dinsdag 14 mei 2013

Schetsen en Humor 039

Hoofdstuk 3 Marineschetsen van 1860 tot 1900.
Als ik 't goed heb, dan is Cremer, de schrijver van de Overbetuwsche Novellen, die met ,Wiegemie" in 1853 voor 't eerst van de pers kwam, de man, die den grondslag legde voor een schrijf- en verhaaltrant, zooals die ook in de veel later geschreven marineschetsen te vinden zijn.
Niet alleen in de marineschetsen natuurlijk. Want omstreeks den tijd, dat de marineschetsen van A. Werumeus Buning opgang maakten, waren er door verschillende schrijvers, schetsen van Marken, Texelsche vertellingen, Walchersche schetsen, Zeeuwsche, Noordbrabantsche, Limburgsche, en vele andere schetsen geschreven, gezwegen nog van de gedichtjes ,Pepermuntjes" en het -Kriekende kriekske" van Bernard van Meurs. Justus van Maurik overtrof alle anderen van zijn tijd met zijn schetsen uit het Amsterdamsche volksleven. Maar toen was het reeds 1880 geworden.
Onder de zeer vele schetsen van Justus van Maurik vond ik er een, waarin hij iets van de marine vertelde, nl. in de „Twee Jantjes". ,,Op hun gebruinde gezichten", zoo leidde hij de twee matrozen bij zijn lezend publiek in, ,speelde een trek van zonderlinge verlegenheid en smartelijke teleurstelling, want nu ze weer een poosje goed nuchter waren, kwamen zij tot de ontdekking, dat zij met z'n beien ,persies nog twee gulden en zeventig centen bezaten." Ziezoo, dat wisten de lezers van omstreeks 1880 dus.
Ook Justus van Maurik kende den marineman niet anders dan als een doorloopenden drankwagen, die, als ie niet bezopen was, de gekste streken uithaalde. In 1896 heeft de toen 50-jarige Van Maurik als ,tabaksman" een reis naar Indië gemaakt. Zijn „Indrukken van een Tótók" lieten blijkbaar geen ruimte over om iets te zeggen van het werkelijke leven van den zeeman aan boord. Als passagier op een mailboot heeft hij er wellicht niet de minste aandacht aan geschonken. Dat is heel jammer.
Maar daarom citeer ik met zooveel te meer genoegen mevr. Weber—van Bosse, de echtgenoote van den beroemden Max W. C. Weber, leider van de Siboga-expeditie in den Indischen Archipel, van 1899-1900. Gedurende een jaar vertoefde mevr. Weber—van Bosse aan boord van Hr. Ms. flottieljeleider „Siboga", die voor wetenschappelijke doeleinden beschikbaar gesteld was.
Behalve de commandant en de officieren waren er drie europeesche stokers aan boord; de overige opvarenden waren inheemsche schepelingen. In haar boek ,,Een jaar aan boord H. M. ,,Siboga" vertelde mevr. Weber—van Bosse uit dien tijd (1899-1900 — dus enkele jaren nadat Justus van Maurik z'n „Twee Jantjesschreef) : „Zoo dikwijls is het Weber en mij opgevallen, dat de zeelieden zoo heel anders in hun doen en laten zijn, dan wij ze ons gedacht hadden. Ik had vroeger zoo'n vage voorstelling, dat elke Janmaat een zieltje zonder zorg was.
Hoe zuinig daarentegen, hoe vlijtig waren die drie europeesche stokers; hoe onvermoeid om in hun vrijen tijd voor ons te wasschen, om er een paar centen bij te verdienen voor moeder de vrouw thuis. Hoe geregeld werd al het zuur verdiende geld naar huis gezonden; zuur verdiend noem ik het, omdat het leven van den zeeman, het moge, vooral in jonge jaren, al zijn heel aardige zijde hebben, ook ontberingen kent, die een landrot niet beseft. Ik denk in de eerste plaats aan die lange scheiding van vrouw en kind.
Men kon Loyer geen grooter genoegen doen, dan eens naar het portret van zijn vrouw en kinderen te vragen, dat hij onder zijn baadje verborgen had. Hij haalde er dat dan onder uit en zei : ,Da's m'n vrouw en de vijf kinders." ,,Maar Loyer, ik zie er maar vier ....Ja, maar 't vijfde was op 't kommen, toen dat portret gemaakt werd; da's er nou toch ook bij."
En het waren niet alleen de stokers aan boord van de ,Siboga' , die zoo zuinig leefden en spaarden... Te Soerabaia heb ik eens aan een postkantoor moeten wachten, omdat een beambte bezig was een gewoon korporaal van H. M. „Friesland" te helpen, die zeventien postwissels naar Holland zond, eene voor hem zelven en zestien voor zijn kameraads.
Onder het wachten knoopte ik een praatje met den man aan. ,,Ja juffrouw," zeide hij, ,,da's een boel beter dan vroeger; d'r wordt wat minder gedronken en een boel meer geld naar huis gestuurd."
Maar goed, Justus van Maurik had er dus een anderen kijk op, omdat hij wellicht nooit nader met den marineman in aanraking was geweest. Nu wil ik zijn literaire prestaties natuurlijk niet beoordeelen. Ik ben volkomen onbevoegd dat te doen en, om met Justus van Maurik in de inleiding van zijn boek Idrukken van een Tótók" te spreken, ,,omdat ik niet critisch ben aangelegd en de mensch nooit iets moet beproeven, waarvoor de natuur hem de noodige hersencellen heeft geweigerd !"
Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :