woensdag 22 mei 2013

Schetsen en Humor 051

hoofdstuk 3- Marineschetsen van 1860 tot 1900.
Het is dus van den matroos le klas Esscherig, een der oudste en bruikbaarste gasten van de ,,Holland", paai van den voortop, tweede ,,stormstuurder" en aspirant-giekroeier van den kolonel, een groote onhandigheid om met dat mes bij zich voor den bevelhebber te verschijnen ! En dat, terwijl hij een heel groot en belangrijk verzoek te doen heeft, namelijk om in de volgende week een heelen dag permissie te mogen hebben ,,wegens te zullen trouwen". Hij heeft een heele ,aanspraak" tegen den kolonel bedacht en uit z'n hoofd geleerd, met een paar mooie woorden als ,,eerbied" en ,,gunst" er in — en nou gooit die stommiteit met dat mes de heele zaak in het honderd, en van de alterasie is-t-ie z'n halve toespraak vergeten ook !
Als hij dus het welbekende : „Well, man, wat is er ? ..." tegenover zich hoort, salueert hij onhandig en brengt daarna z'n groot verzoek zoo hakkelend en onsamenhangend uit, dat het : „Man, praat duidelijker, ik versta je niet !" van den Ouwe nogal kortaf en ongeduldig klinkt, en hem nog verder van de kook brengt. Maar als de nood het hoogst is, nietwaar ? — hoort hij plotseling naast zich de grove, knarsende basstem van den schipper, die zijn verzoek overneemt en in korte woorden aan den kolonel overbrengt. En nou durft-ie ook weer op te kijken, terwijl hij veiligheidshalve nogmaals de hand aan de muts voert.
„Watblief ? ! ... Trouwen ? ... Ben je gek geworden ? ... Waar ben jij aan blijven hangen aan den wal, dat te lui is om te werken en nou wel van jouw gage leven wil ! Betaalt de secretaris jou zooveel uit, dat je er met twee menschen van leven kunt! Dat words niks dan armoe en ellende, man, niks dan akeligheid en binnen 't halve jaar ben jij een oud wijf, daar kun je op rekenen! Man, wees wijzer! Godbewaarme, matroos en trouwen ! Wat is dat voor een mensch daar je 't op voorzien hebt ? Ken jij d'r, schipper ?..."
,,jawel, k'rnel, ik ken d'r wel, ze wascht voor de menschen vooruit, 'n weduwvrouw en alleenig, d'r man is verleeje jaar in Indië an se end gekomme. . .- En de schipper legt uit, dat zij ook na haar trouwen zal blijven wasschen, en dat ,,hij" nog maar drie jaar dienst heeft en dan ,,zal vragen voor takelaar op de werf", terwijl hij nou toch ook de ,,centen heb van z'n koor en als kannenier". Ze kanne d'r na mijn gedacht wel komme, k'rnel, alsze de vierkante bout buite de deur kanne houwe."
De kolonel denkt na, of doet alsof, en het eind is, dat de requestrant, ook al is hij een stommeling en een uilskuiken, een groote gek, die zich moedwillig in de ellende en de narigheid gaat werken, de gevraagde permissie „op Vrijdag, de volgende week, zeg je ?...” goedgunstig toegestaan krijgt. Hand aan de muts : ,,Dank u k'rnel," en de dankbare bruidegom draait zich om en doet een paar passen...
Maar... ,Hé man, draai je om, wacht nog even," zegt de kolonel... ,Overste, hij kan voor mijn part twee dagen permissie krijgen, als hij gemist kan worden, enne ... laat mijn hofmeester je straks een oorlam geven, Esscherig."
Dat is de eenige maal op de heele parade, dat de kolonel laat blijken, dat hij den naam van een zijner ondergeschikten kent ! En de schipper weet nu meteen, dat hij waarschijnlijk zijn zin wel krijgen zal als hij over een poosje dien Esscherig voor giekroeier zal aanbevelen bij den kolonel — en ook daaraan, aan dat giekroeierschap ,,zitten 'n paar centen vast".
Misdadigers en requestranten zijn daarmee voor vandaag afgehandeld, het serieuze deel van de parade is achter den rug. Nu komt de adelborst 1 ste klas, die ,,oudste" is in de voorlongroom en die, zooals wij reeds hoorden, den kolonel te spreken gevraagd heeft, aan de beurt om te zeggen, wat hij op zijn hart heeft. Hij heeft ter eere van 't geval zijn jas van boven tot beneden dichtgeknoopt en zich zelf nauwkeurig voor den spiegel van het adelborstenverblijf geinspecteerd, want het verzoek dat hij voor het jonkerdom te doen heeft, is nogal précair — en hij weet bij ondervinding, dat een kleinigheidje kan maken, dat hij nul op 't rekest krijgt.
De overste geeft hem een wenk en hij komt naar voren. Onderwijl vraagt de kolonel met eenigszins gedempte stem, maar toch voor iedereen duidelijk hoorbaar : ,,Wat moet die jongen ! ?" ,waarop de Overste, die van het verzoek weet, antwoordt : „Hij wil U vragen of de wijntoko in de voorlongroom vanavond open mag. . . het schijnt, dat er een verjaardag of zoo iets gevierd moet worden ... tenminste zoo iets heeft-ie me vanmorgen verteld, kolonel." Onderwijl is de verzoeker tot op de reglementaire vier passen genaderd, blijft staan en brengt het militaire saluut.
Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :