vrijdag 24 mei 2013

Schetsen en Humor 055

hoofdstuk 3- Marineschetsen van 1860 tot 1900.
De beste schets vond ik ,Een critiek oogenblik", dat met andere schetsen — ik vond niet vermeld wanneer — bij D. Bolle te Rotterdam verscheen, en waarin het maar een haartje scheelde of er was van de heele -Tromp", met al wat er aan boord was, geen mensch terecht gekomen. Dat was tijdens een thuisreis, toen de ,,Tromp" ter hoogte van het Engelsche Kanaal in een dikken mist en een windstilte terecht kwam.
„De mist begint eindelijk heelemaal op te trekken", zoo vertelde Werumeus Buning verder, „en we zien, dat er in 't Zuiden een zware lucht hangt ... Lieve hemel, wat een lucht ! een bui; een zware bui, die op komt zetten. Het water is al in beweging en stuift soms in de hoogte, — De ,,Tromp” loopt een aardige vaart, al staat er niet veel zeil op. Aan lij (benedenwinds) zien wij nog altoos de wegdrijvende mistwolken. 't Is nog dik, daar aan lij.... totdat in eens... ! Daar hooren we een stem van boven : „Land vooruit aan lij !" en dadelijk daarop nog een stem van een anderen uitkijk : „Land vooruit aan lij !"
De ouwe vliegt ineens op de kampanje. „Waar zie je den wal ?" schreeuwt hij den uitkijken toe. ,,Recht vooruit, kommandant, aan lij". ,,Dwars uit", roept er nog een ander. ,,ja we zien het zelf al !" We zien de kust op drie, vier plaatsen tegelijk; we zitten vlak onder den wal. Daar komt ineens, onder de lij (dus rechts van ons) de heele Engelsche kust te voorschijn en ,,dringt", als 't ware, door den newel heen. In minder tijd dan ik noodig heb om het te vertellen.
- Daar komt ook het licht van de zon; het roodachtig licht van den komenden dag. Het beschijnt den steilen rotsmuur, waarop we overal witte, spierwitte en lichtgrijze plekken zien, die nat schijnen en glinsteren in het zonnelicht. We zijn vlak onder de kust, we zien de branding, het schuim, dat tegen de rotsen opvliegt, we zien de huizen aan den wal; een dorpje, dat daar aan den voet van de rotsen ligt. We zitten bot op den wal en — we kunnen niet meer terug !...
Draaien ? dat kan niet, daar is geen ruimte voor. — Dat is niet mogelijk. — Wat dan ? — We moeten boven den uitersten hoek zien te komen. Als we daar... boven langs kunnen zeilen, komen we aan den anderen kant van den muur, en daar is ruimte het land, dat daar achter ligt, zien we blauw en nevelachtig achter den muur uitkomen... Nevelachtig ; want het is heel ver weg. Als we dáár maar zijn, dan zijn we klaar. — Maar wie durft dat ! — Boven dien hoek langs te zeilen, terwijl daar te loevert, aan de windzij, het vuile weer op komt zetten, dat nu al een paar dagen broeit.
Daar komt de bui ! Het water is woelig en onstuimig; er loopt al een vrij hooge zee. Dat komt van den wind, die er achter zit. De „Tromp" loopt al heel wat harder dan straks, het waait al hard op het oogenblik; het water, de branding, vliegt tegen de rotsen op. Vooral daar op den hoek, daar is het erg; daar ziet men de branding wit schuimende in de hoogte vliegen.
De muur van de kust loopt daar in eens steil naar beneden, alsof er door een reus een brok van of is gehakt. De stukken liggen daar links nog in het water verspreid en kijken nu, als reusachtige rotsblokken, met hun puntige koppen midden uit het schuimende water naar boven.... Daar breken de hooge zeeën op, daar warrelt en schuimt het door elkaar, daar hebben de vlokken van schuim pleizier in hun leven, daar vliegt en dwarrelt alles door elkaar, daar schuimt het en bruist het, daar raast het en tiert het, daar is het een leven als een oordeel, daar is het een lawaai, dat geen menschelijke stem gehoord kan worden.
En uit de verte. . ? Het lijkt soms allemaal opstuivende sneeuw; zoo wit is het en zoo schittert het in de zon. 't Is mooi, ja wel; maar daar moeten we boven langs; al waait het ook nog zoo 'hard en al Weems het vuile weer ook hand over hand toe ... En ... als we er op komen in plaats van er langs ... Laat me er niet over praten — daar is geen tijd voor !
Al wat ik U daar vertelde, duurde niet Langer dan een minuut of wat ... of korter nog misschien ... niet meer dan eene minuut. In eens hadden we dat alles voor ons gezicht! Maar — in eens heeft ook „den ouwe" geweten wat er moest gebeuren. Wij moeten boven den hoek langs, er moet vaart in komen, we moeten zeilen... Zeilen... met een vliegende vaart. Er moet zeil worden gezet. Ze zijn al bezig: de reven zijn er al uit en de marszeils staan al in top. — De bramzeils er op; de bovenste zeilen. Lieve hemel .... En het waait al zoo hard. Het komt er niet op aan — het moet ! Alles is in beweging aan boord van de -Tromp", alles is al aan dek. Niemand heeft ze geroepen, maar toch zijn ze er al. Vóóruit en achteruit, overal hoors men ze de trappen opkomen.
Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :