vrijdag 7 juni 2013

Schetsen en Humor 079

hoofdstuk 3- Marineschetsen van 1860 tot 1900.
Trouwens in het ,Voorberigt" van 1871 wordt daarop nadrukkelijk aldus gewezen : „Met genoegen kunnen wij onzen lezers herinneren, dat alle ingezonden stukken door adelborsten geleverd zijn en dat men daarin te vergeefs letterkundige schoonheid zal zoeken."
J. J. Backer Dirks — wie kent hem niet als de schrijver van -De Nederlandsche Zeemacht, in hare verschillende tijdperken geschetst !" — leeraar in de letterkundige vakken aan het instituut, heeft de adelborsten van dien tijd blijkbaar een heel eind op weg geholpen.
Althans het ,voorberigt" maakt daar speciaal melding van met de opmerking dat : ,,die zich, niettegenstaande zijne drukke bezigheden, bereidwillig met het doorlezen der stukken heeft willen belasten en ons menige aanwijziging heeft geschonken, die ons zeer goed te stade kwam."
Doch zelfs al hou ik rekening met het door de adelborsten van dien tijd gemaakte voorbehoud, dan nog kan ik, met den besten wil van de wereld niets vinden om te citeeren. Ik zeg niet, dat er geen verdienstelijke stukjes poëzie en proza in de jaarboekjes van dien tijd te vinden zijn, maar wel, dat ze geen beeld geven van de marine of van het leven aan boord. Dat kan ook haast niet. Schold de ,,ouwe" van Zijner Majesteits Fregat -Holland- de adelborsten niet voor „koekebakkers" ?
In de tweede jaargang van het adelborstenboekje vond ik „marinespreekwoorden"; meer uitvoerig en tot een verhalend gedicht verwerkt, kwam ik deze ook tegen in het jaarboekje 1885; ik ga daarop niet verder in omdat ik van spreekwoorden en zegswijzen bij ,,Marinetermen" reeds het een en ander heb verteld.
In 1875 bevatte het jaarboekje voor het eerst „Mixed Pickles", een z.g. varia. Met een beetje goeden wil zijn de daarin verwerkte citaten op bepaalde gebeurtenissen in het Kon. Instituut van toepassing te brengen. Het is alles, op een enkele uitzondering na, echter zóó ,zouteloos", zóó weinig zeggend om het marinekarakter te kunnen peilen, dat ik er van of zie om er hier iets uit te citeeren.
Ik laat de Jaarboekjes van lateren tijd en deszelfs inhoud echter nog niet schieten. Straks kom ik er als sluitstuk voor de volgende periode, wel weer op terug. Alvorens den nieuwen tijd zijn schaduwen vooruit te laten werpen wil ik nog even wijlen den oud-vice-admiraal G. F. Tydeman citeeren. Zooals ik reeds zei, liggen zijn schetsen bijna alle rondom 1880.
Ze verschenen gebundeld in 1937 — ruim een halve eeuw later — als ,,Verbleekte films" bij W. P. van Stockum & Zoon te Den Haag. Die oude marineverhalen schijnen — ook al omdat het zoo'n zeldzaam goedje is — nog altijd lezers te trekken. Is het niet merkwaardig, dat een bloemlezing uit de werken van A. Werumeus Buning — van omstreeks 1870 — nog in 1926 werd uitgegeven ! ?
Voor hen, die de marine van dezen tijd willen propageeren is dit om wanhopig te worden, vind je niet ? Ik wil daarom van Tydeman eens een geheel afzonderlijk genre afschrijven, anders dan de marineschetsen die in de vorige eeuw gebruikelijk waren en wel zijn ,,Roeitocht op de Koetei-rivier" :
„Wij waren met onze 4de klas (een klein schroefstoomschip met zeiltuig, die veelal ook voor het hydrografische werk in OostIndië gebruikt werden) op weg van Makassar naar de St. Luciabaai, ten anker gekomen een zicht uit den wal vóór de Moeara Bajor, de middelste en voornaamste van de vole uitmondingen, welke het water van de Koetei-rivier openhoudt in haar uitgestrekte deltabank, een respectabelen modderkoek, waarvan de buitenrand, ongeveer een derde van een cirkel beslaande, zoowat 140 kilometers lang is.
Van Koetei zouden wij de te Pelarang gestationneerde kruisboot naar de St. Luciabaai slepen ter aflossing van de daar liggende. In die dagen — het was 1879 — werd door doze stationneering en door het periodiek bezoek van oorlogsschepen uit station Makassar de vermeende grens van ons gebied aan den noordoosthoek van bovengenoemde baai gemarkeerd en tevens gewaakt tegen het optreden van zeeroovers uit den Soeloearchipel.
De commandant, wenschende zijne kolen te sparen, had bepaald, dat ditmaal niet het schip zelf de kruistocht van Pelarang zou halen, maar dat dit door een sloep onder bevel van een officier zou geschieden, een roeitocht van 36 zeemijlen (67 kilometers). Zeilen was buiten beschouwing gelaten : daarvoor viel op de rivier niet op voldoende wind te rekenen.
Stoomsloepen waren in dien tijd, althans op zoo kleine schepen, nog niet in gebruik; de noodige ,,paardenkrachten" werden nog door de matrozen geleverd. 's Ochtends zeven uur bij doorkomenden vloed van boord. De sloep, volgens model slechts voor acht roeiers ingericht, is bij de voorste, niet voor roeiers bestemde doft door onzen commandant van extra scheegaten voorzien, zoodat er tien man op de riemen zitten.
Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :