zaterdag 25 mei 2013

Schetsen en Humor 057

hoofdstuk 3- Marineschetsen van 1860 tot 1900.
,,We zitten op den wal !" roepen ze elkaar toe. ,Kom er uit ! Alloo ! aan dek asjeblieft, alle hens !" ,,Kokkie, we verzuipen, baasje !" roept de kerel, die in het Nieuwediep een fluweelen vest wou huren. ,,Vooruit maar, zet de pan maar over het vuur !" — Diezelfde luchthartige kerel, die zichzelf zoo gemeen vond, is nu in zijn element.
Dat strookt met zijn aard : alles wat wild is en woest. Overal waar gevaar is, daar kan men hem zien. Het kan hem niet schelen... hij vliegt naar boven, het tuig in, en springt van het een op het ander, en is overal tegelijk. „Hoera !" roept hij, „wij zijn er, vooruit maar, waai op maar, wij kunnen er wel tegen !" Daar gaat hij, de „Tromp". Wat of hij nog kan loopen als het zijn moet ! Daar is vaart in, dat kan ik je verzekeren.
Maar er staat ook heel wat op. De boedel kraakt en buigt.... Wat iemand nog kan overkomen in het laatst van zijn dagen. Het ouwe vaartuig steunt alsof het te zwaar is beladen. Maar hij ,houdt zich goed... en, daar op de kampanje — daar staat zijn kommandant. Daar staat de „ouwe"; „ouwe pruik". Wat zijn z'n oogen groot in dit oogenblik ! Hij heeft z'n regenjas aan, want het begint te regenen; en zijn zuidwester heeft hij op. Uit de verte gezien, is het net een oude loods. Maar toch ... kijk maar goed : onder dien zuidwester herkent ge toch wel het gezicht van den ouwe... van den kommandant... van den kommandant van de „Tromp" !
Op de kampanje staat hij; aan lij, aan de benedenrij; de Tromp helt zwaar over onder al die zeilen. „Den ouwe" kijkt, onder de zeilen door, naar dien leelijken hoek. Wij moeten boven dien hoek. We komen dichter onder den wal, we kunnen de menschen zien loopen, we zien de vensters van de huizen, we zien een kerk... Het lijkt wel, of ze daar aan den wal in hoopjes bij elkaar staan en naar ons kijken. Jawel, zie, daar, bij dat landingshoofd, daar is het zwart van de menschen. Jawel, kijk maar toe, we houden ons goed. De „Tromp" houdt zich best; a] loops er ook nu reeds zoo'n vliegende onstuimige zee, dat hij van tijd tot tijd een hoop water over krijgt, vooruit op zijn ouwen kop, dat hij er van schudt en rilt en dat het een lust is om te zien.
Maar, 't wordt pijnlijker, we komen zoo dicht bij den hoek en... 't Is of de „Tromp" begint te zakken... ! Niet boven den hoek zal komen ....De ouwe kijkt nog maar altoos... naar die handbreed; geen spier van zijn gelaat die zich vertrekt. Van tijd tot tijd zegt hij iets tegen den man aan 't roer... Recht zoo !... Loeven een beetje ...Steady. . . Recht zoo !... Maar hij zakt. . . hij zakt, we komen er niet boven... Dat blauwe stukje land daarachter, wordt kleiner... we drijven de bocht in, het lukt niet, het gaat niet. Er moet. . . nog meer zeil op !
,,Meer ?". . . maar er staat nu al te veel op, en de bui ? ! ?... de bui, die nu bijna vlak boven ons is, en op het punt van los te barsten... Maar het moet, het moet, het kan niet anders ! „Grootzeil zetten !" buldert de ouwe ineens. Het klinkt door de lucht, als hij dat brult... Maar meer nog buldert en slaat het in de lucht, als die groote lap zeil los wordt gemaakt, en het zeil er op wordt gezet. Het is alsof het dondert hoog in de lucht, als het ééne geitouw voorzichtig afgevierd wordt en ze probeeren om de schoot, een stuk van het zeil, bij te zetten. De ra buigt. Alles kraakt, alles buigt — en siddert.
De ouwe „Tromp" haalt op een verschrikkelijke manier over naar lij...Hij bezwijkt er haast onder en... Hij zakt nog, hij zakt... we komen er niet boven... we raken beneden dien hoek... Maar neen. . . toch niet, zie, hij richt zich op, het ouwe vaartuig ... de „Tromp" richt zich weer op... en nu — schiet hij vooruit ..
Daar gaat hij heen ! Hij vliegt en steigert door het water. . . De zeeën breken op het schip en spoelen over zijn dek... Dat doet er niet toe. Vooruit maar ! We staan allemaal op verschillende plaatsen. Vooruit en achteruit, overal staan de menschen, met angstige gezichten. Daar staan er wel driehonderd, en nog meer. We houden ons, vast, zij staan en wij kijken en wij zijn bang... En toch is het zoo mooi.
't Is stil, niemand zegt iets. Alleen de „Tromp" is aan het woord. Den ouwe kijkt ook, maar hij is niet bang; op zijn gelaat ligt in dit oogenblik een verschrikkelijke trek... : iets dat woest is, maar toch ferm. Nu met recht, kommandeert hij de „Tromp". Hij kijkt naar den hoek en... naar de bui ! We komen dichter bij, De bui ! de bui ! Hij is vlak boven ons. Donkerblauw; zwart, onheilspellend. Het is, of er hagel in zit. Nog een oogenblikje maar. —Als hij invalt... ja, dan gaat misschien het tuig over boord ! We komen dichter bij. We zijn vlak bij den muur met zijn rotsblokken ... We zijn bijna midden in de branding, midden in het schuimende, kokende water...; maar we vliegen er door heen...
Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :