reeds op het laatste nippertje door de afgeloste matroos weer naar buiten gezonden is en daardoor de bil een moment boord aan boord ligt met de geweldige hooge ,,kast”, die deze kruiser is, springt de afgeloste matroos tegen de boordklampen op met de reep in de handen.
De aflosser heeft, even kalm als oogenblikkelijk, het schip losgelaten en in de sloep springend, het roer gegrepen. Als de ,,Blazer" boven is en een aardigheid debiteert tot zijn aflosser, zit deze reeds, precies als zijn voorganger, aan het roer in elkaar gedoken zijn pijpje te schuiven.
Dan staat de vrij gekomen matroos aan dek en wordt begroet door zijn kameraden — eenige jongeren staan, met mes en aardappel in de hand toe te luisteren. ,,Houd je kalm, joh, daar komt de adelborst van de wacht aan, die heeft al gezegd tegen Dirk : „Hij slaapt zeker, gooi 'm een stuk steenkool op z'n kop"...Daar is ie al."
De afgeloste beurtgast, nauwelijks ontdaan van oliejas en jekker, rekt zich even (was hij niet op van half een af ?) en laat lachende zijn inlichters de rookwolken zien, met kracht uit zijn pijp getrokken.
Doch tevens stond daar meteen de wachts-adelborst 1e klasse voor hem, ,,Je hebt zitten slapen", zegt hij, hoewel behoorlijk kalm, toch op een wijze die niet de minste tegenspraak duldt.
De aangesprokene, afgelost beurtgast is in een allerbest humeur en ziet geen kwaad boven zich hangen. Hij lacht daarom, eventjes op zijn pijp wijzend, maar als hij opeens ziet en voelt dat het ernst gaat worden, dat de officier — hoewel nog jong en pas van het Instituut — zich gereed maakt tot een overwinning, betrekt hij plots.
,,Wat zou die pijp," snauwt nu de adelborst hem toe, je hebt zitten slapen zeg ik !"
„Welnu, dan weet u het beter dan ik," berust de jongeman en wil zich omdraaien naar zijn maats.
Maar nu wordt de officier heftig.
,,Verantwoord je, zeg ik !" buldert hij voor zoover de kracht van zijn stem zulks veroorlooft. ,,Je hebt geslapen ! Wil jij nu vertellen, dat dit niet waar is ?" Toen zei de jongeman, die niet bepaald met zijn woorden verlegen was : Jij weet er niets van, u raadt er maar naar, waarom vraagt u het niet liever, omdat er werkelijk schijn was, omdat ik Dirk niet hoorde... Ik zou u dan op mijn pijp gewezen hebben, die aan was toen Dirk in de sloep, sprong en was hier de jongens allen getuigen kunnen..."
Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :