dinsdag 21 mei 2013

Schetsen en Humor 049

hoofdstuk 3- Marineschetsen van 1860 tot 1900.
De kolonel bekijkt hem eenigen tijd stilzwijgend ,,with the eye of cold disfavour" en vraagt dan aan den eerste officier : „Waarom is die man geboeid ?" „Het was vannacht noodig hem te boeien, omdat hij den korporaal van de wacht te lijf wou, kolonel, en om erger te ontgaan ... maar hij is nu gekalmeerd ,,Laat hem losmaken..."
Terwijl de ,,patient- ontboeid wordt, kijkt de kolonel zwijgend en met meer en meer ongunst in het strenge oog toe, en leest daarna het rapport voor : ,,Wederom liederlijk beschonken van passagieren aan boord teruggekomen, het kuildek bevuild en opstootjes gemaakt tegen den korporaal van de wacht"; dan ineens een stap achteruit makende naar den schuldige, met harde, toornige stem, die door het halve schip te verstaan is :..... Neen, bij nader inzien zullen we niet woordelijk weergeven was de commandant van de ,,Holland" den schuldige naar het hoofd gooit. Laten we volstaan met de mededeeling, dat er werkelijk geen woord Fransch is in de toespraak van den kolonel, waarin daarentegen wél zuiver Nederlandsche klanken als ,,varken" en ,,dronken beest" gehoord worden.
Met nadruk wordt aan den delinquent verzekerd dat, als hij zijn gage in drank belieft om te zetten „en zich aan den wal met jenever laat volloopen", de Koning die gage wel beter gebruiken kan. En het einde is : ,0verste, die man wordt door mij voor onbepaalden tijd teruggesteld tot matroos derde klas, ingaande vandaag, wegens wangedrag en liederlijkheid ! Laat hem z'n ankers afnemen en bij den provoost inleveren ! 't Zal lang duren voor je ze terug ziet, daar kan je op rekenen, drankorgel ... Laat hem inrukken !"
De daarna voorgebrachten zijn twee lichtmatrozen, die elkaar smorgens vroeg aan den bak „in de haren" gevlogen zijn en nu een nogal armzaligen indruk waken, de een met een dichtgeslagen oog en de ander met een vormloozen neus, die blijkbaar flink gebloed heeft. ,,Ieder twee dozijn met de knuttels na vastwerken !" luidt het vonnis. -En laat hun koppen kaal knippen, dan kunnen ze elkaar niet weer beet krijgen...Ze hebben er ten minste flink opgeslagen", zegt de kolonel, op de beschadigde facies der vechtersbazen doelend. Maar„Met permissie.... nee k'rnel”, rapporteert de schipper eerbiedig en waarheidsgetrouw.... ,,ik heb ze gelast met vechten uit te scheien, maar ze hadde et te druk en deeje of ze me niet hoorde en toen is mijn hand uitgeschoote ......
Nu komen de twee verzoekers aan de beurt om gehoord te worden. De eerste, die voortreedt is een der onderofficieren, de schieman. Op het, op z'n Engelsch uitgesproken „Well ?" van den kolonel, vertelt hij, onderlaatst van den Tweeden Schrijver van het Kommandement gehoord te hebben, dat hij, schieman, zoo zachtjes aan in de termen zou vallen voor de kleine gouden medaille.
Hijzelf weet dat zoo niet, hoe dat zit met z'n diensttijd, maar omdat er aan die medaille „'n paar centen vastzitten", die hij als getrouwd man zijnde best gebruiken kan, verzoekt hij of de schrijver dat eens ,,akkeraat en officiejeel" uitrekenen mag met die medaille en of de k'rnel hem dan wel zou willen voordragen „astie d'r altemet al recht op hieuw, want-ie doch' z'n dienst altijd naar behoore verrich' tehebbe en z'n boekie was schoon......
De kolonel zegt den ouden deksofficier het gevraagde toe en belooft hem ook zijn hulp, maar .... ik vrees dat je nog wat zult moeten wachten, want die eigenwijze windbuil van een schrijver maakt wel meer abuizen, enne ... Schrijver ! waarom weet ik daar niet van ? Ik wou dat je het naliet om op je eigen houtje vooruit voor voorzienigheidje te spelen. Als er hier aan boord een voorzienigheid noodig is, dan ben ik dat zelf... 't Is goed, schieman, ik zal de zaak onderzoeken".
Als laatste verzoeker komt daarna een der oudste matrozen Ie klas naar voren, dien wij Esscherig zullen doopen voor deze gelegenheid. Terwijl hij bezig is zich voor den kolonel „op te stellen", merkt de provoost, dat hij vergeten heeft zijn mes af te leggen en stuurt hem terug om dat te doen. Reglementair behoort dit mes in de scheede aan een riem om het middel van den eigenaar te worden meegevoerd en met een messetouwtje om den hals te worden bevestigd, ter vermijding van ongelukken.
Maar juist wegens die kans op „'n malheur" en omdat het laten vallen van het mes uit het tuig zwaar gestraft werd, juist daarom droeg elke zich respecteerende gast dat mes los in den broeksband en liet het gebruik van messetouwtje als kinderachtig en lastig aan het jonge, onhandige volk over. Wie op parade voor het scheepsgezag moest verschijnen, diende — veiligheidshalve — ongewapend te zijn en had dus zijn mes te voren af te leggen. Dat wist een klein kind !
Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :