donderdag 20 juni 2013

Schetsen en Humor 101

hoofdstuk 4- Marineschetsen van 1900 tot den Mei-oorlog 1940.
En dergelijke schetsen hebben met een bepaalde periode bij de marine niets te maken. Ik citeer daarom maar weer een deel, dat eenig inzicht geeft in de marine uit het begin van de 20ste eeuw. Mollema is daarover niet erg te spreken; de vooruitzichten, nu het oude liedje van bezuinigen weer sterker en herhaald gezongen werd, zijn slecht :
,,De inspectie van den admiraal was geëindigd, de schipper floot „alle hens voor den boeg !" Het volk schaarde zich op het halfdek tegenover zijn officieren in de ongedwongen, half militaire zeemanshouding, de admiraal stelde zich tusschen beide groepen op, zoodat hij allen zien kon.
Aan dek heerschte stilte, men hoorde slechts de geluiden van den wal en uit het benedenschip, het zoemen der fans, die de ketelvuren aanjoegen, het kletteren van neergeworpen stookgereedschap, het sissen van stoom; van den wal klonk het geroezemoes der dichte menigte; marinevolk, familieleden en nieuwsgierigen.
De admiraal, een vijftiger en toch oud lijkend vergeleken bij de jonge zeelui en door zijn breede goud-galons en sterren zoo oneindig hoop verheven boven allen aan boord, sprak zijn afscheidsrede op ernstigen toon uit : ,,Officieren, onderofficieren, korporaals en minderen ! Zoo dadelijk werpt gij de trossen los en is de band met het vaderland verbroken; elke omwenteling der schroeven voert u verder van huis en naar het terrein, waar gij drie jaren lang van ons ,,cleyne hoopken", ons eskader in Indië, deel zult uitmaken.
Dat eskader is ons eenig weermiddel en als de nood aan den man komt zal het strijden moeten tegen een moderne marine van den vijand. Ons zou het dan niet baten ons te verschuilen, hij zou ons zoeken en vinden en vernietigen in ons hol. Er is maar een plaats waar wij niet roemloos zullen ondergaan, en dat is de volle zee, waar ons eskader althans tot zijn recht komen kan.
Al zijn onze kansen op een zege zoo goed als uitgesloten, toch zal een ondergang met eere het Vaderland weer baten dan een overgave uit een zoogenaamd menschlievend oogpunt. Mannen der Koninklijke Marine, gij kent zeer goed uw kansen ! Wie de voordeelen in vredestijd geniet, hij zij bereid den wissel in oorlogstijd te honoreeren !
Verricht uw oefeningen met lust en ijver, zij komen toch zeker den jongeren onder u ten goede, wanneer zij later het geluk zullen smaken op een moderne Hollandsche vloot te dienen. Handhaaft den goeden geest aan boord ! Hij is zoomin bestaanbaar zonder goede discipline, als deze zonder goeden geest.
Mijn beste wenschen vergezellen u op uw reis, toont waardige nakomelingen te zijn van de mannen, die u voorgingen op kleine ongezonde, slecht bezeilde schepen en desondanks hun duren plicht en meer deden !
Vaartwel !
Leve de Koningin !"
Een driewerf hoera, naar de oude zeemanswijze op de bootsmansfluit ingezet, weerklonk. De admiraal schudde den commandant ten afscheid de hand en hij verliet, onder de roffels der tamboers en het presenteeren der geweren door de marinierswacht, het schip; nauwelijks had hij voet aan wal gezet, of het commando klonk : „Om te salueeren, stuk één. . . vuur !"
Met tusschenpoozen van 15 seconden werden vijftien saluutschoten gelost, toen ging de admiraalsvlag neer en op de gillende fluitjes der bootslieden, ijlde de equipage op haar posters, klaar om de commando's van de brug voor het ontmeeren op te volgen.
Willem had geen wacht of eenigen bijzonderen dienst te verzorgen, hij kon zijn aandacht aan het vertrek wijden. Hij voelde zich niet recht behagelijk, de volmondige erkenning van den hoogsten bevelhebber van den deplorabelen staat der zeemacht had hem onaangenaam getroffen.
„Het zijn dus blijkbaar niet alleen verzuurde officieren, die aan geen werkelijk effectvol optreden der marine gelooven", dacht hij; ook de allusie naar den goeden geest kwam hem vreemd voor ! Zeker, de oubollige toon op de instructieschepen heerschte niet op den kruiser, men zag er meer kunstmatig-militaire vormen; hij meende, zij behoorden misschien bij het directe oorlogsdoel van een groot schip. Hij ving hier en daar woorden op, inderhaast gewisseld onder groepjes mannen.
Een zwabber (luitenant ter zee le klasse) merkte tegen een collega op : „De admiraal nam ook geen blad voor den mond, maar ik hoor de waarheid liever, dan kleinzielige aanmerkingen op een spinneweb in een bergplaats !" De verzuurde tweede klas, nog bleek van het harde afscheid dien morgen, zei :
„Eervol ondergaan, graag ! ja, als wij een troep Kamerleden mee mochten nemen : ah, wat een genot zou het zijn, die kerels wit om hun neus te zien worden en dan te zeggen : ,,Kijk edele vaderlanders, de vijand loopt ons met 25 mijl gauw in, dat komt van je schrielheid, nou zit je op een schildpad, nu ga je over vijf minuten aan flarden !"
Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :