woensdag 15 mei 2013

Schetsen en Humor 041

hoofdstuk 3- Marineschetsen van 1860 tot 1900.
Je kent het verhaal van de -Twee Jantjes" toch ? Niet ? Nou ... Klaas Stammers en Toon de Winter, twee maats, waren dan weer eens nuchter. Ze hadden nog twee gulden en zeventig centen, waarmede ze nog net naar Alkmaar konden sporen, waar Toon een ouwe nicht — zoo gierig als 'n brand — had wonen, die ze zouden aanklampen om een paar lose grijpstuivers vrij te geven. Van dat geld zouden ze de bloemetjes dan eens lekker buiten zetten.
Maar die ouwe nicht — ook niet van gisteren —had de knapen door en weigerde een briefje van vijf en twintig gulden te leenen. Een borrel, die het daghitje in de buurt moest halen, kon er nog mee door. En nu laat ik Van Maurik aan t woord :
— En waar is je gage, je geld dan gebleven, je bent toch niet aan 't pierewaaien geweest ? jongens, jongens, dat zou me van je spijten. Je moeder is zoo'n brave christelijke vrouw — zoo'n godvreezend mensch — die heit je toch zóó niet opgevoed.
— Draai nou ereis even vast, oudje en schreeuw niet, vóór je geslagen wordt, riep Klaas. Wie zeit nou, dat we gepierewaaid hebben. Gisteren zijn we nog in de avondkerk geweest, niet Toon ?
Toon antwoordde niet, hij zat als in gedachten een oogenblik somber, met dwalende oogen, de kamer rond te kijken. Eensklaps zag hij de portretten van H.H. M.M. Koning Willem III en Koningin Emma, die boven aan weerszijden van een kleine kast hingen. 't Was alsof hij daardoor een denkbeeld kreeg, en met vooruitgestoken onderlip zei hij :
— Sakkerloot nicht, wat 'n mooie portretten van de majesteiten !
— Ja ! antwoordde nicht, zijn blik volgend — en ze moeten goed lijken ook. Ik heb de Koning en Koningin nooit gezien en dat spijt me. 'k Heb er altijd wensch naar gehad, want 't moet zoo'n gelukkig paar wezen.
— Dat zou 'k meenen, knikte Toon, ze bennen positief gezellig under mekaar, niet waar, Klaas ?
— Als een paar duifjes, bevestigde deze.
— Heb jelui ze wel 'reis gezien ?
— Gezien nicht ? Toon scheen nu plotseling te weten, wat hij „oplepelen” zou. Zijn gelaat helderde op, en met 'n voor de juffrouw Verbrugge onmerkbaar knipoogje tegen z'n maat, voegde hij er bij :
— Gezien en gesproken, want we zijn ouwe sobats, niet Klaas ?
— Nou, assieblieft, sobat kras !
— Wat bedoel jelui toch ?
— Dikke vrinden zijn we, nicht.
— Och kom ?
— Neen, waarachtig! Z.M. is heel eigen met z'n Jantjes, niks niet grootsch.
- Wat zeg je ?
- Natuurlijk, want wij zijn de lui, die, als 't noodig is, de kastanjes uit 't vuur halen en daarom, niet waar Klaas, hebben wij hem ook onze duiten geleend.
Klaas keek een oogenblik met onverholen schrik zijn maat aan, maar antwoordde, zich dadelijk herstellend : — Zooals Toon zeit, juffrouw.
— Och kom ! giegelde juffrouw Verbrugge — nou hou jelui me voor den mal — denk je dat ik zoo iets geloof ?
— Nicht, als je me affronteert, ga ik liever dadelijk heen, ik ben een Hollandsche jongen en ...
— Die liegt niet, als 't niet noodig is ! zei Klaas, de borst vooruit zettend. — We hebben Z.M. eergisteren nog gesproken.
— Maar Toon, beste jongen, ik begrijp d'r geen jota of tittel van; Z.M. de Koning woont toch in Den Haag ?
— Accoord, maar nou met de inspectie van de marine aan den Helder, heit ie zijn eigen daar een poosje opgeschoten.
— Hé, 'k heb 'r toch niets van in de krant gelezen.
— Dat hoeft ook niet. Z.M. is d'r zooveel als in 't geheim, dan kan hij beter uit z'n doppen kijken, of ze 'm ook beduvelen met een of ander.
— 0 ja ! dat kan wel wezen, maar Toon, 't is toch vreemd, dat ie jou dan ...
— Stop nou ! laat ik je eerst vertellen hoe ik van mijn duiten ben afgekomen.
— Dat kun je doen, neef, maar ik geef toch niks, niemendal riep juffrouw Verbrugge vrij vinnig.
Toon tracht dan nog een poging te doen om een paar borrels te krijgen, of anders een briefje van vijf en twintig los te krijgen. Maar resoluut blijft de „ouwe nicht"— Neen, neen ! ik doe het niet, jelui hebt pas je afrekening gehad — waar laat jelui je geld dan toch zoo gauw ?
Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :