zaterdag 8 juni 2013

Schetsen en Humor 081

hoofdstuk 3- Marineschetsen van 1860 tot 1900.
Voor aflossing zijn nog twee matrozen medegenomen; elk uur zal een tweetal roeiers worden afgelost, van voren te beginners. Zij, die het eerst als slagroeiers zitten krijgen dus om te beginners vijf uren aan e& stuk te roeien. Behalve uit deze twaalf man en mijzelven bestaat de bemanning uit een kwartiermeester en een van Makasser medegenomen inlandschen loods, die op de Koetei-rivier thuis is. Mijn orders luiden : ,,aanmelden bij den assistent-resident te Pelarang, vragen om kruisboot mede te geven en deze naar buiten brengen".
Zelf weet ik van deze rivier zoo goed als niets. Wij waren destijds nog in de dagen, waarin een officier, zoolang hij geen commandant was, maar zelden een kaart te zien kreeg. Ik wist dus zelfs niet hoe ver het was; maar hoe warm het zou worden, wist ik we], want de ,koperen ploert" stond al lustig te blakeren, den roeiers in het gezicht, ons achterin op den rug. De zonnetent zou daartegen slechts een matige bescherming geven. Witte uniform bestond toen bij onze marine nog niet; wij maakten nog den zeer langzamen overgang mede van de baaien plunje en wollen truien van de mannen van Coen naar het reeds door de Russen en anderen voor de tropen aangenomen regime ,,wit"; alleen onze broeken en petten hadden deze kleur.
Ook de matrozen hadden het nog niet ver gebracht in den overgang naar het tegenwoordige; zij roeiden als waren het kerels van Coen geweest. Het is dan ook een aanmoedigend gezicht, zoo snel als het beeld van het schip kleiner wordt. Zegt er een : ,,Ik kan de bramra nog zien", dan kan men bemerken, dat er nog wat harder getrokken wordt; ook die bramra moet onder de kim. Maar dat lukt eerst, wanneer de wijde watervlakte achter den rug is en wij, na bijna twee uren roeien, in de riviermonding komen.
Dan kan men goed zien, hoe snel het gaat, hoe gretig de rivier zeewater slurpt. Fraai is hier het Indische landschap niet; overal egale randen van bakau-boomen, vrijwel mensch noch dier te zien, het water een effen, vuilgeel sap met vermalen bladeren, bast en takken; soms een verdacht stuk hout, dat wordt nagekeken, of het bijgeval de kop van een kaaiman is. Nu en dan tijdelijk naar zijn oorsprong terugkoersende boomstam of verzameling nipahstronken, ,,drijvende eilanden", waarvan in zee de zeeroovers partij trekken om de prauw er aan vast te klampen en aldus zich onzichtbaar te maken, wanneer zij den rook zien naderen van een stoomschip, dat misschien op hen uit is, en dat zij, ongedekt, allicht niet meer zouden ontloopen.
Maar dat gevaar liepen zij eigenlijk alleen bij het krieken van den dag. Want van de oorlogsschepen was de rook — van Koetei- of Poeloe Laut-kolen — voor hen gewoonlijk welkom ver te zien. Bij de veel voorkomende windstilten steeg, wat er van het uitbraaksel van den schoorsteen niet als gloeiende roetklonten op de zonnetent viel, om daarin gaten te branden, als een inktzwarte zuil ten hemel, twintig zeemijlen ver zichtbaar.
Omstreeks tien uur. Wij hebben nu zestien zeemijlen achter den rug, en nu gaat het, met een scherpen bocht naar bakboord, de ,,Elleboog" tegemoet, de eenige zeemijlen lange dubbele winding van 75 m breedte, waarin de schepen met gebraste raas varen om, vóór den stroom de diepe buitenbocht volgende, niet door de boomtakken te worden gevangen bij dien circusren, die hen bijna den wal op centrifugeert, een schouwspel, waarnaar de apen eerst verbijsterd zitten te staroogen, om vervolgens, wanneer het rookend monster nabij komt, zich snel het bosch in te gymnastiseeren.
Het is half elf, als we in het nauwste gedeelte zijn, en de stroom, die in het deel, dat achter ons ligt, wel reeds geminderd zal zijn, doet hier nog goed mede. Dicht als wij gaan langs de boomwortels, vliegt ons de wal voorbij. En die hard gaat, wil harder gaan; de roeiers trekken als waren ze pas begonnen, ook de slagroeiers, de nu vier uren aan één stuk geen riemslag oversloegen, dan een enkele maal een paar om even een slokje lauw water te drinken.
Zij worden trouwens van het roeien lichter, dus leniger; want het slokje water zit hun spoedig weer op de huid en is niet in staat, om te compenseeren, wat zij van de port en de koffie van hun ochtendmaal in dampvorm aan de atmosfeer hebben afgestaan. Van de vrijheid om met elkaar te praten maken de roeiers geen misbruik. Na de eerste paar uren slechts nu en dan een opmerking; het is lastig praten, als je de tanden stijf op elkaar zet.
Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :