zaterdag 1 juni 2013

Schetsen en Humor 069

hoofdstuk 3- Marineschetsen van 1860 tot 1900.
Ze weten er al alles van, en stellen er zich reeds een genot van voor om ook, zoo seamanlike mogelijk, hun dorst te mogen lesschen met het gemeenschappelijke watermokje van den standaard of om, o gruwel !, voor was sigaren een matrozenoorlam machtig te worden, waarvan het grootste genot is, dat ze hem, om niet gesnapt te worden, tegen heug en meug in een teug moeten verwerken.
Verontrust U niet, 't is sans conséquence; de adelborst geeft graag een ruw tintje aan zijne verhalen om zijne hoorders toch vooral te laten gevoelen, dat hij al zeeman is, en voor zijn mama of de zusters worden ze voor het prestige nog dikwijls dubbel zoo sterk gekleurd.
De jonker, die 50 flesschen cognac op zijn uitrustingslijstje voor adelborst le klas schreef, hield niet eens van cognac, maar papa was afschaffer en zou natuurlijk wel dadelijk begrijpen, dat zijn zoon een man was geworden, die er zelfstandige begrippen op na hield. De snoodaard verkneuterde zich geregeld bij vaders verzuchting : ,,waar dat toch bij de marine wel naar toe moest".
Maar de adelborsten komen niet aan boord van de ,,Urania" om in handenarbeid te worden geoefend of matroosje te spelen; ze moeten slechts matrozen-werk mee doen, om te leeren hoe gewerkt moet worden, en daarvoor wordt er dan ook streng op gelet, dat de enkele bevaren gasten, die meer als wegwijzers het reisje mede maken, de jonkers het werk niet uit de handen nemen.
Daartoe bestaat al spoedig neiging, want een goed matroos kan niet best zien, dat er getreuzeld of geknoeid wordt. Dit komt wel eens voor, en dan kost het de scheepsonderofficieren dikwijls moeite om hun ziel in lijdzaamheid te blijven bezitten.
Wel is hun door den schipper op het hart gedrukt, dat ze er een beetje om moeten denken, dat ze jonkers en geen matrozen voor hebben. Maar ze zijn nu eenmaal gewoon het volk op de ra nogal kort en krachtig toe te spreken, niet, om met vriendelijke invitaties voor den dag te komen.
Vermakelijke scenes zijn daarvan dikwijls het gevolg. Stel u bijvoorbeeld bootsmaat Ruig voor, een kerel als een boom, die het aan zijn beminnelijk uiterlijk te danken heeft, dat hij op de heele vloot onder den vleienden naam van ,,Rondom leelijk" bekend is; overigens een type van ruwe goedhartigheid en een puike zeeman. De man heeft, om beleefd tegen de jonkers te zijn, er na veel moeite op gevonden om zooveel mogelijk verkleinwoorden te gebruiken. Verder heeft hij het niet kunnen brengen. Jonker, nu moet u dat endje van onderen op, door 'het kousje scheren; nee ! nou doet u het weer verkeerd; vrij van het boellijntje, Asjeblieft !"
De man begint al te koken en als hij eindelijk, de wanhoop nabij, met akelig verwrongen gezicht, dat vriendelijk moet heeten, naar boven buldert : jonkertje, steek nu je armpje onder het schoothoorntje, daar bij het buikie van het grietje !" dan krijgt de stortvloed van allervriendelijkste verkleinwoorden zulk een onheilspellend hatelijk karakter, dat zelfs de commandant een oogenblik zijn ernst moet verliezen en hartelijk deelneemt in de algemeene hilariteit.
De bootsmaat kijkt een oogenblik verwezen en gromt in zichzelven een wensch, zoo verschrikkelijk voor de ,,Urania” met al haar jonkers, dat het drama van de ,,Medusa" er nog maar kinderspel bij is. 's Avonds echter, na afloop der werkzaamheden, zien wij onzen vriend weer bizonder tevreden, maar toch weer erg leelijk grinnekend, te midden van een troepje adelborsten, zich verheugende in een extra rantsoen present-sigaren en de gezellige fideliteit der jonkers, die den flinken trouwen kerel toch graag mogen lijden."
Ik moet toegeven, dat ik me overigens niet al te veel verdiept heb in schetsen, die in de week- en maand-bladen verschenen, ook al weer niet, omdat ik de lijn wil vasthouden zooveel mogelijk na te gaan wat marineschrijvers schreven en in boeken vastlegden. Dat terrein is beperkt. Dat weer ik. Het doorsnuffelen van de geheele vaderlandsche literatuur en de pers, om mogelijk hier en daar nog een schets te vinden is een zóó omvangrijk werk, dat ik me daaraan niet wagen durf.
,,Echte" marineschrijvers tusschen 1860 en 1900 tel je op de vingers van een hand af. Ik bedoel schrijvers, die bij de marine geweest zijn en daarna zich aan de letteren wijdden. Het merkwaardige is, dat ze bijna allen gediend hebben bij de marine van vóór 1900. Wijlen A. Werumeus Buning noemde ik reeds. Ik zou bijna ook den grooten dr. Willem Cornelis Royaards, doctor honoris causa in de Ned. letteren, daaronder gerangschikt hebben, maar vooreerst was hij hoofdzakelijk tooneelspeler en vervolgens was dr. Royaards slechts één jaar adelborst. Hij kreeg op 21 Febr 1886 eervol ontslag als adelborst 3e klas. Dan was er —hij overleed 16 Mei 1915 — de letterkundige oud-adelborst leklas Willem Remelius Hora Adema, 'n Fries, die in 1866 de marine verliet en in Indischen dienst (Binnenlandsch Bestuur) overging. Hij maakte in 1904, ter gelegenheid van een réunie bij het 50-jarig bestaan van 't Koninklijk Instituut, nog een Adelborstenlied.
Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :