maandag 17 juni 2013

Schetsen en Humor 095

hoofdstuk 3- Marineschetsen van 1860 tot 1900.
Op een stil moment begaven zij allen zich naar vooruit, gewapend met het benoodigde materiaal. „Als ie in kop er nou wéér onder steekt, loopen we niet weg," sprak de eerste-officier af. ,,We houden elkaar vast en vormen een ketting van hier tot de brug. De sterkste vooraan en zoo vervolgens; we moeten onder den druk van het water zelf komen om te kunnen oordeelen."
Hij ving zelf reeds aan, de bezemkist, geholpen door langen Toon en den blazer, met sijzings vast te sjorren. Allen werkten koortsachtig, gestriemd door het buiswater dat voortdurend over den bak sloeg. Als de officier van de wacht den bewusten ,,roller", die om de zooveel minuten het schip bedolf, zag aankomen, liet hij schel zijn : „Berg je !" hooren. Dezen keer stormde niemand weg.
,,Isegrim" omarmde links een tentstut, wijl hij rechts de sjorring hield van de bezemkist, zóó bleven allen bij hun werk zonder de ketting te verbreken. . . IJdele hoop ! De kop van het schip gleed als een mes in den buik van het watermonster, dat hemelhoog op den boeg aankwam en het voordek tot den toren blank zette ! . . . Een ontzettend geweld brak los, het was of de spanten uit elkaar rukten. De oprichting, wat een groot geluk was, volgde plotseling daarop, waardoor de geweldige stortzee als een enorme waterval naar achteruit werd geworpen. Het water kreeg bovendien een geweldige persing ter weerszijden van den toren tusschen het boord- en den torenwand, waar de doorloop onoordeelkundig smal gebouwd was. Niemand bleef er op den bak...
De bezemkist was verdwenen. De tentstut stond in den vorm van een haak. De wakkere zeelui waren eenvoudig weggeslagen, her- en derwaarts, de meesten tot achteruit gespoeld. Het dek was bezaaid met bezems, putsen, zwabbers en losse planken ...
Waar bleven de redders ? Even moest ieder bijkomen van het vreeselijke gebeuren. Doch ook maar even ! Een gekerm vulde de lucht. Uit alle hoeken en gaten werden slachtoffers gehaald. De meesten hadden lichte kneuzingen bekomen, doch er waren helaas ook ernstige gevallen. ,,Isegrim" was, met de bezemkist innig verbonden, meegesleurd, tegen den toren geslagen en als een torpedo door de nauwe gang geschoten. Dertig meter verder, onder de barring, kwam hij terecht boven op den blazer, die daar reeds boven op een opgeschoten tros was neergekwakt. Beiden waren de redders van een jong matroos, die voor hun oogen bijna over boord sloeg.
Maar lachen moesten zij toch eerst om het in-komieke van den toestand van den jongeman. Hij was in de goot beland, met een van z'n vingers blijven haken aan een spuigat-beugeltje en toen over den kop op de verschansing geslagen, de beenen buiten boord. Zijn winger was verminkt, waarvoor hij ook later is afgekeurd; doch het was zijn geluk, anders... een man over boord zou nooit bij deze zee gered zijn !
Lange Toon droeg hem naar de kajuit, bij de eerste gewonde, waar de dokter, bijgestaan door den ziekenvader, de harden reeds vol had. „Hier heb'u er een, die voor het eerst in z'n leven de reuzenzwaai heeft gemaakt, dokter, maar hij doet 't nooit meer, zegt-ie".
En zoo werden -tezamen negen gewonden gevonden. Overal zaten ze knijp. Tusschen de roeiketting met een hand, met het hoofd order een barbette van een kanon, zelfs één was de kombuis ingeslagen boven op het fornuis... wat tot zijn geluk al twee dagen koud was".
Van Everdingen behoorde in zijn matrozentijd tot de ontwikkelde schepelingen van onze marine. Dus was hij bestuurder van den ,,Matrozenbond". In zijn ,,dagboek van ,,Itoe-dia” zegt hij, dat deze bond in 1898 nog slechts uit een kern van ,,ernstiq willende, schimp en spot van collega's trotseerende flinke kerels" bestond, ,,benevens een kleine achterban van meer nieuwsgierig afwachtende, dan wel intens overtuigde jongemannen.
De spil waar alles om draaide, de financiën", stonden niet altijd even study... De grootste afdeeling was begrijpelijk in ,,Nieuwediep" gevestigd — eigenlijk was deze ,,de Bond".
Waar Van Everdingen in zijn schetsen meer propagandist dan beschrijver van marinetoestanden is, legt hij 't er wel eens een beetje dik op, om indruk te maker. Hij schreef trouwens zijn schetsen hoofdzakelijk voor de sociaal-democratische pers; later overgenomen door het ,,Algemeene Marineweekblad", omstreeks 1922. Toch is het noodig hem nog enkele malen te citeeren, waarvoor ik in de volgende periode meer gelegenheid heb.
Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :